In Senegal is het eigen rijst eerst

Door:  Carlijne Vos  

Waarom voedsel importeren, als je het ook in eigen land kunt verbouwen? De regering van Senegal spoort boeren en importeurs aan om Azië links te laten liggen en rijst binnen de eigen landsgrenzen te verbouwen. En met succes. 

‘Rhaah, rhaah’, klinkt het plotseling langs de verlaten rijstvelden. Een man slaat op een emmer, roept en wappert met een plastic vlag om de vogels te verjagen. Over twee weken kan het ­water weglopen om de grasgroene ­velden te laten drogen voor de oogst. Zwermen vogels vormen nu nog de enige bedreiging voor de veelbelovende opbrengst.

Boer Mohamed Saloum Diop (42) plukt een paar stengels uit het volle groene veld en laat de rijstkorrels tevreden door zijn vingers glijden. ‘Topkwaliteit’, glundert hij. ‘Hier oogst ik 10 à 12 ton per hectare, vroeger op mijn oude rijstvelden was dat de helft.’ Diop is een van de gelukkigen die werd in­geloot voor een kavel van 10 hectare in een nieuwe uitgifte van 25 duizend hectare landbouwgrond door de overheid met als doel de rijstproductie in Senegal op te krikken.

Een billboard onderweg naar de 'Rijstvallei' nabij Saint Louis om Afrikaanse rijst te verbouwen.

Senegal wil niet langer afhankelijk zijn van de import uit Azië voor zijn rijstconsumptie en de vorige president Abdoulaye Wade beloofde de bevolking in 2017 volledig zelfvoorzienend te zijn. Die doelstelling bleek iets te ambitieus, de huidige president Macky Sall zet in op 2020. Dat lijkt nog steeds ambitieus, gezien het feit dat de helft van de rijst in Senegal uit Azië komt. ‘Maar het kan lukken’, zegt Mamadou Demba Sall, coördinator bij het landbouwinstituut SAED, dat de landbouw in Senegal op een hoger plan moet tillen. ‘De investeringen in irrigatie en technologie zijn gedaan, nu moeten de boeren hun werk doen.’

Op het perceel ‘3P.R.D’ in de ‘rijstvallei’ bij Saint-Louis in het droge noorden van Senegal, waar boer Diop zijn kaveltje heeft, is het resultaat van de investeringen te zien. Vanaf een zijarm van de Senegal-rivier zijn kilometerslange irrigatiekanalen uitgegraven, die de tientallen landbouwkavels bewateren. Moderne, elektrisch bediende waterpompen regelen naar ieders wens de waterspiegel. Nieuw is dat boeren moeten ­betalen voor die voorzieningen. ‘Die medeverantwoordelijkheid maakt de boeren meer betrokken en dus productiever’, vertelt de lokale opzichter van SAED terwijl hij zijn jeep langs groene en dorre – reeds geoogste – kavels aan weerszijden van de irrigatiekanalen stuurt.

Door de voedselcrisis in 2008 besefte Senegal hoe risicovol het is om afhankelijk te zijn van anderen voor de eerste ­levensbehoeften. ‘Er kwam in die periode bijna geen schip meer de haven van Dakar binnen, Vietnam hield alle rijst achter om de eigen bevolking te voeden’, vertelt Sall in zijn kamertje op het hoofdkantoor van SAED in Saint-Louis. ‘Zelfs al had je geld om de astronomische prijzen uit die tijd te betalen, er was geen korrel rijst in de winkels te vinden.’

Sall – in smetteloos witte djellaba met bijpassend gehaakt gebedsmutsje – maakt met lichte tegenzin tijd voor zijn bezoekers en stuurt de medewerker met wie hij belangrijke statistieken zat door te nemen de kamer uit. Het probleem in Senegal was lange tijd de kleinschaligheid van de landbouw, vertelt hij. ‘Families produceerden alleen voor eigen ­gebruik op akkertjes van 1 of 2 hectare. Daarop kun je geen commerciële landbouw bedrijven. De eerste bedrijven van enige omvang waren buitenlands, zoals die van Hollandse tulpenkwekers of tuinders. Nu stimuleren we lokale boeren om grotere landerijen te bewerken.’

Senegal investeerde jaarlijks bijna een half miljard euro met hulp van onder meer de Wereldbank, de Europese Unie en de Franse ontwikkelingsbank AFD om in zijn eigen voedsel te kunnen voorzien. Het vormt daarmee een voorbeeld voor de regio. Vrijwel alle Afrikaanse landen worstelen met de vraag hoe zij hun bevolking moeten voeden, die naar verwachting in 2050 in aantal is verdubbeld. Tel daar de effecten van klimaatverandering bij op en de scenario’s zijn inktzwart.

Althans, als er niet iets fundamenteel verandert. Afrikanen voeden zich nog hoofdzakelijk door middel van kleine, zelfvoorzienende akkers, waar ze één keer per jaar rond de regentijd kunnen oogsten. Commerciële landbouw staat door het gebrek aan grootschalige investeringen in irrigatie en infrastructuur nog in de kinderschoenen.

Nieuwe fabriek

Dat het ook anders kan, bewijst Ross Béthio, een dorpje 50 kilometer ten noorden van Saint-Louis, de fraaie kuststad die diende als hoofdstad voor de voormalige koloniale bezetter Frankrijk. Nu, in het hoogseizoen van de rijstoogst, bruist het dorpje van de bedrijvigheid. De magazijnen van de rijstverwerkingsfabriek puilen uit, grote felgele landbouwmachines rijden af en aan naar de oogstvelden, volgeladen vrachtwagens naar de handelaren in de hoofdstad Dakar. Ezelkarren vol rijstzakken hobbelen op een drafje naar de lokale winkeltjes op de markt, vrouwen doen goede zaken met het bereiden van maaltijden voor alle werklieden.

In de splinternieuwe rijstverwerkingsfabriek van Abda Fall draaien de machines op volle toeren, het stof van de verwijderde rijstvliezen hangt zwaar over het fabrieksterrein, waar dagloners loodzware rijstzakken van 80 kilo vanuit de volgestouwde depots in vrachtwagens tillen. Fall rook twee jaar geleden zijn kans, toen de overheid de rijstambities serieus bleek te willen voortzetten. ‘Dit is het moment om toe te slaan’, vertelt hij, terwijl hij met twee verschillende mobiele telefoons zijn zaken afhandelt en ondertussen orders naar de fabrieksopzichters en landbouwmachinisten schreeuwt.

Met een lening van omgerekend 90 duizend euro schafte Fall vorig jaar de Chinese machines aan, nu al kan hij het aanbod bijna niet bijbenen. Vrijwel alle boeren uit de regio komen bij hem, zijn klantenkring heeft hij in de afgelopen vijftien jaar opgebouwd met de verhuur van moderne landbouwmachines. De boeren betalen hem vaak in natura (14 procent van de opbrengst), de rijst verkoopt hij door aan handelaren. Steeds vaker zijn ze van Aziatische afkomst. Uit China, Vietnam of India. Fall weet het niet. ‘Ze lijken allemaal op elkaar, ik kan ze niet uit elkaar houden.’

De Aziatische opkopers in Saint-Louis zijn het resultaat van de nieuwe importbeperkingen die Senegal heeft opgelegd. Voor elke ton rijst die geïmporteerd wordt, moet minstens 40 procent lokaal worden bijgekocht. Zo hoopt de overheid de importeurs – die vooral uit Azië en Libanon komen – te bewegen zich ook op de lokale distributiemarkt te storten en het overheids­beleid niet te saboteren met illegale ­import. Dat lijkt te werken.

Iedereen profiteert van het nieuwe Senegalese rijstbeleid, ook de armste vrouwen die achter Falls fabriek het rijstafval verzamelen. Er zitten voldoende goede korrels tussen om te gebruiken of soms zelfs te verkopen. Het is haar enige inkomen, vertelt een magere, goedlachse vrouw. Ze lijdt aan diabetes en is verlaten door haar man, hier op de vuilnisbelt treft ze lotgenoten. Een demente oude vrouw zonder tanden heeft het hoogste woord, de anderen lachen liefdevol om haar terwijl ze hun zeven hoog in de wind houden om de rijst te drogen en sorteren.

Liever lokaal

Op de grootste voedseldistributiemarkt in de hoofdstad Dakar liggen de zakken rijst, uien en aardappelen hoog opgestapeld. De rijst komt uit Thailand en India, maar ook uit de rijstvallei van Saint-Louis. ‘Steeds meer zelfs’, zegt handelaar Khadim Ndiaye. ‘Mijn klanten willen die goedkope rijst uit Azië niet meer. Hij ligt zwaar op de maag, mensen krijgen er buikpijn van. Bovendien is het goed voor de werkgelegenheid om lokaal rijst te verbouwen en te verhandelen. Ik heb alleen al drie vrachtwagens en dertig mensen in dienst voor de lokale markt.’

Ndiaye steunt het beleidsvoornemen van de overheid van harte. ‘We moeten eerst eten wat we zelf maken voordat we het van ver halen’, beaamt een klant tussen de opgestapelde zakken en blikken in de marktkraam die als kantoor dient. Toch gelooft Ndiaye niet dat het haalbaar is helemaal zelfvoorzienend te worden, en ook niet erg realistisch. Hij wijst om zich heen. ‘Mijn business draait hoofdzakelijk om import, en dan vooral uien en aardappelen uit Nederland. Zodra de Nederlandse uien op de markt komen, koopt niemand meer een lokale ui. De Hollandse uien zijn gewoon veel beter.’

Nederland is wereldmarktleider in uienproductie en Senegal is met 180 duizend ton de grootste afnemer. Hoewel Senegal zelf uien produceert, kan het land niet op tegen de Nederlandse kwaliteit. Vanwege zijn ligging bij de evenaar is het klimaat voor uien in Senegal niet ideaal: in de zomer is het te heet, in de winter is de dag te kort om de uien optimaal te laten groeien. Om toch de lokale productie te beschermen, geldt een importverbod van zeven maanden in het seizoen dat Senegal zelf uien produceert. Zodra de grens opengaat, worden de Hollandse uien in bulk de haven van Dakar ingevoerd.

Ndiaye heeft net een vracht uien opgehaald uit de haven. Nu tillen mannen de oranje zakken in vrachtwagens om elders in Senegal te verkopen. In de kraam ernaast is ruzie uitgebroken. Werkmannen hebben genoeg van het geschreeuw van de eigenaar met zijn twee goudkleurige iPhones en lopen weg van de lading die ze moeten verplaatsen. Ondertussen stappen klanten onverstoorbaar over de bergen plastic en stinkend voedselafval op de modderige weg tussen de marktkramen. Honden en katten zoeken er naar eetbare resten, die af en toe door zwermen vliegen aan het oog worden onttrokken.

De aanwezigheid van buitenlandse voedselbedrijven wordt in Senegal niet als een probleem gezien. Importeurs brengen veel geld in het laatje bij de douane. Tuinders zoals het Hollandse Van Oers United, dat in Senegal vooral sperziebonen voor Nederlandse supermarkten verbouwt, bieden werkgelegenheid en dragen zo bij aan lokale economische ontwikkeling. Bovendien helpen ze lokale boeren met hun expertise om betere gewassen te verbouwen.

Zo wil de Nederlandse uienhandelaar Beemsterboer de kwaliteit van ­lokale uien verbeteren om ook op de ­lokale distributiemarkt een graantje te kunnen meepikken. Wat goed is voor Beemsterboer als afnemer, is ook goed voor de boeren, die hierdoor hun inkomsten kunnen verbeteren. Tussen de sperziebonenseizoenen door verbouwt ook Van Oers nu voedsel voor de lokale markt, vooral uien. Hierdoor hebben de boeren het jaar rond werk en krijgt de hele omgeving een economische boost. ‘Een win-winsituatie’, zo noemen de bedrijven hun sociale investeringen. ‘Zonder een goede relatie met de lokale bevolking kunnen wij niet commercieel rendabel werken’, ­aldus de directie van Van Oers.

Ondertussen profiteren de boeren in de rijstvallei bij Saint Louis wel degelijk van de investeringen in waterinfrastructuur. Zo oogst boer Maguette Fall nu zijn tweede oogst dit jaar dankzij de waterpomp die hem op het irrigatiekanaal aansluit. Van de ‘corrupte mannen van’ SAED kreeg hij niets dus hij heeft de investering zelf gedaan om niet langer afhankelijk te zijn van de regen. Van de rijstfabriek huurde hij twee oogstmachines die vandaag in sneltempo door zijn twintig hectare gepachte land razen. Op een dekzeil wordt de eerste lading uitgespuugd. Fall rent er naar toe om de kwaliteit te testen. Tevreden kijkt hij toe hoe zijn werkmannen de rijst in grote zakken scheppen. ‘Volgend jaar kan ik misschien meer mest veroorloven en is de kwaliteit nóg beter’, zegt hij tevreden.

‘Zolang we ervoor zorgen dat onze ­eigen bevolking eerst wordt gevoed, mogen buitenlandse bedrijven exporteren wat ze willen’, vindt Sall van landbouwinstituut SAED. Dat zal als muziek in de oren klinken voor de Nederlandse ambassade in Dakar, die onlangs fors heeft geïnvesteerd in de haven van ­Ziguinchor, in het zuiden van Senegal. Nederlandse baggeraars hebben de ­haven en de Casamance-rivier verdiept om de export van producten als mango’s en cashewnoten te bespoedigen. Met de opbrengst daarvan kan ­Senegal genoeg andere voedingsmid­delen inkopen, is de redenering.

De tropische regio Casamance, waar alles als vanzelf aan de bomen en uit de vruchtbare grond lijkt te groeien, biedt nog ongekende mogelijkheden voor landbouwontwikkeling. Na de rijstvallei in Saint-Louis is dit het volgende gebied waar de overheid grootschalig investeert in infrastructuur, irrigatie en landbouwkennis. Er is een lange weg te gaan; een decennialange onafhankelijkheidsstrijd heeft het gebied op grote achterstand gezet. Zoals in veel Afrikaanse landen zijn verafgelegen of anderszins achtergestelde gebieden zoals de Casamance lang verwaarloosd door de machthebbers in de hoofdsteden. Vanuit dit gebied vertrekken ook nu nog de meeste migranten naar Europa.

Maar in de rijstvallei bij Saint-Louis worden de vruchten van de overheidsinvesteringen al geplukt. Langs de weg verwijzen borden naar een enorme rijstverwerkingsfabriek in aanbouw, die aan honderden mensen werk belooft. Reclameborden herinneren aan de ambitie ‘Senegal 100 procent zelfvoorzienend in rijst’. Een grote oogstmachine rijdt de weg af naar het afge­legen rijstveld van de jonge boer Maguette Fall. Met een klein kapitaaltje en een lening schafte hij een waterpomp aan, zodat hij kon worden aangesloten op het irrigatiekanaal en niet langer afhankelijk was van het regenseizoen. ‘Van die corrupte mannen van SAED kreeg ik niets’, zegt hij achteloos.

Van onder zijn rode baseballpetje kijkt hij ontspannen toe hoe twee gehuurde oogstmachines over zijn 20 hectare gepachte land razen. Hij heeft er krom voor moeten liggen, maar nu oogst hij zijn tweede oogst van dit jaar. Op een dekzeil wordt de eerste lading uitgespuugd, even later de tweede... en de volgende. Fall rent erheen om de kwaliteit te testen. Trots kijkt hij toe hoe zijn werkmannen de rijst in grote zakken scheppen. ‘Volgend jaar kan ik me misschien betere mest veroorloven en is de kwaliteit nóg beter’, zegt hij tevreden.