Top 10    / 2015
gesponsorde artsen

Klik op een naam om de reactie van de betreffende arts te lezen

Top 25

Alleen top 10

Hoeveel ontvangt mijn dokter van de farmaceutische industrie?


Top 10   / 2015
gesponsorde beroepsverenigingen

Top 25

Alleen top 10


VIDEO
Zo beïnvloeden medicijnfabrikanten jouw arts


Top 10   / 2015
gesponsorde patiëntenverenigingen

Top 25

Alleen top 10

Meer toplijsten
Minder toplijsten

Top 10   / 2016
gesponsorde ziekenhuizen

Top 25

Alleen top 10

Top 10   / 2015
farmaceuten

Top 25

Alleen top 10

Meer toplijsten
Minder toplijsten

X

Toelichting onderzoek transparantieregister

Iedere patiënt kan in het transparantieregister opzoeken hoeveel geld zijn eigen dokter krijgt voor klussen voor de farmaceutische industrie. Maar veel meer is niet mogelijk. Het register heeft een blokkade ingebouwd: na het invullen van de naam, of de registratiecode van de arts, moet een captcha-code worden ingetikt, een vervormd rijtje letters of cijfers. Dat systeem moet voorkomen dat een computer met de gegevens aan de haal gaat.

De grote patronen in de geldstromen blijven daardoor verborgen. Op welke beroepsgroepen richten de farmaceuten zich het meest? Welke artsen verdienen het meeste geld bij in de farmaceutische industrie? Wie zijn daar de hoofdrolspelers en hoe denken deze artsen zelf over betaalde samenwerking met farmaceuten en gevaren van belangenverstrengeling? Om dit krachtenspel goed in kaart te brengen, komt de Volkskrant met een uitgebreid overzicht.

Daarvoor moesten alle artsen één voor één door het register worden gehaald. Om te achterhalen of het zinvol was om ons op die klus te storten, deed datajournalist Remy Koens begin april een steekproef met de bijklusgegevens over 2014. Hij schreef een computerprogramma, tikte een paar duizend captcha-codes in, en zette zo veel interessante gegevens op een rij dat we besloten om de bijverdiensten over 2015 te analyseren. Eind april werden die gegevens in het register gezet, begin mei gingen we van start. Omdat het meeste geld volgens het transparantieregister wordt bijverdiend door medisch specialisten, wilden we ons op die groep richten. De huisartsen, dierenartsen, apothekers en verpleegkundigen, die ook in het register staan, lieten we buiten beschouwing.

De namen van de specialisten vonden we op de zorgkaart, een initiatief van Patiëntenfederatie Nederland. De kaart, zo bleek bij navraag, biedt het meest complete overzicht van artsen in een bepaald vakgebied. Beroepsverenigingen beschikken ook over ledenlijsten maar die waren voor ons, op een uitzondering na, niet vrij toegankelijk. We selecteerden zestien specialismen, en kozen voor de beroepsgroepen van artsen die veel contact hebben met patiënten én medicijnen mogen voorschrijven. Bedrijfsartsen bijvoorbeeld maar ook verzekeringsartsen, sportartsen en pathologen leken ons minder interessant voor de farmaceutische industrie.

De eerste inventarisatie, na een maand codes tikken, bracht twee flinke problemen aan het licht. De zorgkaart bleek niet volledig, we misten te veel namen van artsen. En het namenzoeksysteem van het transparantieregister was niet waterdicht. Artsen van wie we zeker wisten dat ze geld kregen van de farmaceutische industrie stonden niet op naam in het register. Daarop besloten we een team studenten aan het werk te zetten. Zij speurden de websites van alle honderd ziekenhuizen af, en noteerden de namen van de specialisten die nog ontbraken. Daarna zochten ze wekenlang van alle medisch specialisten het registratienummer op in het zogeheten BIG-register. Enkele honderden artsen bleken lastig te traceren, bijvoorbeeld omdat ze in het BIG-register onder hun meisjesnaam staan vermeld of omdat hun naam in het register net even anders wordt gespeld (met een ij in plaats van een y bijvoorbeeld). Al die namen zochten we na, in sommige gevallen namen we contact op met betrokken artsen.

Zo ontstond een lijst van ruim dertienduizend BIG-nummers, die Koens handmatig door het transparantieregister haalde. Zijn monnikenwerk bleef niet onopgemerkt. Hij herhaalde zo vaak precies dezelfde handeling, en deed dat zo snel (eenmaal op stoom haalde hij 10 captcha-codes per minuut) dat Google, eigenaar van captcha, dacht dat er een computer aan het werk was. Zijn programma werd geblokkeerd, en pas toen hij Google een mail stuurde dat hij waarlijk een mens was en gewoon een efficiënt programma had geschreven, ging de blokkade eraf. Er kwam een tijdslot voor in de plaats. Na drie uur werden de captcha-codes onleesbaar en moest hij noodgedwongen stoppen. Hij omzeilde dat door met zijn laptop van coffeebar naar coffeebar te gaan, zodat hij steeds op een nieuw IP-adres verder kon werken.

We wilden ook informatie hebben over de farma-banden van ziekenhuizen, patiëntenverenigingen en beroepsverenigingen. Die kunnen in het transparantieregister niet op naam worden opgezocht, maar alleen op Kamer van Koophandel-nummer. We maakten een lijst met nummers van driehonderd patiëntenverenigingen, zestig beroepsverenigingen en honderd ziekenhuizen. De ziekenhuizen ontvangen, zo werd al snel duidelijk, niet alleen geld op het Kamer van Koophandel-nummer van hun hoofdvestiging maar ook op onderliggende vestigingen. Koens schreef een programma waarmee hij via de website van de Kamer van Koophandel alle bedrijven en holdings op hetzelfde adres op een rij kon zetten. Daarna haalde hij opnieuw die vele honderden Kamer van Koophandel-nummers één voor één door het transparantieregister.

Begin augustus waren alle gegevens compleet. Collega Mirjam Leunissen, gespecialiseerd in datavisualisatie en infographics, bouwde een website waar alle ranglijsten op kwamen en onze artikelen een plek vonden. Daarnaast wist ze de brij aan data te vangen in kleurrijke diagrammen.

De cijfers die we presenteren zijn representatief voor de verschillende beroepsgroepen. We hebben het aantal artsen dat we hebben getraceerd (en in het transparantieregister hebben opgezocht) vergeleken met het aantal artsen dat volgens artsenorganisatie KNMG in Nederland geregistreerd staat. Daaruit blijkt dat we in bijna alle beroepsgroepen minstens driekwart van de artsen hebben gevonden met uitschieters boven de 90 procent.

We hebben het percentage betaalde artsen in iedere beroepsgroep berekend door uit te gaan van de KNMG-cijfers. Navraag leert ons dat niet alle geregistreerde specialisten nog werkzaam zijn in hun vakgebied, wat ons doet vermoeden dat de percentages betaalde specialisten in werkelijkheid hoger zijn. Alleen van de psychiaters konden we maar de helft traceren, waarschijnlijk omdat velen in een zelfstandige praktijk werken.

Van de 3814 zorgverleners die volgens het transparantieregister in 2015 financiële banden met de industrie, vonden wij er bijna tweederde (2360). De overige 1454 bijverdieners moeten worden gezocht onder de 20 duizend huisartsen, dierenartsen en apothekers. Of in de beroepsgroepen van de specialisten die wij niet hebben onderzocht. Het is ook mogelijk dat we in de beroepsgroepen die we wel hebben bestudeerd een enkele bijverdiener missen, omdat onze namenlijst niet helemaal compleet is.

Auteurs

Data: Remy Koens

Website: Mirjam Leunissen, Hay Kranen

Redactie: Ellen de Visser, Tonie Mudde, Tom Kreling

Vormgeving: Wendy van der Wauw

Animatie: Myrthe van Gurp, Geart van der Pol


X

Reacties van artsen en verenigingen

Reactie Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVvC)

Welke opvatting heeft u over betalingen door de farmaceutische industrie. Hoe kijkt u hier in zijn algemeenheid tegen aan?

Van oudsher bestaan er vele vormen van samenwerking tussen de farmaceutische industrie en de medische wereld. Deze samenwerking is van groot belang vanuit het oogpunt van kwaliteit van zorg en innovatie. Bij de introductie van een nieuw medicament of instrument worden bijvoorbeeld klinische studies uitgevoerd voordat dit product uiteindelijk veilig kan worden geïntroduceerd. Dit geldt voor alle middelen. Dat betekent dat de samenwerking tussen artsen en fabrikanten van wezenlijk belang is voor de innovaties in zorg voor patiënten.

De belangrijkste inkomstenbron van de NVVC bestaat uit de contributie van de leden. Daarnaast worden door overheid en zorgverzekeraars ook gelden ter beschikking gesteld voor kwaliteitsprojecten waarmee richtlijnen, normen en leidraden worden ontwikkeld.

De vereniging vraagt voor het organiseren van haar congressen sponsorbijdragen van leveranciers, die dan met een stand aanwezig kunnen zijn op een congres. Voor sommige projecten ontvangt de NVVC ook sponsorgelden. Voor alle gesponsorde activiteiten worden overeenkomsten afgesloten waarin expliciet staat dat de sponsorende partij geen invloed heeft op de inhoud. Bijvoorbeeld bij een congres heeft een sponsor geen zeggenschap over het programma. Wel kan de sponsor tijdens het congres aanwezig zijn met een stand om informatie te verstrekken. Er mogen geen geschenken worden uitgedeeld door de sponsors.

Kwaliteitsprojecten die worden gesponsord richten zich met name op de samenwerking in de regio. Een voorbeeld hiervan is het NVVC Connect project. Dit is een project dat zich richt op implementatie van richtlijnen in ziekenhuizen voor acuut coronair syndroom, hartfalen en boezemfibrilleren. Ook richt het project zich op het maken van verwijs en terugverwijs afspraken zodat patiënten op tijd en niet onnodig worden verwezen en ook op tijd en op een veilig moment weer terug gaan naar de huisarts. Belangrijk daarbij is ook een goede registratie over de totale groep van patiënten zodat er voldoende informatie wordt gegeneerd om het eigen handelen in het ziekenhuis te verbeteren. Er is bijvoorbeeld software die het uitlezen van data makkelijker maakt.

Om ongewenste beïnvloeding tegen te gaan, bestaan wettelijke regels die op landelijk niveau nader zijn ingevuld in door veldpartijen (artsen, ziekenhuizen, overheid en de industrie) zelf opgestelde gedragsregels omtrent geneesmiddelenreclame en gunstbetoon. De NVVC houdt zich nauwlettend aan deze gedragsregels, wat ook door de Inspectie wordt bewaakt. De NVVC heeft daarnaast ten behoeve van de interne transparantie extra maatregelen genomen om de oneigenlijke invloed van de industrie uit te sluiten. Bestuurders en leden van werkgroepen en commissies dienen een gedragscode en een “conflict of interest” te tekenen. In de gedragscode is vastgelegd dat bestuurders /functionarissen geen geschenken, faciliteiten of diensten aan mogen nemen van aanbieders van goederen en diensten die zijn/haar onafhankelijke positie ten opzichte van die aanbieder kan beïnvloeden. In het “conflict of interest statement” worden relaties met de medische industrie uitgevraagd. Als er sprake is van mogelijke belangenverstrengeling kan een lid niet actief zijn in commissies en werkgroepen of andere organen van de NVVC.

Wat doet de vereniging met het geld dat het ontvangt? Waaraan is het in 2015 besteed?

De NVVC organiseert twee grote congressen per jaar. Alle activiteiten worden georganiseerd met een sluitende begroting. Er wordt dus geen winst gemaakt. In alles wat wij doen worden de regels vanuit Code Geneesmiddelen Reclame en Gedragscode Medische Hulpmiddelen nauwlettend gevolgd. De bijeenkomst kan bijvoorbeeld niet in een luxe hotel plaatsvinden. Verder organiseert de NVVC haar activiteiten binnen de eigen vereniging en niet via een aparte organisatie. De NVVC organiseerde in 2015 ook NVVC Connect om de kwaliteit van zorg te verbeteren zoals hierboven wordt genoemd. Ook hier geldt dat de sponsorende partij geen invloed heeft op de inhoud van het project en dat het altijd moet gaan om kwaliteitsverbetering.

Is er ooit sprake van beïnvloeding, bijvoorbeeld om bepaalde medicijnen voor te schrijven?

De NVVC kan niet garanderen dat er nooit sprake is van beïnvloeding wel doen we er alles aan om dit te voorkomen. Wij staan voor volledige transparantie en openheid (zie eerdere antwoord). Sponsoring is gebonden aan strenge regels waarop de Inspectie toeziet. De eventuele tegenprestatie van sponsoring mag niet leiden tot ongewenste beïnvloeding van het voorschrijf-, inkoop- of aflevergedrag door de NVVC. Sponsoring mag ook niet tot doel hebben het direct of indirect verkrijgen van ongewenste invloed van de sponsor of het beleid of activiteiten van de NVVC.

Hoe voorkomt u als vereniging dat er sprake is van beïnvloeding door de farmaceutische industrie?

Door alle afspraken contractueel goed vast te leggen en door het volgen van de regels voor interne en externe transparantie. Verder mag er nooit sprake zijn van mono-sponsoring. Ook blijven wij de leden continu informeren over de regels en het belang ervan middels de nieuwsbrief, de website en de vergaderingen. Zie ook https://www.nvvc.nl/nvvc/medische-industrie

Waarom accepteert de vereniging geld van de farmaceutische industrie?

De vereniging accepteert voor het organiseren van de congressen sponsoring. Omdat medisch specialisten verplicht zijn om elk jaar nascholing te volgen organiseert de vereniging congressen. Om de toegang voor leden zo laagdrempelig als mogelijk te houden worden de congressen gedeeltelijk betaald uit sponsorgelden van de medische industrie. Dit is inzichtelijk in het Transparantieregister Zorg. De deelnemers betalen deels zelf voor het congres. Het eten, drinken en slapen is allemaal voor eigen rekening.

Omdat de NVVC het belangrijk vindt om kwaliteitsprojecten zoals Connect te organiseren die niet bekostigd worden uit reguliere geldstromen accepteert de vereniging voor enkele projecten ook sponsoring. Dat wordt uitsluitend gedaan vanuit een maatschappelijk belang waarbij de kwaliteit van zorg op een hoger niveau wordt gebracht. Mede door Connect is de zorg voor patiënten met een acuut infarct op een hoger niveau gebracht. Ook hierbij is altijd sprake van meerdere sponsoren en worden de regels nauwlettend gevolgd.

Zie ook http://www.nvvcconnect.nl/over-nvvc-connect/samenwerkingspartners

Zijn daar volgens u risico’s aan verbonden?

Het risico van beïnvloeding door 1 firma bestaat niet aangezien alle gesponsorde activiteiten door meerdere bedrijven worden gefinancierd. Bovendien wordt contractueel vastgelegd dat er geen sprake mag zijn van invloed op de inhoud van een project of het programma van een congres.

Wanneer is er volgens de vereniging sprake van belangenverstrengeling?

Er is sprake van belangenverstrengeling als 1 fabrikant invloed kan uitoefenen op het voorschrijfgedrag van een specialist. Dat is niet het geval bij onze gesponsorde activiteiten.

Reacties artsen

S. Vehmeijer

‘Ik ben heel blij met de transparantie die er is over de vergoedingen voor de werkzaamheden die voor de farmaceutische industrie worden verricht. Juist deze openheid en transparantie, naar patiënten, collega’s, ziekenhuis en industrie, vermindert mijns inziens het risico op beïnvloeding en belangenverstrengeling. Het feit dat ik en andere specialisten van de vakgroep orthopedie vergoedingen ontvangen voor werkzaamheden staat daarom ook al jaren, inmiddels sinds de oprichting met een verwijzing naar het transparantieregister, op onze website (www.orthopediedelft.nl).

Sinds ik werkzaamheden verricht voor farmaceutische industrie is de volledige inhoud van de contracten die hiertoe zijn afgesloten bekend bij de directie en andere beroepsbeoefenaars van ons ziekenhuis. De contracten, inclusief de hierin genoemde bedragen voor vergoedingen, zijn opgesteld volgens Nederlandse en internationale richtlijnen. Overigens is het contract waaronder ik werkzaamheden verricht afgesloten met de Coöperatie Medisch Specialisten in ons ziekenhuis. De vergoeding voor mijn werkzaamheden wordt betaald aan deze coöperatie en niet aan mij persoonlijk. Wel komt een deel van het totale bedrag ten goede aan de gehele vakgroep orthopedie. In het transparantieregister kan dit echter zo niet aangegeven worden en daarom heb ik, omwille van de transparantie, de volledige vergoeding voor de werkzaamheden onder mijn eigen naam opgegeven. Ik zou het fijn vinden als u deze belangrijke nuance nog aan uw artikel toe zou kunnen voegen.

Mijn motivatie om een dergelijk contract aan te gaan met de farmaceutische industrie ligt in mijn overtuiging dat het een win-win situatie is voor alle partijen. Vanzelfsprekend heeft de farmaceutische industrie een commercieel belang. Ik ben mij daar ten volle van bewust. Aan de andere kant heeft de industrie in samenwerking met medisch specialisten en de wetenschap ook een rol in het verbeteren van de patiëntenzorg. Bijvoorbeeld bij een samen met de industrie ontwikkeld nieuw zorgpad in ons ziekenhuis voor het plaatsen van een totale heupprothese in dagbehandeling. Orthopeden uit Nederland en de rest van de wereld bezoeken ons om de voorste benadering van het heupgewricht en de dagbehandeling totale heupprothese te leren en ik word wereldwijd uitgenodigd om deze innovaties te demonstreren en orthopeden te trainen. Daar worden mijns inziens niet alleen Nederlandse patiënten beter van, maar patiënten wereldwijd. Mijn persoonlijke motivatie ligt in het feit dat ook ik leer van iedere orthopeed die ons bezoekt en van iedere lezing of cursus die ik geef en dat mijn eigen patiëntenzorg hier ook beter van wordt. Voorwaarde voor deze samenwerking met de farmaceutische industrie is echter wel dat het in volledige transparantie voor iedereen en zonder exorbitante vergoedingen gebeurt. Daarom juich ik publicaties zoals die van u ook toe.’

E. Smit

‘Ik denk dat het goed is dat financiële banden tussen artsen, ziekenhuisinstellingen en de farmaceutische industrie in het publieke domein komen middels het transparantie register. Van beïnvloeding, bijvoorbeeld door specifieke medicamenten voor te schrijven, is geen sprake geweest voor mijzelf sprekend.’

D. van der Heijde

‘Ik ben reumatoloog, geregistreerd in het BIG als niet-voorschrijvend medisch specialist. Ik werk als ZZP-er binnen mijn eenmanszaak 'D. van der Heijde Medical Consultancy' waarbij ik op consultatieve basis werkzaamheden (onder andere adviesraden en lezingen) voor internationale farmaceutische bedrijven verricht. Alle in het transparantieregister genoemde bedragen zijn dan ook namens deze onderneming gedeclareerd. Het is voor mij dan ook geen ‘bijklussen’, zoals u het noemt, maar mijn broodwinning. Daarnaast heb ik een aanstelling voor 0,2 fte bij het LUMC als onderzoeker (niet als medisch specialist). Ik behandel dan ook geen patiënten en schrijf geen medicatie voor. Mijn aanstelling bij het LUMC, is dan ook meer te omschrijven als nevenwerkzaamheid. Wellicht ten overvloede wil ik opmerken dat de bedragen die u in het transparantieregister ziet staan veelal een combinatie zijn van honoraria en reiskosten naar het (verre) buitenland.’

P. van de Kerkhof

‘Ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen is ondenkbaar zonder een samenwerking tussen de farmaceutische industrie en medisch specialisten met een bepaalde expertise.

Deze samenwerking betreft onderzoek naar de werkzaamheid en veiligheid en naar werkingsmechanismen van nieuwe behandelingen, advisering naar de industrieën over de beste aanpak bij het geneesmiddelenonderzoek en de optimale toepassing van geneesmiddelen uit de optiek van de patiënt en de behandelaar. Verder gaat het om kennisverbreiding over innovaties naar collega’s op symposia en masterclasses.

In deze samenwerking betaalt de industrie aan mijn werkgever, het Radboudumc, voor mijn tijd en inbreng als spreker, of consultancies of wetenschappelijk advies. Mijn inzet vindt plaats uit naam van mijn werkgever tegen een vergoeding die door het Radboudumc wordt bepaald en aan het Radboudumc wordt betaald. De contracten worden niet op mijn naam afgesloten maar op UMC-niveau. Dat is nodig omdat mijn afwezigheid van het werk vergoed moet worden en een zekere overhead is redelijk omdat de industriële inkomsten ook ten goede moeten komen aan ons eigen onderzoek. Zo heeft mijn groep belangrijke bijdragen geleverd aan innovaties van de behandeling van psoriasis . Mijn inkomsten uit samenwerking met de industrieën zijn daar belangrijk voor geweest. Op dit gebied hebben we meer dan 600 publicaties geschreven in de internationale literatuur en zijn thans 69 collega’s gepromoveerd.

In 2015 bevat het transparantieregister enige activiteiten als spreker-docent en als consulent. Er is daarbij geen sprake van belangenverstrengeling en de inkomsten zijn belangrijk voor het eigen onderzoek van de afdeling. De vermelding van mijn naam is het gevolg van de werkwijze van het register, waarin geen rekening wordt gehouden met het feit dat inkomsten niet op mijn naam maar die van het Radboudumc worden geboekt. Dat kan helaas tot verwarring en onjuiste beeldvorming leiden.

Natuurlijk is het van belang om continue alert te blijven op mogelijke belangenverstrengeling en geheel transparant te zijn. Daarbij is het van belang te blijven toetsen of het eigen voorschrijfgedrag op enigerlei wijze verband houdt met industriële contacten. Van de producent van het door ons meest voorgeschreven biological ontving het Radboudumc, c.q. de afdeling Dermatologie, echter een relatief lage vergoeding voor advies- en onderzoeksdiensten. Verder is voor mijn afdeling het meest opportune de samenwerking m.b.t. geneesmiddelen die juist nog niet algemeen beschikbaar zijn en per definitie dus nog geen marktpositie hebben: Lilly ( anti IL-17), Allmiral ( dimethyl fumaraat) en BMS (anti IL23). Op dit raakvlak tussen industriële ontwikkeling en evidence based medicine wordt vooruitgang geboekt voor de patiënt van morgen.

Uitbreiding van de financieringsmogelijkheden door van de industrie onafhankelijke organisaties is van groot belang omdat daarmee industrie-onafhankelijkheid beter te borgen is. Er zijn echter in Nederland geen organisaties die zich specifiek richten op subsidiëren van onderzoek van huidziekten, i.t.t. veel andere orgaanspecialismen (hart- en vaatziekten, nierziekten, diabetes, oncologie).

Samenvattend: Bij de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen is de samenwerking tussen specialisten- experts en farmaceutische industrie essentieel; voorkomen van belangenverstrengeling is hierbij voorwaarde. Je zou kunnen zeggen een maximale toenadering bij maximale distantie als het gaat om innovaties in geneesmiddelenontwikkeling. Het Radboudumc heeft hierin een strikt beleid dat alle contracten waarbij medewerkers diensten verlenen via het Radboudumc lopen, op transparantie worden gecontroleerd en betalingen volledig naar het Radboudumc gaan.’

E. Stroes

Het is u ontgaan dat ik niet in een streekziekenhuis werk; en tevens dat ik de ‘ingedeelde’ specialist ben binnen deze gespecialiseerde afdeling voor lipiden stoornissen. Wij zijn een tertiaire lipiden-vasculaire kliniek, waar veel patiënten naar verwezen worden die elders tegen lastige problemen aanlopen. Wij zijn Europees een toonaangevende afdeling voor onderzoek naar erfelijke, ernstige vetstofwisselingsstoornissen.

Vergoedingen van de industrie worden niet voor privégewin van de specialist aangewend.

In ons geval werken wij wel samen met industrieën om bij te dragen aan de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen. Dit is van waarde omdat wij dagelijkse ervaring hebben in noden en problemen van patiënten, alsmede grote kennis op het gebied van vetstofwisselingsstoornissen.

Eventuele vergoedingen worden door ons besteed aan onderzoek op gebied van laboratorium en patiënten-onderzoek; geen privégewin.

Onze ervaring is overigens dat wij, dankzij samenwerking, juist vaak de industrie kunnen ‘beïnvloeden’ om patiëntrelevant onderzoek te verrichten.

De ervaring dat wij middelen voor gaan schrijven, omdat een bepaalde industrie ons expert-advies vraagt en/of patiënten onderzoek met ons doet, vind ik abject en beschuldigend .

Ik ben een lipiden specialist en zal dus pas ‘gevraagd’ worden voor expert-advies als er lipiden vragen liggen. Amgen had vooral EPO, waar ik niets mee te maken heb/had. Vanaf 2014 ben ik betrokken bij uitermate relevant patiënten-onderzoek, en dus ook naar meetings (met reiskosten en sprekersvergoeding: wettelijk vastgelegd tarief van 140 euro per uur). Vanaf die tijd is er dus bemoeienis.

Deze bemoeienis zal, nadat de FOURIER studie maart 2017 op de ACC gepresenteerd zal zijn dramatisch dalen.

Als ik namens een grote groep Nederlandse specialisten deelneem aan internationale besprekingen over de eindpunten studies die lopen (FOURIER bij Amgen; ODDYSEY LTS bij Sanofi), dan is het gevolg dat ik: a. al snel in NL de specialist ben op deze middelen en b. dat er patiënten naar ons verwezen worden die geschikt zijn voor deelname aan deze onderzoeken.

Dat houdt in dat ik nu al 3 jaar lang met name patiënten verwezen krijg die ofwel grote problemen ondervinden tijdens statine therapie, ofwel een sterk verhoogd LDL cholesterol houden tijdens statine therapie. Zoals in mijn vorige mail al vermeld staat, is het mijn plicht om deze patiënten optimaal te behandelen, conform de door de overheid goedgekeurde richtlijnen.

Dat houdt inderdaad in dat ik veel patiënten op deze medicatie heb staan.

Ter vergelijking: dr H (AMC) verbruikt veel meer van het dure geneesmiddel voor Fabry patienten dan haar collegas. Zou zij ook omgekocht zijn? Antwoord: nee. Zij krijgt nu eenmaal vanuit haar centrum functie alle Fabry patienten verwezen en is dus natuurlijk degene die dit het meest gebruikt.

Ik neem aan dat u met basis-statistiek kennis hierin de kip-en-het-ei construct kunt herkennen.

Ik zoek geen actieve rol bij de industrie, want ik werk voor het AMC

Als er daarentegen bij patiënten gewerkt moet worden met een in mijn ogen veelbelovend product (lees FDA en EMA goedkeuringsdocumenten over PCSK9 remmers: eensluidend positief), dan zal ik ‘tijdelijk’ bemoeienis hebben met deze industrieën. De duur wordt bepaald door de nuttigheid van dit contact/advies op basis van lopende onderzoeken.

Er wordt niet betaald voor voorschrijven en/of brain washen. In tegendeel, ik krijg de kans om mee te ‘duwen en bouwen’ om te zorgen dat eventuele werkzame geneesmiddelen op dusdanige wijze onderzocht worden, dat ze in de toekomst gebruikt kunnen worden voor patiënten die ik thans nog niet adequaat kan behandelen.

Ik zal dus geen blijvende bemoeienis met deze bedrijven hebben. Alleen in de ‘gevorderde jaren van onderzoek’ en dan alleen voor ‘relevante geneesmiddelen voor patiënten met atherosclerose en/of hart en vaatziekten’. Ik vind het overigens bedroevend dat de media een afkeer hebben van Nederlandse deelname aan belangrijke trajecten.

Voor ons is dit vergelijkbaar met de olympische spelen! Als wij mee kunnen ‘helpen en sturen’ bij internationale doorbraken op het gebied van geneesmiddelen voor het nut van onze patiënten, dan beschouw ik dat als een eer, een voorrecht, en iets waarvoor we hard moeten werken. Dat vraagt jarenlang hard werk en kennisvergaring, om vervolgens in de gelegenheid gesteld te worden om op hoog niveau mee te kunnen en mogen doen! Het schijnt dat de media dit eerder als een schande aan willen merken? Curieus.

Alle geld wat ik ontvang voor advies diensten/opzetten onderzoek bij patiënten via de industrie, vloeit terug naar onderzoeksactiviteiten binnen onze afdeling/trial buro/lab.

Dit is geen privégeld. Op termijn lijkt het mij zinniger als voor dergelijke, ‘zeer nuttige’ adviseringscontacten een overeenkomst met het ziekenhuis in plaats van een persoon gesloten wordt.

Omdat het geen privégeld is, maakt dat voor mij niets uit: ik word er niet rijker of armer van. Voor de beeldvorming naar buiten toe zou dit voor alle partijen beter zijn. Inmiddels zijn wij bezig dit als officieel verzoek in te dienen bij de betreffende instanties om na te gaan of dit (naast wenselijk) haalbaar is. Op die manier kunnen wij als medici hopelijk ook een bijdrage leveren om duidelijk te maken dat het ons om kwaliteit van onderzoek en behandeling van patiënten gaat.

Het alternatief: Uit angst voor ‘negatieve’ media aandacht als dokter uit Nederland helemaal niet meer deelnemen aan alle innovatieve medische onderzoeken (waar altijd industrie bij betrokken is gezien de enorme investeringen die benodigd zijn), vind ik een uitermate onwenselijke situatie.’

G. D’Haens

‘Mijn onderzoeksterrein is dat van de inflammatoire darmziekten, met name de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa. Dit zijn aandoeningen 0.5-1 per cent van de populatie treffen, bijna altijd op jonge leeftijd. De oorzaak is niet gekend en er is dus geen genezing mogelijk. Patiënten hebben buikpijn, diarree, fistels aan de anus, koorts en gewrichtspijn.

Met de beste behandelingen die we nu kunnen aanbieden krijgen we 40-60 per cent van de patiënten redelijk onder controle zodat ze opnieuw kunnen werken, studeren, kinderen hebben etc.

Gelukkig is er de laatste jaren een grote interesse gegroeid bij de farma industrie om nieuwe middelen te vinden om deze ziekten te behandelen. Het probleem is echter dat er binnen de farma weinig artsen werken met ‘veldexpertise’ zodat een beroep moet worden gedaan op experten uit gespecialiseerde ziekenhuizen. Medicijnen moeten namelijk worden getest bij patiënten en daar is medisch-specialistische input voor nodig. Het gaat dan vaak om ‘trial design’ (opzetten van een klinische studie). Ik krijg met regelmaat verzoeken van de farma industrie om advies op dit vlak.

Omdat het hier een redelijk beperkte indicatie betreft, zijn er slechts 10-15 experten in de wereld die een grondige kennis hebben van trial methodologie in IBD en komen ze dus steeds bij dezelfde mensen terecht. U noemt dit ‘bijklussen’. Ikzelf vind het mijn taak als hoogleraar om ervoor te zorgen dat patiënten-onderzoek vanuit de industrie wordt uitgevoerd met het belang van de patiënt centraal en met de hoogste wetenschappelijke standaard.

Dat gaat dan om zo weinig mogelijk placebo behandeling, toegang tot het medicijn na afloop van het onderzoek, zo weinig mogelijk invasieve procedures etc. Daarnaast doe ik mijn best om dit soort onderzoek naar Nederland te krijgen zodat onze Nederlandse patiënten zo snel mogelijk toegang krijgen tot nieuwe middelen nog voor ze worden vergoed. Nederland is niet bepaald een aantrekkelijk land voor klinische trials (duur en nogal traag qua procedures) maar mijn deelname aan ‘steering committees’ heeft meestal een positieve invloed.

Bijna al mijn vergoedingen komen dus voort uit werk met geneesmiddelen die nog niet zijn geregistreerd, er is dus hoegenaamd geen effect op mijn voorschrijfgedrag. Een aantal keer per jaar spreek ik op wetenschappelijke symposia, maar ook daar is strikt toezicht op wetenschappelijke objectiviteit.’

R. Dekhuijzen

‘Ik zie geen problemen. Mij wordt vaak gevraag om advies of om schriftelijk of mondeling nascholing te verzorgen, vanwege mijn deskundigheid in een bepaald deelgebied. Betaling hiervoor vind ik correct, vaak activiteiten die ’s avonds of in het weekend plaatsvinden.

Ik sta bekend om de deskundigheid en onafhankelijkheid in mijn expertisegebied.

Open communicatie over eventuele belangen, al dan niet conflicterend, voorkomt belangenverstrengeling. Ik verricht werkzaamheden op verzoek van de farmaceutische industrie omdat het belangrijk is adviezen en feed back uit de dagelijkse praktijk over te brengen aan de farmaceuten.

Farmaceuten ondersteunen cq faciliteren vaak nascholing voor eerste en tweede lijn en ik vind het leuk om daar geheel onafhankelijk en op niveau aan bij te dragen. Betaling staat mijn onafhankelijke en evidence based inhoud niet in de weg.

Voor mij geen, vasthoudend aan transparantie en onafhankelijkheid en evidence based boodschappen. Van belangenverstrengeling is zelden spraken. Soms is er sprake van confidentiële kennis van zaken waardoor ik me aan een andere tafel niet in de discussie zal mengen. Ik ben daar zeer nauwkeurig in.’

Th. van der Loos

‘Inderdaad geef ik regelmatig nascholingen voor de huisartsen, diabetesverpleegkundigen, praktijk-ondersteunders, apothekers ed. Alle nascholingen hebben betrekking op de behandeling van diabetes mellitus. Ik doe dit in samenwerking met verschillende farmaceutische bedrijven. Tevens stel ik zelf nascholingen samen, die vervolgens geaccrediteerd worden door de NHG.

De nascholingen zijn informatief en niet product gedreven.

Beïnvloeding om met een bepaalde farmaceut of bepaald product te werken is nooit het geval (geweest) als gevolg van bovenstaande. Mijn insteek om nascholingen te geven is om de behandeling van onze diabetes patiënten in onze regio op een hoger niveau te tillen.

Daarnaast word ik door de 1e lijn regelmatig gevraagd om nascholingen te geven zoals ondersteuning van een FTO (Farma Therapeutisch Overleg).

Nascholingen waar ik niet achter sta worden door mij niet gegeven.

Ik stoor mij overigs aan uw tendentieuze vraagstelling 'Waarom klust u bij voor de farmaceutische industrie?’

J. Jukema

‘Ik kan alleen maar hopen/aannemen dat U uw werk zorgvuldig heeft gedaan en er dito over hebt geschreven.’

G. Wolbink

‘Ik doe onderzoek naar de werkzaamheid en doelmatigheid van biologicals bij reumapatienten.

Onderzoek dat o.a. kijkt naar de immuunrespons tegen biologicals en hoe dit effect heeft op de werkzaamheid. Op dit gebied hebben we een unieke expertise opgebouwd die relevant is voor veel biologicals die worden voorgeschreven bij verschillende ziekte beelden. (zie pubmed)

Een onderdeel van dit werk is het uitdragen van de kennis. Hierover hou ik voordrachten. De industrie biedt vaak een platform omdat te doen. De voordrachten zijn er ook voor wetenschappelijke verenigingen en bv voor het college ter beoordeling van geneesmiddelen in Nederland en de EMA.

Onderzoek heeft uitsluitend als uitgangspunt een betere zorg en behandeling van patiënten. Voor de financiering van dit onderzoek wordt deels samenwerking gezocht met de industrie. Het is in de huidige setting bijna onmogelijk om dat niet te doen.

Dat betekent dat er een interactie is waarbij inderdaad het risico bestaat van beïnvloeding.Ik probeer beïnvloeding te voorkomen door alleen onderzoek te doen op basis van eigen ideeën en die als uitgangspunt hebben een betere zorg. (investigator initiated studies) En door bewust te zijn van het risico van beïnvloeding en onderzoek te publiceren en daardoor toetsbaar te maken. Ook geef ik banden met de industrie aan en ga ik interactie aan met alle betrokken partijen. Meerdere industrieën, ook ziektekostenverzekeraars en meerdere wetenschappelijke verenigingen.

Onderhandeling met de farmaceutische industrie over voorschrijf en prijs afspraken gebeurt niet door mij. Ik heb me ingezet voor een beleid waarbij we de afspraak hebben dat bij gelijkwaardige middelen (biosimilars) we het goedkoopste middel kiezen.

Daarnaast is er een actief beleid om overbehandeling te reduceren door medicatie af te bouwen.’

P. de Vries

‘Als medisch specialist verzorg ik inderdaad diverse lezingen en geef ik nascholing aan collega’s, huisartsen, verpleegkundig specialisten en praktijk ondersteuners. Als expert op het gebied van diabetes en nierschade en op basis van mijn educatieve vaardigheden word ik regelmatig gevraagd als spreker en om nascholingen / lesmateriaal te maken. Dit verzoek wordt gedaan door verschillende organisaties waaronder verschillende veelal concurrerende farmaceutische bedrijven maar ook rechtstreeks door huisartsen en ander beroepsgroepen. Alle door mij verzorgde nascholingen zijn voor de betreffende beroepsgroepen geaccrediteerd.

Ik vind het belangrijk mijn kennis en expertise op het gebied van diabetes en nierschade te delen met vakgenoten waardoor de zorg voor deze patiënten verbeterd kan worden. Diabetes en nierschade komen veel voor in Nederland en daardoor is de vraag naar kennis en ontwikkelingen op dit gebied dan ook groot. Voor mij staat in mijn werk de patiënt centraal. Samen met de patiënt maak ik een keuze wat de beste behandeling is en wat bij de patiënt past.’

M. Drent

‘In mijn geval is er gelukkig nooit sprake geweest van beïnvloeding. De ziektebeelden waarin ik me heb gespecialiseerd, interstitiële longaandoeningen (ILD) , zijn relatief zeldzaam en er zijn nog geen adequate geneesmiddelen voor op de markt. De meer bekende geneesmiddelen voor longaandoeningen als astma en COPD, hebben bij deze ILD nauwelijks of geen effect. De populatie van ILD-patienten is niet interessant voor deze farmaceutische bedrijven. Sinds kort zijn er anti-fibrotische middelen beschikbaar voor een specifieke vorm van longfibrose ofwel litteken of bindweefselvorming in de long. Dat is een dodelijke ziekte. De nieuwe geneesmiddelen trachten de progressie van het ziektebeeld af te remmen. Het voorschrijven daarvan is vastgelegd in een document opgestemd door de minister en het zorginstituut Nederland (ZIN) in samenspraak met de NVALT (Nederlands Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose). Of patiënten daarvoor in aanmerking komen (de indicatie) wordt altijd tijdens een multidisciplinair team in erkende expertisecentra vastgesteld. Bij twijfel wordt het voorgelegd aan een landelijk panel. Er is dus geen mogelijkheid voor persoonlijke voorkeur, laat staan belangenverstrengeling.

Beïnvloeding voorkom je door integriteit voorop te laten staan. Ik kan alleen over mijzelf spreken. Ik voorkom dat door bepaalde zaken nooit te doen uit principe. Als ik gevraagd word om een presentatie te geven over een bepaald product met aandacht voor studies en de resultaten daarvan, zal ik dat nooit doen. Ik bereid mijn voordrachten altijd zelf voor en als ik wat vertel over (nieuwe) middelen - in relatie tot de ziektebeelden waar ik me in heb gespecialiseerd - zal er altijd aandacht zijn voor meerdere opties, zonder voorkeur.

Als hoogleraar word ik gevraagd en geacht nascholing te verzorgen. Dat doe ik voor longartsen, maar ook voor huisartsen, physician assistants, verpleegkundigen en patiënten. Dat gebeurt in de vorm van voordrachten cursussen, workshops, masterclasses, symposia nationaal en internationaal etc. Het organiseren van dergelijke bijeenkomsten kost geld. Farmaceutische bedrijven ondersteunen dergelijke onderwijsmomenten en maken het financieel mogelijk. Daarnaast ben ik betrokken bij het maken van e-learning modules en voorlichtingsmateriaal in de vorm van video’s, informatie op websites en in tijdschriften voor zorgverleners en patiënten. Deze week is nog er een internationale animatiefilm afgerond over het gebruik van zuurstof voor patiënten.

In 2006 heb ik de ild care foundation (www.ildcare.nl) opgericht. Al de vergoedingen die ik krijg in het kader van externe werkzaamheden gaan naar deze stichting en worden benut om de doelstellingen na te streven: meer awareness voor deze veelal zeldzame en onbekende ziektebeelden samen met betreffende patiëntenverenigingen en internationale organisaties (waaronder de WASOG). Deze transacties zijn transparant zichtbaar op onze website, volgens de overheidsnormen. Soms worden bedragen rechtstreeks betaald aan de drukker van het tijdschrift - ild care today - wat deze stichting uitgeeft. Deze contracten worden door mij ondertekend en staan daardoor op mijn naam. Dat betekent dus niet dat ik daadwerkelijk de vergoeding persoonlijk ontvang.’

J. Smit

‘Ik ben met een team van internationale specialisten betrokken geweest bij de ontwikkeling van het geneesmiddel Sorafenib voor de behandeling van patiënten met uitzaaiingen van schildklierkanker, een zeldzame aandoening waarvoor voorafgaande aan de ontwikkeling van dit geneesmiddel geen behandeling beschikbaar was. Sorafenib wordt door de firma Bayer geproduceerd. Dit middel was tot voor kort het eerste en enige geneesmiddel voor de behandeling van deze patiënten. Mijn bijdrage bestond uit het mede coördineren van een internationale studie naar de effectiviteit van dit medicament bij deze patiënten.

In het kader van mijn rol in dit traject heb ik op een aantal internationale symposia, bedoeld voor medici die zich met de behandeling van deze patiënten bezig houden, lezingen gegeven waarin ik de ervaringen, mogelijkheden en onmogelijkheden van dit medicament heb toegelicht. Aan de inhoud van deze lezingen zijn geen voorwaarden gesteld. Deze lezingen zijn gesponsord door de firma Bayer. De firma Bayer heeft reiskosten vergoed alsmede een sprekersvergoeding. Deze toelagen zijn in contracten vastgelegd die getoetst en gesloten zijn tussen mijn werkgever en de firma Bayer. De sprekersvergoedingen zijn door mijn werkgever gestort in een projectfonds, van waaruit fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar schildklierkanker verricht wordt.

De suggestie die het Transparantieregister wekt, namelijk dat ik persoonlijk de ontvanger zou zijn van de bedoelde bedragen, is onjuist. Zoals gezegd, staan die contracten op naam van mijn werkgever die dan ook het tarief bepaalt en de gelden ontvangt. Niets daarvan komt aan mij persoonlijk ten goede.

Ik denk dat zolang de ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen door farmaceutische bedrijven plaatsvindt er samenwerking zal zijn tussen clinici en de onderzoeksinstellingen waaraan zij verbonden zijn, en het bedrijfsleven. Deze samenwerking is mijn inziens geoorloofd mits deze transparant is (vandaar het transparantieregister) en het doel van de samenwerking ten goede komt aan de patiënt. Mijns inziens zijn mijn activiteiten tav de ontwikkeling van het geneesmiddel Sorafenib ten goede gekomen aan de behandeling van patiënten met schidklierkanker. De door mij gehouden lezingen hebben collega’s geholpen om zich een goed oordeel te kunnen vormen over de mogelijkheden en de onmogelijkheden van dit medicament. De ontvangen sprekersvergoeding stelt ons in staat verder onderzoek te doen.

Uiteraard zijn aan elke samenwerking, ook tussen niet commerciële partijen, risico’s verbonden van oneigenlijke wederzijdse beïnvloeding en afhankelijkheid. Persoonlijk heb ik een voorkeur voor een situatie waarin de ontwikkeling, onderzoek en de implementatie van geneesmiddelen door niet commerciële partijen zou plaatsvinden. Dit vergt een fundamentele politieke omwenteling waarvoor de keuze uiteindelijk bij ons als maatschappij ligt.’

Reactie UMC Utrecht namens T. Radstake

‘Professor Radstake ontvangt onder meer vergoedingen voor:

-Deelname aan beoordelingscommissies. De farmaceutische industrie financiert veel wetenschappelijke onderzoeken. Wetenschappers dienen onderzoeksaanvragen in bij farmaceutische bedrijven om een financiële bijdrage te ontvangen. Prof. Radstake zit in beoordelingscommissies van diverse farmaceuten om deze onderzoeksaanvragen te beoordelen. De farmaceutische industrie vraagt hier juist arts-onderzoekers zoals prof. Radstake voor, omdat zij kennis hebben van onderzoek én patiëntenzorg.

- Nascholing voor beroepsgroep reumatologie

Prof. Radstake spreekt op nationale en internationale congressen voor reumatologen. Hier presenteert hij bijvoorbeeld de laatste stand van zaken van een bepaald onderzoek. Deze presentaties gaan nooit over het voorschrijven van een bepaald medicijn. Deze congressen worden veelal betaald door de farmaceutische industrie.

- Deelname aan adviesraden

Farmaceutische bedrijven zetten onderzoeken op. Prof. Radstake neemt deel aan diverse adviesraden en geeft bedrijven bijvoorbeeld advies over onderzoeken waar patiënten bij worden betrokken. Hij zorgt er mede voor dat deze onderzoeken zo goed mogelijk (haalbaar en veilig) voor de patiënten verloopt.

Voor bovenstaande opdrachten geldt dat prof. Radstake nooit deelneemt aan opdrachten die maar enigszins een relatie hebben met geneesmiddelen die voorgeschreven worden voor aandoeningen waar hij patiënten voor behandelt.

Een academisch ziekenhuis voert heel veel wetenschappelijk onderzoek uit. Dat kost geld. Niet alleen om artsen en onderzoekers te betalen, maar ook om onderzoeksapparatuur en andere laboratoriumbenodigdheden aan te schaffen. De overheid en Europese Unie verstrekken subsidies voor onderzoek, maar dat is lang niet voldoende voor alle onderzoeken.

De farmaceutische industrie heeft academische kennis nodig om de beste medicijnen voor de patiënten te kunnen ontwikkelen. Daar hebben ze wetenschappers voor nodig, het liefst wetenschappers die kennis hebben van zowel onderzoek en patiëntenzorg. Deze arts-onderzoekers doen wetenschappelijk onderzoek om de zorg voor patiënten altijd te blijven verbeteren. Het is belangrijk om wetenschappelijke bevindingen zo snel en correct mogelijk bij de patiënt te krijgen. Daar is de farmaceutische industrie voor nodig.

Kortom: de farmaceutische industrie kan niet zonder arts-onderzoekers, en arts-onderzoekers kunnen niet zonder de farmaceutische industrie. Interacties tussen arts-onderzoekers en de farmaceutische industrie zijn onmisbaar om de patiëntenzorg te kunnen verbeteren.

De wetenschappelijke samenwerkingen met farmaceutische industrieën blijven altijd ver weg van enige vorm van belangenverstrengeling. Prof. Radstake werkt met diverse farmaceuten samen; er is geen voorkeur voor een bepaalde farmaceut. Alle samenwerkingen hebben als doel de zorg voor de patiënt uiteindelijk beter te maken. Dat gebeurt op verschillende manieren: door wetenschappelijk onderzoek uit te voeren, maar bijvoorbeeld ook door reumatologen te informeren over de laatste stand van zaken van de wetenschappelijke vorderingen op reumatologiegebied.

Daarnaast houdt de overheid dit ook nauwlettend in de gaten. De stichting code geneesmiddelenreclame (CGR) heeft strikte regels opgesteld voor dit soort samenwerkingsverbanden, een voorbeeld hiervan is het transparantieregister. Zo controleert het CGR bijvoorbeeld nauwkeurig hoe programma’s van congressen – vaak gesponsord door de farmaceutische industrie –zijn opgesteld (dus zonder invloed van farmaceutische industrie) en hoeveel pauze deelnemers hebben. Voor alle elementen zijn strikte regels opgesteld die door beide partijen nauwkeurig gehandhaafd worden. Bekijk een samenvatting van de regels voor medische congressen en evenementen in Nederland, opgesteld door de CGR.

Prof. Radstake geeft geen voorkeuren aan in zijn wetenschappelijke samenwerking met de farmaceutische industrie; hij werkt met diverse farmaceuten samen. Bij het voorschrijven van geneesmiddelen is er dus geen sprake van beïnvloeding; er is tenslotte geen bijzondere relatie met een bepaalde farmaceut.

Prof. Radstake behandelt voornamelijk patiënten met systemische sclerose. Hij neemt nooit opdrachten aan die maar enigszins een relatie hebben met geneesmiddelen die voorgeschreven worden voor deze aandoening.

Om de gezondheidszorg continu te blijven verbeteren is wetenschappelijk onderzoek en goed onderwijs nodig. Alles met het doel om iedere patiënt de beste behandeling te geven. Prof. Radstake wil hier graag een bijdrage aan leveren om zijn kennis en ervaringen te delen met bijvoorbeeld collega reumatologen en reumatologen in opleiding over de hele wereld. Door deze kennis breed te delen, wordt samengewerkt aan een zo optimaal mogelijke gezondheidszorg van de toekomst. Farmaceuten hebben deze kennis en de toekomstige reumatologen nodig om ook in de toekomst de juiste medicijnen te ontwikkelen voor de patiënt.

De activiteiten van prof. Radstake hebben niets te maken met het voorschrijfbeleid van medicatie, dus daar zijn geen risico’s aan verbonden. Dit draagt juist bij aan het verbeteren van de patiëntenzorg. De farmaceutische industrie heeft kennis nodig om de beste medicijnen voor de patiënten te ontwikkelen. Daar hebben ze nu en in de toekomst wetenschappers voor nodig die een stevige voet hebben in onderzoek en patiëntenzorg. Wetenschappers doen onderzoek om de zorg voor patiënten altijd te blijven verbeteren. Het is belangrijk om de bevindingen op een goed en adequate manier bij de patiënt te krijgen. Daar is de farmaceutische industrie voor nodig.

Er is sprake van belangenverstrengeling indien de samenwerking tussen prof. Radstake zich zou beperken tot één farmaceut en concentreert op het voorschrijven van medicatie waar deze farmaceut een belang bij heeft. Gezien het pure wetenschappelijke karakter en banden met meerdere farmaceuten van prof. Radstake is er hier dus geen sprake van belangenverstrengeling. Belangenverstrengeling kan ontstaan wanneer de ontwikkeling van een potentieel nieuw medicijn vanuit het eigen onderzoek zover komt dat dit in een farmaceutisch bedrijf moet worden gebracht voor verdere ontwikkeling. Als de betrokken arts-onderzoeker tegelijkertijd patiënten behandelt die in aanmerking komen voor dit medicijn, dan is er sprake van belangenverstrengeling. In het UMC Utrecht zijn hier duidelijke afspraken over gemaakt. Mocht een onderzoek zover komen, dan behandelt de arts-onderzoeker deze betreffende patiënten niet meer.’

C. Taube

‘Vorig jaar ben ik betaald door enkele farmaceuten. Zo heb ik meerdere voordrachten gehouden voor artsen over de laatste stand van zaken in wetenschappelijk longonderzoek in het kader van bij- en nascholing. Farmaceuten sponsoren dergelijke voordrachten, maar zij hebben verder geen enkele invloed op de inhoud van de presentatie. Dat is ook contractueel zo geregeld. De presentaties (lezingen) gaan niet over specifieke medicijnen maar over wetenschappelijk onderzoek in de breedte, met name over de laatste wetenschappelijke stand in het wereldwijde COPD of astma onderzoek.

Daarnaast zit ik ook niet in commissies die over de richtlijnen voor medicijnen gaan in Nederland of in het LUMC. Het is mijn doel mijn patiënten top klinische zorg aan te bieden en de individuele patiënt met de juiste medicijn volgens (inter)nationale medische richtlijnen te behandelen.’

J. Tielens

‘An sich heb ik geen probleem met dokters die diensten doen voor de farmaceutische industrie. Maar, ik ben tegen beïnvloeding door farma van dokters. Dat is niet in tegenspraak met elkaar. Het hangt af van de afspraken die er zijn.

Ik geef heel veel cursussen over gesprekstechnieken bij psychoses. Ik heb daar boeken over geschreven en heb daar een opinie over. Blijkbaar is die interessant, want ik word vaak gevraagd. Die bijeenkomsten worden bijvoorbeeld gesponsord door Janssen Cilag. Dat bedrijf ken ik al heel lang.

Ik heb heel heldere afspraken met hen. Ik maak geen reclame voor welk middel dan ook. En ik heb geen belang, of functie in welke sturende commissie voor protocollen, waarin medicijnen worden opgenomen.

Er zijn dokters die in adviesraden zitten van farmaceutische bedrijven. Dat vind ik echt niet kunnen. Dan ga je eigenlijk met de industrie bedenken hoe een nieuw middel zo goed mogelijk geplugd kan worden. Daar ben ik echt tegen. Een middel moet zichzelf bewijzen.

Nog minder vind ik het kunnen dat dokters die contacten hebben met de industrie in commissies zitten die advies geven welke medicijnbehandeling passend is. Kan niet. Een bepalende rol in welke middelen worden voorgeschreven, terwijl er banden zijn met de industrie.

Wat ik doe is praktisch onderwijs geven hoe te spreken met psychotische mensen. Dat doe ik mijn hele leven al. Ik doe nul onderzoek. Ik vind ook eigenlijk dat onderzoek los moet staan van de farmaceutische industrie, dat levert te veel perverse prikkels op.

Maar wat een probleem is in de ggz is dat er nauwelijks goed onderwijs is. Na je bul is er weinig bijscholing, nascholing etc. Ik vind het onderwijs geven leuk, maar het is ook heel belangrijk. Het is alleen triest te moeten constateren er eigenlijk geen budget is voor opleiding in de ggz, waardoor het geld van de industrie nodig is voor onderwijs. Daar wil ik nog wel eens een discussie over.

Ik wil dus onderwijs geven, vind dat leuk en belangrijk, heb daar de industrie voor nodig, maar doe het wel op mijn voorwaarden. Ik kom, geef mijn onderwijs en vertrek. Daar bemoeit niemand zich mee.’

J. ten Berg

‘Mijn samenwerking met de farmaceutische industrie bestaat uit deelname aan congressen, masterclasses, scholing, lezingen en publicaties op het gebied van de cardiologie. De samenwerking vindt plaats vanuit het geloof dat deze activiteiten leiden tot nieuwe en betere geneesmiddelen en behandelmethoden waar hartpatiënten baat bij hebben. Mijn bijdrage aan de verbetering van de cardiologische gezondheidszorg beperkt zich niet tot de spreekkamer alleen, maar vereist ook participatie van mij als arts en opleider aan wetenschappelijk onderzoek om zo vooruitgang en kennisverbetering te bewerkstelligen. De samenwerking met de farmaceutische industrie bevordert mede het wetenschappelijk onderzoek binnen de gezondheidszorg. En dat op zijn beurt houdt de kwaliteit van onze cardiologische zorg op een hoog niveau, waar (hart)patiënten bij gebaat zijn.

Aan dit soort samenwerkingsverbanden zijn soms geldstromen verbonden. Van belang hierbij is natuurlijk wel dat dit op transparante wijze en conform de richtlijnen gebeurt. Als lid van de NVVC onderschrijf ik en houd ik mij aan de bepalingen van de stichting Code Geneesmiddelen Reclame (CGR) en de Gedragscode Medische Hulpmiddelen (GMH). Daarnaast worden de samenwerkingsovereenkomsten met de farmaceuten ook getoetst binnen de maatschap en soms zelfs binnen het ziekenhuis. Een groot deel van de onkostenvergoeding vloeit terug naar wetenschappelijk onderzoek dat niet op een andere manier gefinancierd wordt; onderzoek dat we uitvoeren via onze eigen R&D Cardiologie.

Wellicht is het nog goed te melden dat wij nooit exclusief met één farmaceut alleen samenwerken en ook nooit één geneesmiddel alleen onderzoeken; we onderzoeken juist behandelstrategieën en die vergelijken we. Daarbij gaat altijd om een groep van middelen. Zoals gezegd gaat het mij hierbij steeds om de innovatieve en/of kwalitatieve verbeterende activiteiten die een directe of indirecte verbetering van patiëntenzorg ten doel hebben of de medische wetenschap bevorderen. En omdat deze activiteiten niet altijd (volledig) op andere reguliere wijze worden gefinancierd, is het van belang om daarin met de grote zorgpartijen - dus ook met farmaceuten - gezamenlijk op te trekken.’