Na de hongerbuik gaat het in Kenia nu over een nieuw probleem: overgewicht

Door:  Mark Schenkel  

Foto's: Sven Torfinn  

Naast ondergewicht is ook overgewicht tegenwoordig een groot probleem in de krottenwijken in Kenia. Slecht voedsel is er goedkoop, en een dikke buik staat van oudsher voor welvaart. ‘Rijken kunnen kiezen hoe ze leven: gezond of ongezond. Ik kan dat niet.’

I. Het probleem

Naast het krot van Phaustin Wekesa (57) leegt een putjesschepper de latrines. Vier grijze plastic emmers vol stront staan te broeien in de zon. Binnen, tussen wanden van blauwe golfplaten, toont Wekesa een stapel schooltassen. Ze maakt de tassen van afgedankte spijkerbroeken en verkoopt ze voor een klein bedrag. Wekesa leeft met haar dochter en zeven kleinkinderen in dit hok, met als duurste bezit een kleine televisie die werkt op afgetapte stroom. De antenne buiten is een metershoge houten stok met bovenaan een metalen kleerhanger. ‘We overleven’, zegt Wekesa.

Eén ding heeft ze wel in overvloed: lichaamsgewicht. Wekesa loopt in haar krottenwijk Korogocho in de Keniaanse hoofdstad Nairobi naar een karige kliniek. Op een autokerkhof staan gedeukte wagens zonder wielen, bedekt onder dikke lagen stof. In de bedompte behandelkamer stapt Wekesa in haar groene jurk met zwarte print op een rammelende weegschaal. De naald slaat uit naar 100 kilo. Een tweede poging levert 95 kilo op, een derde 98. Hoe dan ook: met haar 1 meter 72 heeft Wekesa obesitas.

‘Ik heb last van hoge bloeddruk’, verklaart ze. Dat blijkt ook uit een meting. Verpleegkundige Jackline slingert een manchet om Wekesa’s rechterbovenarm, verwijdert het ding even later onder het krakende geluid van klittenband en wijst op waarden van 158 over 103. Wekesa’s hart zwoegt stevig, met 102 slagen per minuut.

Wekesa, met iets dat het midden houdt tussen bewonderenswaardige onverstoorbaarheid en onrustbarende achteloosheid: ‘Ik ga dood, maar ik lach veel, dat is toch gezond. Haha.’

Afrika’s sloppenwijken wegen steeds meer. De onstuitbare mensenstroom naar de stad vertaalt zich in zitvlees. In de krotten leveren mensen minder lichamelijke inspanning dan op de akkers en eten ze minder groente en fruit en meer vet, suiker en koolhydraten. Hart- en vaatziekten worden een probleem in een werelddeel waar ook nog altijd voedseltekorten bestaan.

Afrikaanse regeringen en westerse donoren moeten daarom, naast de bestrijding van bekende infectieziektes, meer prioriteit geven aan de bestrijding van overgewicht en de gevolgen ervan, zegt Dickson Amugsi, onderzoeker bij het African Population and Health Research Center in Nairobi. ‘Afrika zit op een tijdbom van obesitas, op een tijdbom van hart- en vaatziekten.’ Onlangs deed Amugsi onderzoek in dertien Afrikaanse landen en in elf daarvan bleekt onder zeker 20 procent van de explosief groeiende populaties overgewicht te bestaan.

Kenia is een treffend voorbeeld. De Wereldgezondheidsorganisatie acht één op de drie Keniaanse vrouwen tussen 18 en 49 jaar te zwaar. Het Rode Kruis helpt tegelijkertijd 3,4 miljoen hongerende Kenianen. De krant Daily Nation berichtte onlangs over een dikke parlementariër die waarschuwt voor de gevaren van te veel eten. Op dezelfde pagina stond een artikel over meer dan tweehonderd legerrekruten die waren afgekeurd omdat ze letterlijk te licht werden bevonden.

II. De oorzaak

Peter Onyango (45) werkt sinds tien jaar in een medische-hulppost in Korogocho, de wijk van Nairobi waar Phaustin Wekesa leeft. Onyango verklaart waarom volgens hem veel arme stedelingen niet gezonder gaan eten. Ze hebben genoeg geld om niet te verhongeren en groente en fruit zijn best voorhanden. Maar, zo legt Onyango uit: vet voedsel geeft een snel gevoel van vulling. Een grote portie patat hier op straat in Korogocho kost 20 shilling, 15 eurocent. Groente en fruit komen van akkers buiten de stad, de vervoerskosten worden verrekend in de verkoopprijs.

In de sloppen speelt het leven zich sowieso af op straat. Mensen besteden tijd aan het jagen op werk en hebben soms geen tijd of energie – of geld – om uitgebreid te koken. Verstand van (on)gezond eten hebben ze ook lang niet altijd. Hier in Korogocho geen schijf van vijf. Onyango: ‘Moeders geven hun kinderen 10 shilling mee naar school en zeggen: koop onderweg maar patat.’

Aan de witte wanden van Onyango’s kliniek hangen posters die waarschuwen tegen bekende infectieziektes als cholera en polio. Maar er hangt ook een plakkaat met in het Swahili mogelijke signalen van suikerziekte: behoefte om veel te drinken, aandrang tot urineren, duizeligheid – kizunguzungu.

Phaustin Wekesa past in het plaatje. Na haar bloeddrukmeting in de kliniek in Korogocho loopt ze weer naar huis, waar ze gaat zitten op een houten krukje, haar duim en wijsvinger tegen elkaar wrijft en zegt: ‘Rijken hebben genoeg geld om te kiezen hoe ze willen leven: gezond of ongezond. Ik heb dat niet.’

Wekesa zegt dat ze ‘gestrest’ is door de zorg die ze in haar eentje biedt voor haar dochter en zeven kleinkinderen. Haar man Charles stierf in het geweld rond Kenia’s verkiezingen van 2007. ‘Ik sta altijd onder druk om het schoolgeld voor mijn kleinkinderen te regelen’, zegt ze. Koken voor de hele groep komt er niet altijd van.

Verstand van voedsel had Wekesa ook amper voordat ze in 2014 via een gratis test uitvond over haar hoge bloeddruk. Ze verkocht zelf jarenlang op straat patat, met grote scheppen zout, totdat de schroeiende zon haar te veel werd. Wekesa heeft nu thuis een door de kliniek weggegeven bloeddrukmeter, maar ze gebruikt het apparaat niet. ‘Ik heb geen geld voor batterijen’, zegt ze.

Naast een paraffinekacheltje in haar krot vertelt Wekesa wat ze zoal bereidt als ze wél zelf kookt. Ze zegt dat ze probeert om gezonder te leven, maar de praktijk is weerbarstig en het eten eenzijdig. Voor ontbijt is er thee met veel suiker, alsmede chapati’s – zeg maar pannenkoeken. Of mandazi’s – een ander soort tarwemeel in bakolie. Later op de dag is er ugali: maïsmeel met veel koolhydraten, dat in Kenia in enorme hoeveelheden wordt verorberd.

Verderop in de buurt, op een kapperszaakje van glimmende golfplaat, staat een graffiti van een man met een blauw pak en een dikke buik. De boodschap: wie zich hier laat knippen, stelt iets voor – die is een boss. De graffiti illustreert een cultuur met achting voor omvang, wat ook een verklaring vormt voor de zwaarlijvigheid in de krotten, waar mensen leven met aspiraties. Politici en rijke zakenlui heten in Kenia big men: hun buiken vormen de veruiterlijking van hun status. Wie zichzelf verrijkt, ‘eet’ geld, zoals dat heet.

Slank zijn staat voor tekort, voor het onbarmhartige plattelandsbestaan dat de stedelingen ooit ontvluchtten. Aids stond door de vermagering van slachtoffers lang bekend als slim disease.

Peter Onyango, van de medische-hulppost in Korogocho: ‘Wie naar de stad trekt, ambieert ook een stedelijke levensstijl. Niet een banaan of een tomaat als eten, dat is iets van the village.’ Toen in 2011 in Nairobi de eerste Kentucky Fried Chicken opende, stonden er files voor de deur. Zelf heeft Onyango ook best een buik. Desgevraagd zegt hij: ‘Een banaan is ook geen voedsel!’

III. De oplossing

Dikke Kenianen mogen dan vaak als voorbeeld voor armere Kenianen gelden, binnen de elite is een voorzichtige kentering aan de gang. Net als KFC komt cardiofitness overwaaien uit het Westen. En: Kenia ontdekt quinoa.

De winkelketen Healthy U is de laatste jaren gegroeid en heeft nu meer dan twintig filialen. Kenianen kunnen er terecht voor organisch gekweekte wortels, onbespoten granen, glutenvrij ijs. Brenda Kuria (26) studeerde voedingsleer en werkt in haar witte stofjas bij de Healthy U in winkelcentrum Sarit in Nairobi. ‘In deze vestiging komen per dag ongeveer tweehonderd klanten die iets afrekenen’, zegt Kuria naast een kast met boeken als De veganistische bakker en Alles over aloë vera. ‘Er ontstaat in Nairobi ook echt een sapjescultuur.’

In het winkelcentrum met de Healthy U zit ook het soort ‘food court’ dat je veel ziet in Afrika, met zaken zoals Planet Chicken, Chicago the Pizza Place en American Fried Chicken. Kuria krijgt zelf ‘overal’ te horen dat ze wel wat zwaarder mag worden – ‘Je bent zo smal!’ Maar, zegt ze: ‘Ik ben blij met hoe ik eruitzie.’

In het Karura Woud in Nairobi recreëren mensen in modieuze hardloopkleren. Muziekdopjes in de oren. Bidon in de ene hand, smartphone in de andere. Het Karura Woud werd in de jaren negentig van schimmige vastgoedhandelaren gered door Wangari Maathai, de Keniaanse milieubeschermster en Nobelprijswinnares. Op een groen bankje tussen ceder- en eucalyptusbomen rust Wacera Githinji (48) uit in haar zwarte legging en roze stretch-shirt. Naast haar zit Lawrence Kimemia (49) in een grijs trainingspak en witte sportschoenen. Ze willen allebei wat doen aan hun zichtbare extra kilo’s.

Kimemia: ‘Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik voor het laatst bij KFC was. Tegenwoordig loop, zwem en fiets ik. Ik werk elke dag zittend, bij een geldwisselkantoor, dus ik moet zorgen dat ik beweeg. Ik kan besluiten gezonder te leven, mensen in de sloppenwijken hebben vaak geen keuze.’ Lichaamsbeweging als vrijetijdsbesteding is in Afrika een luxe.

Githinji was tot voor kort manager bij DHL. Ze volgt op Facebook de Keniaanse pagina Operation Lose That Pot Belly, met meer dan 30.000 likes. Ze zegt: ‘Ik eet organisch. Mijn dochter van 19 is veganist. Ze studeert psychologie in Engeland, ze is beïnvloed door haar witte vrienden. Mijn zoon studeert kunsten in Berlijn, hij is een gezondheidsfreak. Hij past daar ook goed.’

In de sloppen van Korogocho beweegt Phaustin Wekesa ook wel. Op dinsdagen en woensdagen loopt ze naar verschillende klinieken waar ze medicijnen hoopt te vinden tegen haar hoge bloeddruk. Zulke medicijnen zijn er vaker niet dan wel. Aidsremmers en condooms zijn er wel genoeg: een illustratie van Kenia’s bekendheid met infectieziektes.

De gezondheidszorg moet nog een slag maken, zegt onderzoeker Dickson Amugsi. ‘Afrika moet gaan strijden op twee fronten.’ Preventie van overgewicht kan volgens Amugsi via voorlichting op scholen en door verhoging van belastingen op ongezond voedsel.

Wekesa behelpt zich met zelfhulpgroepen waar zware buurtgenoten elkaar moed inpraten. Rose Wanjiru (67) zit ook in zo’n groep. Wanjiru bakt sinds dertig jaar patat in Korogocho. Negentig kilo per dag. Twee mensen schillen voor haar de aardappelen, tussen het afval op de stoffige straten. Wanjiru schept met een grote vergietlepel een flinke portie patat uit een zwarte wok met kokend hete olie en zegt: ‘Ik probeer zelf geen patat meer te eten, de dokter zegt dat het niet goed voor me is.’

Phaustin Wekesa zegt dat ze soms, als ze het weer even ‘helemaal gehad’ heeft, naar Rose Wanjiru en haar zwarte wok met hete olie komt. ‘Dan koop ik voor 20 shilling patat.’