In Khartoum hangt de hoop van Oost-Afrika aan de vleeshaak

Door:  Carlijne Vos  

Foto's: Sven Torfinn  

De nomaden in Soedan hebben de sleutel in handen om het voedselprobleem op hun continent deels op te lossen. Met hun immense veestapel valt half Oost-Afrika te voeden. Maar eeuwenoude tradities en decennia aan Amerikaanse sancties blokkeren de oplossing.

Tientallen pezige stieren worden in een wolk van zand de kooi in gejaagd. Met stokken drijven de herders vanaf hun galopperende paarden of te voet rennend de bokkende kuddes bijeen. Bij de ingang van het hek telt Issa ­Abdullah de binnenkomende dieren en noteert de aantallen keurig in zijn logboek. Vandaag wordt er voor zo’n 5 miljoen dollar aan koeien verhandeld, schat hij als hij zijn potlood kordaat achter zijn oor steekt.

Van alle kanten duiken de kuddes op, de meesten hebben 30 tot 45 dagen gelopen door de woestijn vanuit de westelijke regio Darfur naar de veemarkt in Omdurman. In dit historische deel van de hoofdstad Khartoum aan de overkant van de Nijl worden twee keer per week de belangrijkste natuurlijke rijkdommen van Soedan verhandeld. Op een marktdag in oktober, op de top van het seizoen, gaan hier zo’n 15 duizend koeien van de hand, vierduizend kamelen en een veelvoud van schapen, veruit het geliefdste vlees in dit islamitische land.

De oude herder Mohamed Djuma heeft twee maanden gedaan over de tocht uit Darfur, vertelt hij als hij met zijn stok zijn koeien een kooi indrijft. Hij doet al zijn leven lang niet anders. ‘Als ik niet loop, voel ik me niet goed en lig ik ’s nachts wakker. Ik moet dit blijven doen voor mijn gezondheid’, lacht hij en gebaart naar zijn fragiele maar fitte lichaam in een rafelige vergeelde tuniek. Djuma arriveerde twee maanden geleden met honderd koeien waarvan nu de helft is verkocht. Onder een rieten afdakje heeft hij zijn bivak gemaakt in de brandende zon. Zijn ezeltje, dat onderweg de voedingssupplementen voor de koeien droeg, drinkt onder de schaduw van een boom uit een trog.

Tussen de duizenden koeien in de kooi hebben zich inmiddels de handelaren in hun spierwitte djellaba’s en bijpassende tulbanden gemengd. Mohamed Ibrahim heeft zojuist vijftig koeien gekocht. ‘Ik mest ze nog twee maanden vet en dan verkoop ik ze weer’, zegt hij als hij goedgeluimd met twee vrienden naar buiten loopt. Op een stoepje zit een dikke handelaar nog te rekenen. Iedereen kent de norse Mohamed. Wekelijks koopt hij driehonderd koeien die hij laat slachten voor de lokale markt. ‘Ik heb wat opties lopen maar ik wacht nog tot de prijzen zakken’, bromt hij vanonder een imposante snor.

Op een marktdag in oktober gaan op de markt zo’n 15 duizend koeien van de hand.

Soedan telt zo’n 130 miljoen dieren, ruim vier keer zoveel als inwoners. Maar die rijkdom is vooral in handen van veehoudende nomaden die traditioneel hun status laten afmeten aan het aantal dieren dat ze bezitten. Alleen kamelen worden van oudsher in karavaan door de woestijn gelopen langs de beroemde veertigdagenroute naar Egypte. Pas sinds commerciële handelaren de markt hebben ontdekt nemen nomaden met enige tegenzin afstand van hun ‘wandelende portemonnees’.

De vee-industrie is goed voor bijna de helft van het nationaal inkomen van Soedan. De dieren staan bekend om hun topkwaliteit; ze groeien volledig diervriendelijk en biologisch op in de woestijn. Ze zijn bovendien ­hittebestendig waardoor ze zelf naar de markt kunnen lopen, hetgeen een hoop transportkosten scheelt. Het leeuwendeel gaat levend op transport naar Egypte, Saoedi-Arabië of de Golfstaten. Bij Etegahat Group, met een omzet van 1 miljard dollar het grootste exportbedrijf van Soedan, worden deze woensdag veertig vrachtwagens vol geladen met loeiende koeien.

In Egypte worden de dieren doorverkocht of naar het slachthuis gebracht. Maar eerst worden de koeien op de moderne boerderij van Etegahat bij Khartoum vet gemest. Op hun tocht vanuit de woestijn hebben de dieren gemiddeld zo’n 30 kilo verloren. Met het ideale gewicht van 400 kilo leveren een stier zo’n 950 dollar op. Veearts Mubarak el Toum kijkt met een mondkapje op goedkeurend toe hoe de dieren met stokken de glibberige loopplank van de vrachtwagen in worden geslagen. Een klap op de hoorns doet de koeien af en toe zichtbaar duizelen. De mishandelingen deren hem niet. ‘Dit is puur biologisch vlees dat aan alle kwaliteitsvoorwaarden voldoet’, zegt hij enthousiast. ‘Ooit hopen we ook aan de Europese standaarden te kunnen voldoen om onze biefstukjes te exporteren.’

De schaduw van Osama

De export van levende dieren naar Egypte en de Golf wordt in Soedan met lede ogen bezien. Soedan verkwanselt zijn natuurlijke rijkdommen hiermee, zo is de heersende mening. Een koe ­levert immers het dubbele op wanneer ook de inkomsten van de slacht en de verwerking en verkoop van de huid, hoorns, botten (calcium) en bloed (mest) in Soedan kunnen blijven. Maar moderne slachthuizen of koelwagens om vlees of leer goed gekoeld te transporteren zijn er nog niet in Soedan, een omissie die alom wordt geweten aan de Amerikaanse sancties die twintig jaar geleden werden opgelegd vanwege mogelijke steun aan terrorisme – Osama bin Laden verbleef lange tijd in Soedan nog voordat hij de aanslag op het WTC in New York beraamde.

‘Je kunt eenvoudigweg niet de ­machines of onderdelen importeren die nodig zijn om moderne bedrijven op te zetten’, vertelt Mona Elzain Mostafa, directeur van de Animal Resources Bank die namens de overheid ­leningen verstrekt om de veelbelovende Soedanese veesector te stimuleren. De bank komt jaarlijks 376 miljoen dollar tekort om aan de vraag te voldoen, buitenlandse investeerders blijven weg zolang Soedan op de lijst van sponsorstaten van terrorisme blijft staan. ‘We moeten de export van levende dieren dus wel blijven toestaan zolang we niet de middelen hebben om onze eigen verwerkingsindustrie op poten te zetten’, zegt Elzain Mostafa.

De sancties hebben vooral goed uitgepakt voor Saoedi-Arabië en Egypte en corruptie in de hand gewerkt. ‘Alleen de elite met goede contacten heeft geprofiteerd omdat zij de sancties konden omzeilen’, aldus een gefrustreerde handelaar die zelf huiden naar Egypte smokkelt om vanuit daar te verkopen.

Rond de veemarkt van Omdurman liggen talloze kadavers van dieren die de lange tocht uit de woestijn niet hebben overleefd. Op het marktterrein dat bestemd is voor kamelen wordt een vrachtwagen uitgeladen. De magere dieren strompelen naar buiten, waar ze met een voorpoot vastgebonden, op ‘slot’ worden gezet. Tevreden loopt Ali – handen op de rug – tussen zijn dieren rond. De dieren zien er gezond uit, langs de dertig­dagenroute uit Darfur was voldoende voedsel. Ali’s smetteloos witte djellabah en witte tulband steken licht af tegen de met zand bestoven en gescheurde kleren van de herders. Zelf is hij net met zijn Toyota uit Darfur ­komen rijden waar hij meer dan honderdduizend kamelen heeft. Wekelijks laat hij een kudde van 4.500 overkomen om hier op de markt te verkopen.

Ali begon tien jaar geleden met zijn broer met twee kamelen en is nu een van de belangrijkste spelers in Darfur. Buiten zijn eigen kudde koopt hij in de regio ook kleinere kuddes op om ze te verhandelen in Khartoum. Hij is een geslaagd man, vindt hij zelf. ‘Hamdullah’ – goddank - lacht hij. ‘Heeft Nederland misschien interesse?’ Hij zou graag meer exporteren.

Soedan heeft de potentie half Afrika te voeden, zo wordt gezegd, maar verkeert in de zwaarste economische crisis sinds de onafhankelijkheid van de Britten in 1956. In de vruchtbare Nijlvallei groeit alles, maar landbouw is altijd verwaarloosd door de regering van president Omar al-Bashir. Zijn islamitische regering die in 1989 werd geïnstalleerd, vertrouwde lang op ­financiële steun uit Saoedi-Arabië en de olie-inkomsten. Met de onafhankelijkheid van Zuid-Soedan in 2011 en de daarop volgende burgeroorlog in het buurland verloor Soedan deze olie-inkomsten en nu is het land praktisch failliet. Salarissen worden niet betaald, de prijzen voor voedsel en brandstof zijn torenhoog en de Soedanese pond is ingestort. De voort­durende conflicten in Darfur en aan de grens, president Bashirs onvoorspelbare diplomatieke beleid en zijn corrupte en repressieve regime maken van Soedan bepaald geen aantrekkelijke bestemming voor investeerders.

Desondanks blijken investeerders toch te zoeken naar ingangen tot de potentiële rijkdommen van Soedan. Onlangs is een van de grote gevestigde Soedanese voedselbedrijven, ­Yagoub Group, met een Nederlandse consortium in zee gegaan om zelf een volwaardig vleesverwerkingsfabriek op te zetten. Volgend jaar moet Al Nakheel Meat operationeel zijn, het ‘eerste volledig erkende biologische bedrijf in Soedan dat gericht is op de export naar Europa’, schrijft manager Othman Alsheikh trots.

De vleesverwerkingsindustrie in Soedan voldoet nog niet aan de Europese standaarden.

Tot het zover is, verdwijnen de Soedanese koeien in een van de aftandse donkere slachthuizen rond de veemarkt van Omdurman voor lokale consumptie. Om het gebouw hangt een verstikkende geur van vers warm bloed. Aan het begin van de oprijlaan zit een groepje handelaren tevreden waterpijp te roken. Er zijn goede ­zaken gedaan. Op de grond liggen ­stapels Soedanese ponden, de kooi voor het slachthuis staat vol met angstige koeien. Een voor een worden ze met stokslagen naar binnen gedreven. Vlak voor ze het poortje doorgaan krijgen ze een klap met een ijzeren staaf op de hoorns om voldoende versuft te zijn als de halsslagader wordt doorgesneden. Nog geen ­minuut later hangen de nog warme dieren dampend en al gedeeltelijk van hun huid gestript aan haken op de lopende band.

Bij de achteringang worden de eerste stukken vlees ingeladen in een gekoeld busje van de lokale slager. De hemel kleurt warmrood in de namiddagzon, de handelsdag in Omdurman zit erop.

Friese melkkoeien als rolmodel

Op de boerderij van DAL Dairy Farm even buiten Khartoum staan vijfduizend zwartbonte Nederlandse melkkoeien onder grote overkappingen met enorme blazende koelinstallaties vreedzaam te grazen. ‘Een uurtje buiten in de zon en ze bezwijken in deze hitte’, verklaart veearts Mohamed Sayed ­lachend de koeienairconditioning. Onder zijn leiding heeft DAL, het grootste voedselconcern van Soedan en dankzij de juiste connecties gevrijwaard van de Amerikaanse sancties, sinds 5 jaar een moderne melkfabriek opgezet, die zich volgens Sayed nu al een van de grootste van Afrika kan noemen.

Ondernemer Mohamed Sayed heeft veel Aziatische werknemers in zijn stal met Friese melkkoeien werken.

Rond de volautomatische melk­installaties lopen vooral Aziatische werknemers om de machines schoon te spuiten als de koeien klaar zijn. ‘Kijk, ze weten precies wat ze moeten doen’, roept Sayed trots als de koeien gedwee hun plek aan de melkinstallatie innemen. ‘Dat hebben wij ze geleerd.’

Onder zijn liefdevolle ­begeleiding worden de Nederlandse koeien steeds meer ‘sophisticated’. ‘In Nederland zag ik ze tot aan hun oksels in de modder, hier houden ze ervan zich te drogen in de zon en zich te verzorgen’, zegt hij als hij een van tevredenheid spinnende koe aan de massageborstel passeert. DAL wilde met de modelboerderij een voorbeeld stellen in Soedan en een nog vrijwel onbenutte miljardenmarkt aanboren. Soedanezen drinken vooral geïmporteerd melkpoeder, aan de onhygiënisch geproduceerde lokale melk kleven te veel gezondheidsrisico’s. De melkpoedermarkt bedraagt 200 miljoen dollar per jaar. Voor DAL een miljoenengat om in te springen.

‘Onze missie is gelukt’, zegt Sayed. ‘Je ziet steeds meer melkboeren bedelen om kruisingen met onze Friese melkkoeien en de kwaliteit verbeteren.’