Afrikaanse landbouw is niet heilig en zeker niet natuurvriendelijk

Door:  Martien Hoogland  

Foto's: Getty  

Te vaak wordt de lokale Afrikaanse kennis heilig verklaard en een banvloek uitgesproken over moderne westerse landbouw. Dat is onzinnig, stelt Martien Hoogland. De productiviteit moet er juist omhoog, en dat kan alleen door te moderniseren. 

De Voedselzaak doet een lovenswaardige poging om de stagnatie van de landbouw in Afrika te verklaren, maar na vele tientallen artikelen is een oplossing nog niet in zicht. De Volkskrant besteedt vooral veel aandacht aan allerlei vormen van Groene Revolutielandbouw, zoals grootschalige irrigatie met Chinese pompen in Senegal, biobrandstof in Sierra Leone en GMO-bananen in Uganda.

De beperkingen van deze initiatieven geeft ecologen, antropologen en filosofen zoals Hebinck, Laats, Van der Sterren, Korthals en Erisman de kans om lokale Afrikaanse kennis heilig te verklaren. Tegelijk spreken zij de banvloek uit over modernisering van de Afrikaanse landbouw. Deze geleerden vergeten te vermelden dat de opbrengsten in Afrika vaak een factor tien lager liggen dan in Azië en Europa. Traditioneel kent de Afrikaanse landbouw een lage productiviteit die in de koloniale periode bleef steken door import van goedkoop voedsel. De huidige landbouw is daarom niet in staat om de Afrikaanse bevolking te voeden. Modernisering is een eerste vereiste.

Armzalige hoeveelheden

Afrika kende lang een lage bevolkingsdichtheid, waardoor men kon volstaan met zwerflandbouw. Daarbij werd een stuk land simpelweg platgebrand, waarna de as als mest diende. Deze praktijk had als voordeel dat landbouw weinig tijd vroeg, maar als nadeel dat de opbrengsten laag bleven. Zaad werd overgehouden uit de vorige oogst en veredeling van gewassen kwam nauwelijks van de grond.

Met het kolonialisme zette de stagnatie van de voedselteelt in Afrika in. De export van grondstoffen maakte de import van allerlei westerse producten mogelijk. Zo begonnen Coca-Cola en consorten met de desastreuze verkoop van frisdrank, waardoor de Afrikaanse mango’s, baobabs en tamarindes aan de bomen bleven hangen. Lokale verwerking tot sap kwam hierdoor nauwelijks van de grond, noch de broodnodige veredeling van vruchtbomen. Dat is nodig omdat de lokale fruitteelt weinig productief is: bomen staan her en der verspreid in de natuur en geven per stuk slechts een kleine hoeveelheid fruit. Ter vergelijking: in 1900 stonden in Nederlandse boomgaarden wel 600 bomen per hectare die alleen al per stuk kilo’s fruit gaven.

Nog erger was de import van goedkope palmolie uit Azië, die de lokale teelt van oliehoudend fruit zoals oliepalm en karité frustreerde. Dit is wrang, aangezien de oliepalm een inheems West-Afrikaans gewas is. Nigeria was tot 1965 zelfs wereldmarktleider in palmolie. Azië kent nu opbrengsten van 20 ton fruit per hectare, terwijl de kleine boer in Ghana op drie ton blijft steken. Anno 2018 importeert Afrika miljoenen tonnen aan palmolie.

De veehouderij onderging hetzelfde lot. Door de import van Europese boter en kaas bleef de vraag naar Afrikaanse zuivel achter. Anno 2018 geeft de Afrikaanse koe nog steeds maar een paar honderd liter melk per jaar, terwijl Hollandse koeien al in 1900 een melkgift registreerden van 2.500 liter, wat in 2018 is opgelopen tot ongeveer 8.000 liter.

In Europa wordt al sinds de middeleeuwen graanland geploegd met ploegvee dat op het bedrijf zelf gefokt wordt. Op Afrikaanse graanbedrijven werd de ploeg pas in de jaren vijftig geïntroduceerd, maar met ossen die gefokt waren door nomaden. Deze leverden die os vlak voor het regenseizoen bij de graantelers af. Deze os was dan mager en niet gewend aan het harnas van de ploeg. Na de graanoogst werd deze os weer meegenomen door de nomaden. Grote graanbedrijven gingen wel zelf ossen fokken.

Klimaat en achtergrond

Op nationaal niveau werd de integratie van graanteelt en veehouderij belemmerd door zowel importen van zuivel als van rijst, graan en bier. Zelfs in straatarme landen als Burkina Faso kochten de bierbrouwerijen Amerikaans tarwe en passeerden ze zo de lokale boeren. Daarnaast speelde klimaatverandering een rol. In het begin van de jaren zeventig zorgden droogte en armoede voor een hongersnood in de West-Afrikaanse savanne en de Sahel. Deze droogte werd mede veroorzaakt door de kap van vegetatie – die was uit pure armoede opgestookt in de keukens.

Na de terugkeer van de regens eind jaren zeventig herstelde de graanteelt zich. Desondanks werd de traditionele opbrengst van 1.000 kilo per hectare niet meer bereikt, maar bleef die steken – op sommige locaties zelfs op een armzalige 500 kilo.

Zorgwekkend is dat volgens een studie uit 2014 de hoeveelheid ploegvee op de bedrijven rond Burkina Faso’s hoofdstad Ouagadougou afneemt door een tekort aan veevoer. Dit brengt zowel de mestvoorziening als de capaciteit om het land te ploegen in gevaar. Normaliter behoort de landbouw rond steden juist te floreren door de grote afzetmarkt.

Tegen deze achtergrond is het pleidooi van de heren voor traditionele kennis moeilijk te begrijpen. De enige logische conclusie is dat landbouw in Afrika haar productiviteit moet verhogen. Dit is alleen mogelijk door de verslaving aan importen te verminderen, de vegetatie te herstellen en eindelijk te beginnen met de veredeling van inheemse Afrikaanse bomen zoals de baobab, de trots van Afrika. Nu wordt het sap van baobab en tamarinde in Ouagadougou verkocht door enkele straatverkoopsters, terwijl op de achtergrond de reclameborden van Coca-Cola en Heineken prijken. Het wordt de hoogste tijd dat die verkoopsters heel Burkina Faso van fruitsap voorzien.

Martien Hoogland is publicist. In het verleden werkte hij voor Both Ends, een organisatie die zich specialiseert in duurzaamheid en sociale gelijkheid in ontwikkelingslanden.