Waar blijft de Afrikaanse landbouwrevolutie?

Door:  Carlijne Vos  

Foto's: Studio V  

Waarom is het Azië de afgelopen dertig jaar wel gelukt om zichzelf te voeden, en Afrika niet? En welke lessen kunnen we daaruit trekken voor de komende dertig jaar? Vijf redenen waarom het in Afrika maar niet wil lukken met de landbouw. 

Aziatische ‘groeitijgers’ zoals India, China, Vietnam en Indonesië hebben de wereld de afgelopen drie decennia versteld doen staan. Terwijl daar het gemiddelde inkomen omhoogschoot en de armoede en honger spectaculair daalden, is Afrika praktisch blijven stilstaan. Van een exporterend continent onder de koloniale bezetters, werd het vanaf 1980 steeds afhankelijker van import en nam de voedselonzekerheid toe door bevolkingsgroei, desinvesteringen en klimaatverandering.

Wat is er misgegaan?

Waarom beleefde Afrika geen agrarische of ‘groene’ landbouwrevolutie, zoals Azië en Latijns-Amerika? Die vraag houdt menigeen bezig, nu de wereld voor de uitdaging staat in 2050 naar verwachting 10 miljard mensen te moeten voeden. De grootste bevolkingsexplosie wordt verwacht in Afrika, dat dan ruim 2 miljard inwoners zal tellen, een verdubbeling ten opzichte van nu. Op dit moment lijden bijna 800 miljoen mensen in de wereld honger, gemiddeld een op de negen inwoners. In de Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara is maar liefst een kwart van de bevolking chronisch ondervoed. En dat aantal neemt toe omdat de voedselproductie de bevolkingsgroei niet kan bijbenen.

‘Hoe kan het dat Afrika, een continent dat zo rijk is aan vruchtbaar land, water en zonlicht, jaarlijks voor 35 miljard dollar aan voedsel moet importeren?’ Dat schreef Akinwumi Adesina (lees hier een profiel van hem) in 2015 bij zijn benoeming tot president van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (AFD). Volgens de voormalige ­minister van Landbouw van Nigeria móét Afrika zichzelf kunnen voeden in 2050. Zonder ingrijpen zal Afrika vanwege de verwachte bevolkingsgroei in 2030 voor 110 miljard dollar per jaar aan voedsel moeten importeren. Voedsel dat Afrika nu dus echt zelf moet gaan produceren.

Vijf redenen waarom het in Afrika maar niet wil lukken en in Azië wel

1. Neoliberaal beleid zette Afrika decennia op achterstand

In de jaren tachtig van de ­vorige eeuw staken Afrikaanse landen zich massaal in de schulden bij de Wereldbank en het IMF. Bij die financiële instellingen overheerste toen de neoliberale gedachte dat investeren in landbouw niet nodig was; import van voedsel was goedkoper, het continent zou zijn geld kunnen verdienen in de private sector met de export van hoogwaardige industriële producten. ‘Men dacht dat je ook direct de sprong naar industrialisatie en een dienstensector kon maken zonder eerst een agrarische revolutie te beleven’, zegt de Nederlandse landbouwexpert Rudy Rabbinge. Dat is een ‘grote inschattingsfout’ gebleken, die Afrika volgens deskundigen decennia op achterstand heeft gezet. ‘Geen enkel land in de wereld heeft zich ontwikkeld zonder dat daaraan een landbouwrevolutie is voorafgegaan’, zegt Rabbinge. ‘Er zijn maar twee ­gevallen waar dat niet is gebeurd. In Singapore en in Hongkong; beide staten zonder platteland. Economen waren destijds verblind door het idee van markten, ook als die er niet waren, en de overheid moest vooral niets doen. Men wilde niet onder ogen zien dat lokale markten ­kapot werden geconcurreerd door goedkoop voedsel uit het Westen.’

De inmiddels gepensioneerde Rabbinge was als universiteitshoogleraar duurzame ontwikkeling en voedselzekerheid aan de Wageningen Universiteit betrokken bij tal van denktanks en adviescommissies om de Afrikaanse landbouwsector op een hoger niveau te tillen. In 2004 maakte hij op verzoek van toenmalig VN-secretaris-generaal Kofi Annan de studie Realizing the promise and potential of African agriculture, die ten grondslag lag aan Agra (Alliance for a Green Revolution in Africa). Deze organisatie geldt nu als hoeksteen van het huidige Afrikaanse landbouwbeleid en wordt wereldwijd voor miljarden dollars gesteund.

Prijsondersteuning voor landbouwproducten? Wij hadden daar geen geld voor, terwijl de landen in Zuidoost-Azië ruime fondsen kregen

2. Landbouw was geen populaire investering

Afrikaanse leiders zagen in de jaren tachtig en negentig ook niet veel in landbouw. Dat was iets voor de arme stakkers op het platteland, de toekomst lag in de steden. Als gevolg was er weinig animo om te investeren in irrigatie, technologie, betere zaden en mest of de toegang tot markten. Bovendien is landbouw in Afrika vooral een zaak voor vrouwen, zij produceren voedsel voor het gezin op kleine stukjes land. Mochten de vrouwen meer willen verbouwen om ook wat voedsel te kunnen verkopen, dan lopen ze tegen talloze juridische en financiële belemmeringen aan. Vanwege de vaak nog heersende traditionele tribale machtssystemen hebben vrouwen in Afrika dikwijls geen eigendomspapieren, waardoor ze zelden toegang krijgen tot ­leningen voor betere zaden of landbouwmachines. Dit vormt een ernstige belemmering voor de ontwikkeling van meer productieve landbouw.

Investeringen in landbouw werden bovendien moeilijker gemaakt door de bezuinigingsdiscipline die financiële instituties de Afrikaanse landen oplegden. In ruil voor ­torenhoge leningen werden ambtenaren en instituties wegbezuinigd, de kwaliteit van onderwijs en zorg holde achteruit. ‘Landbouwkundig onderzoek? Er was nergens meer geld voor. We moesten in het hele land voorlichters ontslaan. Prijsondersteuning voor landbouwproducten? Wij hadden daar geen geld voor, terwijl de landen in Zuidoost-Azië ruime fondsen kregen van de internationale gemeenschap.’ Zo werd AFD-bankpresident Adesina, destijds minister van Landbouw in Nigeria, geciteerd in de publicatie Een kwestie van goed boeren; economische ontwikkeling in Afrika en Zuidoost-Azië vergeleken van het Afrika-Studiecentrum (ASC) in Leiden.

3. Geen oog voor technologische vernieuwing

In 1980 was de bevolking in Azië nog armer dan in Afrika, nu is ze twee keer zo welvarend. Rond de jaren tachtig begonnen de Aziatische landen gemiddeld 10 procent van het nationale inkomen te investeren in hun landbouwsector met een duidelijk doel voor ogen: de productiviteit te verbeteren. In tegenstelling tot Afrika traden regeringen juist sturend op, ze investeerden in de verbetering van irrigatiesystemen, wegen, landbouwtechnieken en gesubsidieerde ­zaden en mest. Op sommige plaatsen verdubbelde de opbrengst per hectare bijna elk decennium. Indonesië was in de jaren zestig bijvoorbeeld de grootste rijstimporteur ter wereld, in 1984 was het zelfvoorzienend, zo blijkt uit de studie van het Afrika-Studiecentrum.

Azië had lessen getrokken uit de landbouwrevoluties die Europa en de Verenigde Staten hadden doorgemaakt. Nederland begon eind 19de eeuw al met het versterken van de eigen landbouwsector als antwoord op de concurrentie uit de ‘Nieuwe Wereld’. Het investeerde in kennisontwikkeling van bijvoorbeeld zaadveredeling, organiseerde ruilverkaveling en creëerde sterkere marktposities door samen te werken in coöperaties. De Indiase landbouwdeskundige Monkombu Swaminathan, die in Wageningen had gestudeerd, was een van de grondleggers van de groene revolutie in Azië.

Hij werkte samen met de ‘vader’ van de landbouwrevolutie, de Amerikaanse landbouwdeskundige Norman Borlaug. Die ontving in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede omdat hij met zijn visie op landbouw gezien werd als ‘de man die de wereld van de honger redde’. In de jaren zestig ontwikkelde hij nieuwe tarwerassen die beter waren opgewassen tegen ziekten en een grotere opbrengst hadden. Het legde de basis voor de Amerikaanse commerciële landbouwontwikkeling. Zijn model introduceerde hij vervolgens in ontwikkelingslanden in Zuid-Amerika en Azië, die hun opbrengsten soms wel zagen verviervoudigen.

In Afrika is deze revolutie nooit omarmd noch mogelijk gemaakt. Gemiddeld besteedden Afrikaanse landen een half tot 1 procent van het bnp aan landbouw, tien tot twintig keer zo weinig als Aziatische landen. ‘Zolang je de productiviteit per hectare niet omhoog krijgt, kan er geen sprake van vooruitgang zijn’, zegt landbouw­expert Rabbinge, die ter vergelijking wat cijfers uit de succesvolle Nederlandse landbouwgeschiedenis noemt. ‘In de Middeleeuwen produceerden boeren gemiddeld 800 kilo tarwe per hectare tegen ongeveer 600 uur arbeid, in 1900 was dat 1.900 kilo tegen 300 uur arbeid. In 2000 produceerde Nederland 9.000 kilo per ­hectare – ruim tien keer zoveel – met slechts een minimale inspanning van 8 à 15 uur dankzij de mechani­satie. Nu is Nederland de tweede agrarische exporteur ter wereld. Afrika kan lessen trekken uit deze geschiedenis.’

4. Afrika gaat gebukt onder koloniale erfenis

De kolonisatie heeft in­grijpende sporen getrokken over de continenten. Toch wist Azië zich na de onafhankelijkheid wél te herstellen en Afrika niet. Er zijn talloze redenen die deze verschillen verklaren. Een daarvan is de duur van de kolonisatieperiode. Afrika werd veel later gekoloniseerd en ook veel later on­afhankelijk. Pas in de jaren zestig kwamen de eerste onafhankelijkheidsbewegingen op gang, Zimbabwe bevrijdde zich pas in 1980 volledig van de Britten. In veel landen spelen nog steeds conflicten over landsgrenzen die door de Europese bezetters zijn getrokken. Veel etnische groepen die door de Europeanen ­tegen elkaar werden uitgespeeld voor commerciële en politieke doeleinden, staan nog steeds lijnrecht tegenover elkaar.

Langdurige oorlogen en slecht of corrupt leiderschap hebben de opbouw in de weg gestaan. Afrikaanse instituties en bestuur zijn over het algemeen zwak gebleven, hetgeen overigens ook deels is te verklaren vanuit de koloniale erfenis.

Zo maakten de Britten en Nederlanders meer gebruik van bestaande instituties en lokale machtsstructuren, terwijl de Fransen en Belgen ze eerder vernielden. Zo hield Azië wegen, bruggen, scholen,ziekenhuizen en rechtbanken over aan eeuwenlange overheersing. Afrika bleef achter met nagenoeg met lege handen en vernielde lokale machtsstructuren. Landbouwexpert Rabbinge spreekt desgevraagd van ‘een gebrek aan verlicht eigen­belang’ bij vooral de Fransen, Belgen en Portugezen, die nauwelijks investeerden in duurzame ontwikkeling of overdracht van bestuurlijke en technische kennis op de lokale bevolking.

5. Vicieuze cirkels zijn moeilijk te doorbreken

Oorlogen, dictaturen of anderszins fragiele situaties trekken geen investeerders. Zonder economische inves­teringen komen er geen nieuwe banen en blijven armoede en honger overheersen. Economische uitzichtloosheid en achterstelling zijn vaak een bron voor interne conflicten en een voedingsbodem voor radicalisering. Zeker op een continent met talloze etnische groepen die nog steeds de machtsverhoudingen bepalen. Deze ­vicieuze cirkel heeft de ontwikkeling in veel landen stilgelegd en doet dat nog steeds. Zo wordt zelfs het stabiele ­Kenia weer bedreigd door ­tribaal bepaalde politieke tweestrijd.

De Afrikaanse landbouw is kleinschalig en zeer gefragmenteerd. Bijna driekwart van de basisvoeding in de ­wereld komt van rijst, graan en tarwe – de grootste commerciële agrarische gewassen waarvoor steeds nieuwe en klimaatbestendiger rassen worden ontwikkeld. In Afrika worden vooral ook tal van knolgewassen zoals cassave, wortels of zoete aardappels verbouwd op kleine akkers, en dan voornamelijk voor ­eigen gebruik. De bodemvruchtbaarheid is door gebrek aan – kunstmatige – voedingsstoffen vaak uitgeput, waardoor de opbrengst per hectare eerder afneemt dan groeit. De zaden van deze gewassen worden niet of nauwelijks ontwikkeld of verbeterd. Afrikaanse bodems zijn bovendien van oorsprong ­‘armer’ dan Aziatische.

Pas sinds het begin van de 21ste eeuw is sprake van een ommekeer en ziet men in Afrika het nut in van agrarische investeringen. Bij de oprichting van de Afrikaanse Unie in 2003 spraken de landen af voortaan 10 procent van het nationale inkomen aan landbouw te besteden.

Door de wereldwijde voedselcrisis in 2008 drong echt het besef door hoe riskant het is om afhankelijk te zijn van geïmporteerd voedsel en begonnen landen werk te maken van die belofte. Sindsdien maken ­landen als Nigeria, Rwanda, Ethiopië en bijvoorbeeld ­Senegal en Ghana een hoopgevende agrarische ontwikkeling door.

Hoewel nog weinig landen die 10 procent halen, is Afrika echt bezig met een inhaalslag, vindt Ton Dietz, voormalig ­directeur van het Afrika-Studiecentrum en hoogleraar aan de Universiteit Leiden. ‘De laatste vijftien jaar stijgt de landbouwproductie aanzienlijk.’ Dietz wijst bovendien op de potentie van miljoenensteden voor de Afrikaanse landbouw. ‘In Azië ontstond de trek naar de ­steden veel eerder. De vraag naar voedsel vanuit die steden gaf de landbouw in de ­nabije omgeving een enorme boost. Dat zie je nu ook in Afrika gebeuren.’

Volgens de Afrikaanse ­Ontwikkelingsbank is de ­komende tien jaar 315- tot 400 miljard dollar nodig om de verwaarloosde landbouwsector uit het slop te trekken. De bank zelf heeft hiervoor 24 miljard ter beschikking ­gesteld, maar ook China, de Europese Unie, de VN, andere donoren en filantropische instellingen pompen miljarden in Afrika om alsnog een landbouwrevolutie teweeg te brengen.