Waarom Maria zweeg

Nadat haar man Jan was gestorven in een Duits concentratiekamp, besloot Maria de Visser om nooit meer over het verleden te praten. Het dorp zweeg mee. Zeventig jaar later gaat hun kleindochter op zoek naar het verhaal dat ontbreekt. Hoe Jan de Visser werd verraden en waarom zijn vrouw er nooit meer over sprak.

Tekst en onderzoek: Ellen de Visser. Code en opmaak: Hay Kranen. Fotografie: Marcel van den Bergh. Illustraties: Leonie Bos.

Klik op het zwarte pijltje achter een zin voor meer verdieping. Zo dus!


Op de kleine begraafplaats van het Zeeuwse Vrouwenpolder vertellen twee eenvoudige grijze stenen een onvoltooid verhaal. Ze staan afgezonderd van de rest, meteen naast de ingang: rechts het monument voor de verzetsman, links ernaast de grafsteen van zijn vrouw. Tussen het moment waarop hun levens eindigden, ligt 65 jaar; ruim een halve eeuw van onbeantwoorde vragen.

De grafmonumenten van Maria en Jan de Visser.

Nooit meer heeft Maria de Visser over de oorlog gepraat. Vanaf het moment dat haar man Jan werd verraden en op een zomernacht in 1944 uit hun bed werd gesleurd, werd mishandeld en afgevoerd, heeft ze gezwegen. Jan kwam nooit meer terug. Hij stierf ver van huis, 28 jaar oud, in een Duits concentratiekamp. Maria bleef achter met drie kleine kinderen. Ze ging nimmer weg van de plek waar ze gelukkig was geweest, het dorp waar ze alle inwoners kende. Maar waar ergens ook de verrader rondliep, die Jan met een anoniem briefje de dood had ingejaagd.

Bijna iedereen die beschadigd uit de oorlog was gekomen, had leren zwijgen. Woorden ontbraken, voor emotie was geen ruimte, genoeg van het verleden, de blik ging vooruit. Was het louter de tijdgeest die Maria tot geslotenheid bracht? Was de stilte misschien beter te verdragen dan het verdriet en reageerde ze daarom met een ijzige reactie op iedere vraag die haar werd gesteld? Of speelde er meer?

Bij haar uitvaart, vijf jaar geleden, hield de dominee in een volle kerk een indrukwekkende toespraak. Wat had het dorp Maria na de oorlog laten vallen! Wat een vijandige en onverschillige reacties had ze moeten verduren. En dan de bemoeizucht van de kerk, die in ruil voor steun een ongehoorde controle meende te mogen uitoefenen. Ze hadden niets begrepen van medemenselijkheid.

Na de begrafenis vonden haar kinderen in haar trouwboekje de ontroerende laatste brief van hun vader uit kamp Amersfoort: ‘Zal je niet hele dagen over me denken want dan heb je niet veel leven.’ Het was een brief die, tot hun teleurstelling, geen antwoorden bracht. Wat voor man was hun vader? Waarom werd zijn verrader nooit opgespoord? Hoe waren zijn laatste maanden? En vooral: waarom zweeg Maria?

Jan de Visser

Jan de Visser was mijn opa. Zeventig jaar na zijn dood ga ik op zoek naar het verhaal dat ontbreekt. Ik spreek met dorpelingen, zoek in archieven, raadpleeg strafdossiers van veroordeelde oorlogsmisdadigers, doe navraag bij mensen die Maria in vertrouwen heeft genomen, ik bezoek kamp Amersfoort en reis naar Neuengamme, het concentratiekamp waar hij stierf. En ik traceer een voormalige landwachter die bij de arrestatie aanwezig was, de enige van de groep van twaalf die nog leeft.

In de archieven, waar ik dossiers vol vloeipapier doorlees, tref ik kinderen en kleinkinderen die met dezelfde zoektocht bezig zijn. Vraag het aan het Rode Kruis, waar medewerkers van het oorlogsarchief vorig jaar twaalfhonderd verzoeken om informatie behandelden. Hoor hoe bij kamp Amersfoort wekelijks vijf tot tien vragen binnenkomen over een vader of een opa die daar heeft gezeten maar er nooit over heeft gesproken. Ook bij de stichting 1940-1945 en bij de stichting vriendenkring Neuengamme melden zich iedere week kinderen van oorlogsslachtoffers die zeggen dat ze er nu aan toe zijn om te achterhalen wat er met hun vader is gebeurd.

Pas als ouders zijn overleden, en hun zwijgzaamheid de familie niet langer belast, ontstaat er ruimte voor een zoektocht, zegt psychiater Bas Schreuder, oud-directeur van Centrum 45 en emeritus-hoogleraar transgenerationele oorlogsgevolgen. Ooit vatte hij de psychische gevolgen van het jarenlange stilzwijgen samen in één volzin: ‘Wat niet weet, wat wel deert.’

De kinderen van Jan en Maria zijn nu zeventigers en nog altijd is hun vader een vreemde, zijn dood omgeven met raadsels. Oudste zoon Cees schreef jaren geleden brieven naar het ministerie van Justitie met vragen over de toedracht, maar stuitte op niet-openbare dossiers. Op de map waarin hij de afwijzingen bewaart, heeft hij het woord neer gepend dat sindsdien zijn gemoedstoestand weergeeft: ‘Afgesloten.’ Dochter Koos is altijd blijven proberen om haar moeder tot spreken te bewegen, pogingen die steevast werden beantwoord met een nukkige afweer. Haar leven lang heeft ze daar last van gehad, zegt ze, een juk dat pas verdween toen haar moeder overleed.

Jan de Visser jr. en zijn dochter bij de namenlijst in Neuengamme.

Jongste zoon Jan draagt de naam van zijn vader, een vader die hij nooit heeft gekend en die nooit van hem heeft geweten – een miskenning die hem vanaf zijn vijftigste intens bezighoudt. Hij herinnert zich de eerste keer dat hij het concentratiekamp bezocht, een tocht die hij daarna nog zo vaak zou maken. Hij liep het pad dat zijn vader had gelopen, sliep in zijn camper vlak bij de plek waar hij zich had doodgewerkt, las zijn naam op de muur van het monument, te midden van duizenden anderen. ‘Dichterbij kon ik niet komen’, zegt hij, en nog altijd emotioneert hem dat.

Blijf getuigen, schreef psychiater en kampoverlevende Andries van Dantzig in het boek Nederlanders in Neuengamme: zo was het, dat hebben onze geliefden meegemaakt, dat kan een mens een mens aandoen. ‘Die getuigenis kan niet meer worden uitgewist.’

1.

In de zomer van 1944 is Vrouwenpolder vergeven van de Duitsers. Ze zitten bij de bakker in het achterhuis, vorderen het pension van de kunstschilder, verjagen de timmerman uit zijn woning. De kleine badplaats, op de kop van het eiland Walcheren, is een strategisch punt in de verdedigingslinie tegen de geallieerden. In de duinen zijn tientallen bunkers aangelegd, het gebied rond het dorp ligt vol mijnen.

De bevolking is vriendelijk tegen de bezetters. Maar onder de kalme berusting van het dorp, broeit het verzet. Bakker Marinus van den Broeke ontvangt gecodeerde berichten via de radio en regelt opvangplekken voor onderduikers. Musicus Jan Hekhuis is koerier van illegale kranten. Kunstschilder Jos But herbergt onderduikers op de zolder van het gemeentehuis waar hij conciërge is. Ook de timmerman en een paar landbouwers hebben een onderduiker in huis.

Molenaarszoon Jan de Visser heeft zijn radio afgestemd op de Engelse zender. Hij is in zijn woonplaats aangesteld als hoofd van de ordedienst, een organisatie die is opgericht om na de bevrijding chaos te voorkomen. Veel werk levert dat nog niet op. Met zijn tweede illegale baan heeft hij het drukker. Sinds een jaar werkt hij voor de LO, de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers. De organisatie, ontstaan in 1942, beschikt over een fijnmazig regionaal netwerk.

Jan brengt, dwars door de weilanden, onderduikers weg die bij bakker Van den Broeke worden aangemeld. Verder krijgt hij instructies van de ondergrondse uit Middelburg: hij moet tientallen duikadressen in de regio van voedsel voorzien, een klus die lastiger wordt naarmate de oorlog voortduurt en steeds meer mensen onderduiken. Waar haal je voedsel vandaan als het aantal valse bonkaarten niet langer toereikend is?

De LO gaat noodgedwongen over op voedselvoorziening in natura en richt daarvoor een commissie op die de verdeling per regio organiseert. Jan doet een ronde langs de boeren in de omgeving. ’s Nachts loopt hij te sjouwen met kilo’s tarwe die hij op de molen maalt, en tussendoor vervoert hij zonder bonkaarten zakken met peulen en bonen. Met het geld dat hij beurt, kan hij soms voedsel kopen, en weggeven. Maar hij verdient er vast zelf ook aan, misschien wel fors ook. De Belgische shag die hij weet te bemachtigen, vindt gretig aftrek in het dorp.

Om hem heen gebeurt niets anders: met al het voedsel op de bon, en een controledienst die bij landbouwers alle opbrengsten napluist, is zwarthandel ook op het platteland van Vrouwenpolder een sport geworden. Graan wordt gretig verstopt, niet-geregistreerde aardappelen, eieren en melk worden verkocht. De economische rechtbank in Middelburg heeft het er maar druk mee: het regent boetes voor de dorpsbewoners. Ook Jan wordt veroordeeld, voor het kopen en vervoeren van witte en bruine bonen zonder bon.

De gereformeerde kerk in het dorp ziet het met lede ogen aan. Vooral Jan moet het ontgelden. Opstandig, wars van de kerkelijke voorschriften, werkt hij op zondag door, voor het oog van de dorpelingen. De kerkenraad vermaant hem. Het laatste Avondmaal vieren en dan op de dag des Heren gewoon verder handelen, dat is zondigen in leven en leer! Maar Jan haalt zijn schouders op en wuift de beschuldigingen weg.

Als Maria vraagt naar het verzetswerk van haar man, ontwijkt hij een antwoord: ‘Het is beter dat je het niet weet.’ Dat hij in de molen van zijn vader munitie bewaart, die daar af en toe door iemand van de ondergrondse wordt opgehaald, vertelt hij ook maar liever niet.

Die dinsdagavond werkt hij op het land van Pieter Melis, een boer net buiten het dorp. Hij moet vlas trekken, het is warm, de dag ervoor heeft hij zonder hemd in de brandende zon gewerkt en heeft hij zijn rug vreselijk verbrand. Zijn vriend en naamgenoot Jan de Visser herinnert zich hoe hij zich die morgen had beklaagd: hij had de hele nacht uit het dakraam gehangen om wat koele lucht te vangen. ‘Toen ik later hoorde dat hij bij zijn arrestatie zo had geschreeuwd, dacht ik meteen aan zijn rug.’

Als hij zijn vriend om 6 uur ’s avonds gedag zegt en naar huis fietst, weet hij niet dat ze elkaar nooit meer zullen zien.

2.

Adrie Bierens heeft zomervakantie en zijn vader heeft hem een bijbaan bezorgd. Amper 17 jaar is hij en opeens krijgt hij een pistool met munitie en mag hij op het Zeeuwse platteland persoonsbewijzen controleren en assisteren bij huiszoekingen. Zijn vader, NSB’er Ko Bierens, is in Middelburg afdelingscommandant van de landwacht, een soort hulppolitie die de orde moet handhaven. Zoon Adrie komt in dienst als hulplandwachter. Op dinsdagavond 25 juli staat Vrouwenpolder op het programma: Dorpsdijk 11, huiszoeking.

Dorpsdijk 11 in Vrouwenpolder

Ko Bierens heeft over de bewoner van nummer 11 een anoniem briefje gekregen, een papiertje vol taalfouten maar met belastende informatie. Het is de tweede brief al. Een paar weken eerder heeft hij er tevergeefs huiszoeking gedaan en eigenlijk heeft hij geen zin om weer te gaan kijken. Maar nu ligt er een nieuw bericht, aan het handschrift te zien van dezelfde afzender, met meer details, over een radio, valse bonnen, geld en onderduikers. Dus stapt Bierens, met elf manschappen, opnieuw op de fiets. Het briefje gooit hij weg.

Adrie beleeft niet veel plezier aan zijn nieuwe baan. Hij vindt het vreselijk dat al zijn vrienden op het Middelburgse gymnasium hem doodzwijgen nu hij lid is van de Jeugdstorm. Hij loopt altijd alleen naar huis. Zijn moeder is erop tegen dat haar man hun zoon bij zijn werk betrekt, werk dat ze verfoeit, maar vader is de baas, en als hij zegt dat het goed is, dan zal dat wel zo zijn.

Adrie Bierens is nu 88 jaar. ‘Ik was een kind nog, een kind met een pistool’, zegt hij, terugblikkend. ‘Goddank heb ik nooit geweld gebruikt.’

Nee, dat geweld komt die avond van de rest van de groep. Terwijl Adrie buiten op wacht staat, sleuren de landwachters Jan uit zijn bed en schoppen hem de trap af. Maria moet boven blijven, terwijl ze hoort hoe Jan beneden in de huiskamer in elkaar wordt geslagen, wordt vastgebonden en met een gummiknuppel wordt bewerkt. In een luik boven de kachel vinden ze de radio, in de kast een pot met zilvergeld en een boekje met adressen. De landwachters vragen hem waar de onderduikers zitten. Jan houdt zijn mond. De vervalste papieren heeft hij in de Bijbel verstopt.

Mientje van den Broeke, de 15-jarige dochter van de bakker, zit die avond nog laat met haar zus achter het venster van het schuine dak. Het dorp is verduisterd, maar af en toe werpt de nabijgelegen vuurtoren een bundel licht over de Dorpsdijk. Aan de overkant van de straat ziet ze mannen lopen met zaklampen. ‘Het is al zo lang geleden’, zegt ze, ‘maar ik hoor Jan nog altijd schreeuwen en huilen. Zijn arrestatie heeft in het dorp diepe indruk gemaakt.’ De halve straat getuigt later, in het proces tegen Bierens, wat ze die nacht hebben gehoord. ‘Beestachtig’, beschrijft de buurvrouw. ‘Niet menselijk meer’, aldus een buurman.

Portret van Jan Franse, uit Bromsnor in Zeeland van Albert L. Kort.

Jan Franse, de plaatselijke marechaussee die uit zijn bed wordt gehaald, weigert om proces-verbaal op te maken. De landwacht is helemaal niet bevoegd om zomaar huiszoeking te doen. Daarom wordt in het holst van de nacht ook de Sicherheitsdienst nog opgetrommeld. Vijftien man drommen samen in het kleine huisje op de dijk. Jan staat buiten, murw geslagen, en vergeet te vluchten. Als Maria om 6 uur de volgende ochtend voorzichtig naar beneden komt, treft ze een kamer aan vol bloed.

Jan is dan al op zijn eigen fiets onderweg naar Middelburg. Samen met landbouwer Abraham Mesu, die na hem is opgepakt, en die achterop zijn fiets een jutezak met in beslag genomen zilvergeld meesjouwt. Mesu mag de volgende dag naar huis, alleen zijn fiets is hij kwijt. Jan wordt vastgezet in het huis van bewaring. Zijn werkgever, boer Melis, haalt ijlings de onderduiker weg die Jan een paar dagen eerder bij hem heeft afgeleverd.

Burgemeester Maas van Vrouwenpolder doet pogingen om zijn dorpsgenoot vrij te krijgen, zo valt te lezen in het boek De jacht op het verzet, waarin de arrestatie van Jan de Visser wordt beschreven. Tevergeefs. De dag erna wordt de burgemeester ontslagen omdat hij de bezetter tegenwerkt.

Vijf dagen later fietst ook Maria over de grindweg naar Middelburg. Tot haar ontzetting hebben de Duitsers besloten om Jan naar een strafkamp te sturen. Het is 5 uur ’s morgens, over een uur vertrekt zijn trein naar Amersfoort. Nog even kan ze met hem praten, ze mag mee tot het dorpje Rilland-Bath. De rokken van haar klederdracht verhullen haar beginnende buik. Ze vertelt hem niet dat ze weer zwanger is.

In de trein geeft hij haar zijn trouwring en horloge. Ze krijgt nóg een ring in haar handen gedrukt. Verzetsman Bram de Muijnck, die vier dagen voor Jan is opgepakt, vraagt Maria om zijn trouwring bij zijn vrouw af te geven. Maria houdt haar belofte. Het is het begin van een levenslange vriendschap.

3.

Hij moet kapotte voeten hebben van de veel te kleine klompen, zijn kop is kaalgeschoren, de oude uniformkleding zit beroerd, soms staat hij ’s avonds urenlang op appel en de kampcommandant is een sadist. Maar de brief die Jan eind augustus vanuit kamp Amersfoort naar huis stuurt, is opgewekt van toon - een gevolg vermoedelijk van de Duitse censuur. Hij hoeft geen zwaar werk te doen, zijn nieuwe vriend Bram is nog bij hem en het kampleven is draaglijk. Vier kantjes schoolschrift op voorgedrukt postpapier: ‘Dag lieve vrouw, dag Keesje, Koosje, daaag.’ Het worden zijn afscheidswoorden.

Want een maand later slaat de sfeer in het kamp om. De Duitsers raken nerveus. In de verte klinkt het gebrom van geallieerde vliegtuigen, en begin oktober raakt het kamp overvol als er in een klap 661 gijzelaars bijkomen die bij een razzia in Putten zijn opgepakt. Op woensdag 11 oktober worden 1.440 gevangenen in allerijl op transport gezet. Onder hen Bram de Muijnck, kampnummer 3970 en Jan de Visser, kampnummer 3971.

Als ze ’s middags door de straten van Amersfoort naar het station lopen, maakt een kampcommandant twee foto’s: mannen met een hoed op, een koffer in de hand, onwetend van hun eindstation. De jassen zitten ruim om de schouders, Jan weegt geen 60 kilo meer. Bram loopt vooraan, de blik naar beneden gericht.

Kampgevangenen in Amersfoort

Drie lange dagen en nachten duurt de reis, met alleen een paar voederbieten voor onderweg. Veertien gevangenen springen vlak na vertrek uit de rijdende trein. Zij vertellen later dat in de volgepakte wagons niemand de ernst van de situatie inzag. Dat verandert als de groep zaterdagnacht uitgehongerd, doodmoe en snakkend naar water aankomt in niemandsland: Neuengamme, 30 kilometer oostwaarts van Hamburg, het is koud en het regent. Het kamp, berekend op tienduizend gevangenen, herbergt er dan al drie keer zoveel.

Diezelfde nacht worden ze met een bot scheermes over hun hele lichaam kaalgeschoren. Na een koude douche staat Jan naakt en nat op de appelplaats waar de kampkleding wordt uitgedeeld: dunne vodden en kapotte schoenen. 3 meter hoog stroomdraad, stinkende barakken, knagende honger, mishandelingen, mensen in doodsnood: Jan is terechtgekomen in een wereld vol waanzin. Neuengamme, vooral bestemd voor politieke gevangenen, is geen vernietigingskamp, maar wel een kamp waar mensen worden vernietigd. Vernichting durch Arbeit, dat is het doel: gevangenen laten werken tot ze creperen.

Drie weken later marcheren lange rijen Duitse soldaten langs het huis van Maria het dorp uit, de handen in de lucht. Wekenlang hebben Britse bommenwerpers luchtaanvallen op de Zeeuwse kust uitgevoerd en de Duitsers gedwongen zich terug te trekken. Op 8 november geven ze zich in Vrouwenpolder over. Daar wordt, vlakbij haar huis, de capitulatie van Walcheren getekend.

Het is een chaos; om de Duitsers tot overgave te dwingen hebben de geallieerden de dijken gebombardeerd. Walcheren staat onder water, alleen een deel van het hoger gelegen Vrouwenpolder is gespaard gebleven. Het dorp is overspoeld met evacués van het omringende platteland, zelfs de kerk zit er vol mee. Maar wat kan het Maria schelen. Zeeland is vrij, nu zal Jan snel thuiskomen!

Foto: AP

Maar Jan staat, ver weg in Duitsland, elke dag tot aan zijn knieën in ijskoud water te spitten. Kort na aankomst in Neuengamme is hij op transport gesteld naar een van de buitenkampen. In Husum, 150 kilometer boven Hamburg, moeten metersdiepe tankgrachten worden gegraven om de oprukkende geallieerden tegen te houden. Bram is hij kwijtgeraakt.

Werkdagen van 12 uur, in drassige velden waar de ijzige wind altijd waait, met als rantsoen een roestige bak waterige soep en een stuk beschimmeld brood, slapen met drie man in een smerige eenpersoonsbrits, de terreur van de kampbewakers en overal infecties, open wonden, buikloop. In Husum, zegt oud-gevangene Jan van der Liet (89), werden de grenzen van wreedheid bereikt. Hij herinnert zich zijn onbeschrijflijke eenzaamheid, te midden van rottende, stervende mensen. ‘In Husum bad men om de dood in plaats van om bevrijding.’

Half december, als de grachten gereed zijn, keert de afgebeulde en uitgemergelde groep terug in Neuengamme. Van de tweeduizend gevangenen zijn er geen vijfhonderd meer over. Jan zit erbij. Hij kan nauwelijks nog op zijn benen staan. Vlak voor Kerst belandt hij op de plek waar hij het slechtst af is: de overvolle ziekenbarak, waar, zoals het boek Nederlanders in Neuengamme vermeldt, ‘het grote sterven’ is begonnen. De omstandigheden zijn er zo gruwelijk dat genezing is uitgesloten: zieken liggen boven op elkaar, medicijnen zijn er niet, en het verband bestaat, in de woorden van Jan van der Liet, uit ‘een oude Duitse krant’.

Op de appelplaats staat op heilige avond een kerstboom. Het sneeuwt, een Hongaarse gevangene krijgt toestemming om viool te spelen. Hoort Jan in de aangrenzende ziekenbarak de ontroerende muziek? Hoort hij hoe duizenden mannen zachtjes meezingen, allemaal in hun eigen taal? Het Stille Nacht als requiem voor een dappere Zeeuw. Gevangene H 57090 overlijdt in de nacht van 27 december, om tien voor half 2, een dag na zijn vriend Bram. Buiten vriest het 10 graden.

Zijn lichaam wordt verbrand in het crematorium naast de ziekenbarak, zijn as wordt uitgestrooid over de moestuinen van de SS’ers. Een maand later bevalt Maria van hun derde kind, een zoon. Ze noemt hem Jan. ‘Het is nog een troost om te weten dat uw man op een bed gestorven is’, schrijft een ex-gevangene haar later.

4.

Maria is in financiële problemen geraakt. Na de arrestatie van Jan heeft ze bezoek gehad van Middelburgse verzetsleden. De groep belooft haar financieel te onderhouden; iedere week krijgt ze 15 gulden. Als de Zeeuwse ondergrondse eind 1944 ophoudt te bestaan, doet ze een beroep op de gemeente. Het leidt tot gesteggel over de hoogte van de uitkering want hoeveel verdiende Jan nu eigenlijk? In het voorjaar zit ze weken zonder geld als ze een deel van de uitkering moet terugbetalen.

Als ook boven de rivieren de bevrijding wordt gevierd, groeit haar onrust. Ze begint aan een zoektocht. Ze laat een bericht omroepen bij radio-omroep Herrijzend Nederland, ze schrijft brieven naar gevangenen die zijn teruggekeerd. Maar het spoor loopt dood in kamp Amersfoort.

Dertien maanden nadat Jan verdween, krijgt ze eindelijk duidelijkheid. In augustus 1945 valt er op de Dorpsdijk in Vrouwenpolder een brief in de bus van het afwikkelingsbureau concentratiekampen. De boodschap is vernietigend: Jan is dood. ‘Je moet er maar niet aan denken hoe het leven nu worden zal’, schrijft de vrouw van Bram haar een paar weken later.

In het dorp zijn de praatjes dan al op gang gekomen. Jan heeft zijn arrestatie aan zichzelf te danken, had hij maar niet zo onvoorzichtig moeten zijn. Een branieschopper was het, die de Duitsers graag uitdaagde, en de kerk tartte door op zondag te handelen. Hoezo oorlogsslachtoffer? Als koningin Wilhelmina op haar bevrijdingstournee het naburige Oostkapelle aandoet en daar Maria de hand schudt, klinkt achter haar rug het gefluister: Wat moet zij daar, die vrouw van een zwarthandelaar?

Wilhelmina bezoekt Oostkapelle. In het midden staat Maria.

Een voormalig lid van het dorpsverzet schrijft eind 1945 een venijnige brief aan de organisatie van oud-illegaal werkers, waarin hij niets van Jan overeind laat. Nooit heeft hij hem op enig verzetswerk kunnen betrappen. Met zijn zwarte handel heeft hij alleen maar aan de oorlog verdiend. De kerkenraad heeft hem niet voor niets op zijn gedrag aangesproken.

Is het onwetendheid of toch jaloezie? Omdat Jan zich met zijn ondergrondse werk op de stad richtte? En Maria na zijn arrestatie, in haar verwarring, de steun van het plaatselijke verzet afwijst omdat ze al geld krijgt uit Middelburg? Onderlinge na-ijver tussen oud-verzetsleden komt na de oorlog veel voor. Prins Bernhard schrijft er een narrige instructie over aan de Zeeuwse districtcommandant: mag het nu eens afgelopen zijn met de mensen die hun eigen verzetsmentaliteit en prestaties hoger aanslaan dan die van anderen?

Jan, die druktemaker, de non-conformist die zo afwijkt van de meeste dorpelingen, heeft de beeldvorming niet mee. En de kerk tegen. Misschien speelt ook de kerkscheuring een rol, het theologische conflict binnen de gereformeerde kerk dat aan het einde van de oorlog uitbreekt en ook in Vrouwenpolder tot twee kampen leidt. Een deel van de geloofsgemeenschap sticht een eigen, vrijgemaakt, kerkgenootschap en stapt zelfs naar de rechter om de eigendomsrechten te verwerven op het kerkgebouw. Maria gaat niet mee met de vrijmaking. Ze doet haar boodschappen voortaan alleen nog bij winkeliers uit haar eigen geloofsgemeenschap.De vrijmaking laat diepe sporen na, dorpelingen mijden elkaar.

Heel even laat de stichting 40-45 zich door het gekonkel uit het veld slaan: Maria krijgt geen oorlogsuitkering want haar man was geen verzetsstrijder. Pas als haar broer zich ermee bemoeit en nader onderzoek uitwijst dat Jan toch echt voor de ondergrondse werkte, komt het goed.

Houdt die kwaadsprekerij in het dorp ook de verrader buiten schot? God is een rechtvaardige rechter die de zondaar straft, klinkt het vanaf de preekstoel, maar elke zondag die Maria met haar kinderen in de kerk zit, beseft ze dat er ergens een judas rondloopt. ‘Als ik weer thuis ben, grijp ik hem’, had Jan haar gezegd tijdens hun laatste gesprek in de trein. Wist hij wie het was? Wie had er zo’n hekel aan hem dat hij twee anonieme briefjes bij de vijand in de bus gooide? Had Jan het verraad misschien over zich afgeroepen door te enthousiast de berichten van radio Oranje te verspreiden?

Dorpsmarechaussee Jan Franse schrijft de officier van justitie in Middelburg in september 1945 een brief, waarin hij aandringt op onderzoek naar de verrader. Het moet iemand geweest zijn, concludeert Franse, die hem goed heeft gekend. ‘Vanaf den eersten dag dat hij weggevoerd was, bestaat het sterke vermoeden dat hij door iemand bij de landwacht is aangebracht en wel om deze reden: het is uitgesloten dat een vreemd persoon die voorwerpen zomaar voor het wegpakken heeft in een anders woning, daar moeten ze meer van geweten hebben.’ Op zijn verklaring, die berust in een van de oorlogsdossiers bij het Nationaal Archief, staat in de kantlijn met rood potlood een vraag gekrabbeld: ‘Wie?’

In alle Zeeuwse gemeenten worden na de oorlog inlichtingencommissies benoemd, waar iedereen zich kan beklagen over ‘onvaderlands gedrag van plaatsgenoten’. Maar waar in andere plaatsen soms gedetailleerde lijsten met gevaarlijke personen worden aangeleverd, blijft het in Vrouwenpolder nagenoeg stil. De commissie bestaat, zoals overal, uit plaatselijke oud-verzetsleden. Het animo van de commissie om zich te buigen over de zaak van Jan de zwarthandelaar is vermoedelijk niet groot geweest.

Misschien wordt een aangifte ook belet uit vrees voor tegenmaatregelen, zoals de Zeeuwse historicus Jan Zwemer schrijft in zijn boek Zeeland 1945-1950. Achting voor hoger geplaatsten of de angst om als verklikker te boek te staan spelen de commissies overal parten. De verrader, zegt Zwemer, zou weleens helemaal geen ideologische motieven gehad kunnen hebben. ‘De bezettingsjaren en ook de periode vlak na de bevrijding werden gebruikt om dorpse vetes uit te vechten’, vertelt hij. Controverses met het verzet, bedoelt hij, hadden lang niet altijd met het verzet te maken maar legden hele andere tegenstellingen bloot. De talrijke verraadzaken die de jaren na de oorlog bij het bijzondere gerechtshof in Middelburg belanden, geven daarvan een onthutsend beeld. Van ruzie en ontrouw tot een te laag salaris, het blijkt genoeg om plaatsgenoten, werkgevers, zelfs familieleden en echtgenoten bij de Duitsers aan te geven. Vaak hebben de verraders geen idee wat ze aanrichten.

Maria weerspreekt de laster niet. Misschien wil ze dat niet, stuurs als ze is; misschien kan ze het niet omdat ze weinig weet van het verzetswerk van Jan; misschien heeft ze er, moe van alle emoties, de energie niet meer voor. Ze voelde zich vertrapt, vertelt een vriend, door mensen die zomaar wat riepen. Een half jaar lang nog houdt ze zich staande maar dan stort ze in. Ze vertrekt met de kinderen naar haar zus in Voorburg. De condoleancebrief van koningin Wilhelmina wordt nagestuurd.

5.

Adrie Bierens vlucht op Dolle Dinsdag Op "dolle" dinsdag 5 september 1944 wordt er in het hele land feest gevierd omdat mensen verwachten dat het land elk moment kan worden bevrijd. De geallieerden rukken op, ze zijn al bij Antwerpen. Op maandagavond 4 september meldt minister-president Gerbrandy via radio Oranje ten onrechte dat Breda al bevrijd is. Mensen gaan op zoek naar vlaggen en wimpels om de bevrijders te verwelkomen. Overal slaan Duitsers en NSB’ers in paniek op de vlucht. Totdat duidelijk wordt dat de geallieerde troepen niet sterk genoeg zijn om heel Nederland snel te bevrijden. De Duitsers winnen eind september de slag bij Arnhem en het duurt nog tot 5 mei 1945 voordat heel Nederland bevrijd is. met zijn vader weg uit Zeeland. Ook onder de landwachters is paniek uitgebroken over de opmars van de geallieerden en Adrie verruilt in september 1944 de Middelburgse schoolbanken voor een rommelige trektocht door bezet gebied. Weer heeft hij niets te vertellen, zijn laatste gymnasiumjaar maakt hij niet af.

In het voorjaar van 1945 komt hij in Utrecht uit. Onder de Dom geeft hij zich over. Zijn vader is dan al bij Baarn door Canadese troepen gevangengenomen. Vanuit een Belgisch krijgsgevangenenkamp schrijft Ko Bierens in de zomer van 1945 een blijmoedige kaart aan zijn vrouw: ‘Maak het uitstekend. Hier prachtig weer. Hoop spoedig weer thuis te zijn.’ Adrie zit intussen in een interneringskamp in Noord-Brabant. Eind 1945 keren vader en zoon als gevangenen terug naar Zeeland.

Het duurt tot begin 1947 voordat Adrie Bierens zijn straf verneemt. Zijn rechtszaak bij het Bijzonder Gerechtshof in Middelburg trekt veel media-aandacht. ‘Landwachter op verzoek van zijn vader’, kopt de Provinciale Zeeuwse Courant. Het Zeeuwsch Dagblad schrijft over de ‘bedorven NSB-sfeer’ waarin de vader de zoon heeft meegetrokken en over het berouw van de 19-jarige gymnasiast, die dacht dat hij goed deed omdat zijn vader dat zei. Drie jaar lang brengt hij door in een jeugdinrichting in Zutphen. ‘Mijn vader was een rare man’, zegt hij er zeventig jaar later over. ‘Maar het was wél mijn vader. Hij heeft erg zijn best voor mij gedaan.’

Een jaar na de zoon verschijnt de vader voor zijn rechters. Maria krijgt een oproep om te komen getuigen. Het is een bijzonder gezelschap dat op vrijdag 6 februari 1948 om 10 uur ’s morgens de rechtbank van Middelburg binnenloopt: een limonadefabrikant uit Vlissingen, een manufacturier uit Koudekerke, een monteur uit Middelburg, een gepensioneerd hoofdonderwijzer uit Arnemuiden en twee weduwen. De publieke belangstelling is niet eerder zo groot geweest, de beruchte mensenjager heeft zich gehaat gemaakt op heel Walcheren. ‘Zeldzaam misdadig’, noemt de rechtbankpresident zijn lange lijst vol wandaden, waarbij zijn gedrag in Vrouwenpolder ‘wel het allerergste’ is geweest. Bierens krijgt levenslang. Hij wekt niet de indruk zich van de ernst van zijn misdragingen bewust te zijn, vermeldt het vonnis. In hoger beroep wordt zijn straf omgezet in 20 jaar cel.

Nog één keer moet Maria haar verhaal doen, als in Den Haag een tweede landwachter wordt berecht: plaatsvervangend commandant Gerard Porton, die bij haar thuis de radio ontdekte en haar man daarna bruut mishandelde. Porton krijgt 9 jaar gevangenisstraf.

Het gezin De Visser net na de oorlog

Terug in Vrouwenpolder neemt de armoede bezit van het gezin. De diaconie schiet te hulp, maar het armenbestuur van de kerk wil in ruil daarvoor wel precies weten waar Maria het toegekende geld aan uitgeeft. Het leidt tot benauwende huisbezoeken, waarbij ze verantwoording moet afleggen. Ze voelt zich vernederd, van alle kanten bekeken: ze leeft van de armen en daar moet ze zich naar gedragen ook. Als ze van de bakker een kerstbrood krijgt, trekt de kerk het extraatje voor de feestdagen in. Na een paar jaar kan ze er niet meer tegen. Dochter Koos herinnert zich de scène in de woonkamer: ‘Ik verdien het wel met mijn eigen klauwen’, had ze geschreeuwd. En dat doet ze. Ze verzorgt de was voor dorpsgenoten en toeristen, later maakt ze het gemeentehuis schoon.

Terwijl het kaalgeslagen Walcheren zich langzaam ontdoet van het zilte water en aan een moeizame wederopbouw begint, doet Adrie Bierens op zijn oude school eindexamen en kan voormalig landwachter Porton al snel weer gewoon in zijn pension aan de slag. De oorlog is ver weg, iedereen is druk met zichzelf. Jan de Visser, de jonge vriend en naamgenoot van haar man, zegt het zo: ‘Ik zag Maria weleens en dan keek ik haar aan en zij mij en dan dachten we een hoop maar we zeiden niets. Zo ging dat, toen.’

Ook Adrie Bierens houdt na de oorlog zijn mond. Hij volgt een opleiding tot chemisch analist en vertrekt uit Zeeland als hij elders een baan krijgt. Alleen zijn vrouw en zijn schoonvader krijgen zijn verhaal te horen. Om een bijzondere reden: zijn vrouw heeft joods bloed, haar vader heeft in de oorlog ondergedoken gezeten. ‘Onze relatie was een sensatie in beide families. Toen ik haar leerde kennen, heb ik met mijn schoonvader een goed gesprek gehad. Hij begreep wat mij was overkomen en heeft me altijd geaccepteerd.’ Huilend: ‘Dat vond ik groots, het was een daad van vergeving.’

Zijn kinderen heeft hij pas een paar jaar geleden ingelicht, op aandringen van zijn vrouw. ‘Ik wilde ze er niet mee belasten’, zegt hij. Het was geen fijn verhaal, vertelt zijn zoon. ‘Van mijn opa wisten we het, van mijn vader niet.’

Ko Bierens komt na een gratie-verzoek in 1963 vrij. Nooit heeft Adrie het met zijn vader nog over de oorlog gehad. ‘Wat viel er nog te bespreken?’, zegt hij, geëmotioneerd. ‘Door mijn zwijgen heb ik hem hopelijk laten zien dat ik het hem heb vergeven.’

6.

Dertig jaar na de dood van Jan besluit Maria om de plek te bezoeken waar hij stierf. Gedesillusioneerd keert ze terug uit Neuengamme. Ze heeft er niets gevonden. Als een paar jaar later op de begraafplaats van Vrouwenpolder alsnog een monument wordt onthuld voor het enige oorlogsslachtoffer van het dorp, reageert ze woest. Dat verzetsherdenkingskruis waar haar kinderen over beginnen, hoeft ze ook niet. Te laat, zinloos.

Soms, heel even, laat ze iets los tegen een van de kleinkinderen, zeldzame inkijkjes in het trauma van haar leven. Hoe ze hem hadden mishandeld. Dat ze zo lang naar hem was blijven zoeken, hoop had gehouden op zijn terugkeer. Als Maria al ver in de tachtig is, vraagt dochter Koos of ze misschien nog dingen heeft bewaard. Tot haar verbijstering komt ze met een schoenendoos papieren aanzetten: de overlijdensadvertentie, condoleancebrieven, het rouwbeklag van de koningin. Dan pas lezen haar kinderen op welke dag hun vader overleed. Die spullen, zegt Koos, moet ze hebben gekoesterd.

Onbegrijpelijk, zegt dominee Henk de Ruiter, dat Maria de kerk trouw is gebleven. ‘Ze was ervan overtuigd dat het verzet van haar man, zijn gevoel voor rechtvaardigheid, voorkwam uit zijn geloof. Dat ze na de oorlog zo werd weggezet door geloofsgenoten, dat deed pijn. En dan de extreme controle van de kerk. Kwam ze zondag wel naar de dienst met haar kinderen? Ze kon zich er niet tegen verzetten, zo wilde er toch ook bij horen.’

De Ruiter is een van de weinigen met wie Maria aan het einde van haar leven haar verhaal deelt. ‘Haar dorpsgenoten vertrouwde ze niet, maar ik kwam van buiten en dat maakte een gesprek vermoedelijk makkelijker.’ Maria vertelt hem over die fatale julinacht. ‘Hij is zwaar mishandeld, onder de ogen van de dorpelingen en niemand schoot te hulp. Ze waren bang misschien maar ze hadden er toch met een paar kerels op af kunnen stappen? Ze hebben haar laten barsten, zo voelde dat. Ze heeft het ervaren alsof iedereen de andere kant opkeek.’

Jan de Visser is opgenomen in het gedenkboek van het verzet. Hij heeft zich een plaats verworven op de erelijst van gevallenen, een boek met achttienduizend namen dat bij de ingang van de Tweede Kamer ligt en waarvan iedere dag een bladzijde wordt omgeslagen. ‘Hij heeft het offer van zijn leven gebracht voor de bevrijding van het Vaderland’, schreef Wilhelmina in haar condoleancebrief aan Maria. Maar in Vrouwenpolder zijn er nog altijd bewoners die zeker weten dat Jan is weggevoerd vanwege zwarthandel. Dat historicus Loe de Jong in zijn standaardwerk over de bezetting ‘de zwarte kleinhandel’ veertig jaar geleden al heeft witgekleurd, ook daarvan hebben ze geen weet. ‘Wie zwart verkocht was daarom nog geen zwarthandelaar’, schrijft De Jong over al die boeren, bakkers, slagers én molenaarszoons die voedsel achteroverdrukten waar ze konden.

Over de verrader doen in het dorp al heel lang verhalen de ronde. Steeds valt dezelfde naam: het zou gaan om zijn eigen vader. De autoritaire Kees De Visser kon slecht met zijn zoon opschieten, veroordeelde de handel die hij dreef en zou hem een lesje hebben willen leren. Toen Maria buiten adem bij haar schoonouders aankwam om te vertellen dat Jan dood was, had haar schoonmoeder tegen haar schoonvader gesist: ‘Heb je nou je zin?’. Maria heeft nooit durven vragen wat die opmerking te betekenen had. De vader heeft nimmer meer over de zoon gesproken.

Maar er klinkt, heimelijk, nog een naam, van een dorpeling die bij het verzet bekend zou zijn geweest. Maria moet ervan hebben geweten. ‘De verrader zit in mijn eigen kerk’, zei ze ooit tegen een vriend. Ze vroeg hem de informatie geheim te houden, Jan kwam er niet mee terug en het dorp zou op zijn kop staan als de naam bekend zou worden. Het gaat om een notabele, een zeer gelovig man, die kritiek zou hebben gehad op de arbeidsmoraal van zijn dorpsgenoot. Of de vermoedens juist zijn, valt niet meer na te gaan. De man is allang overleden, zelfs zijn kinderen leven niet meer.

Als een van de scenario’s klopt, dan is Jan de Visser niet gestorven vanwege zijn verzet, maar verraden omwille van een banaal conflict.

In Neuengamme, op de plek waar de as van duizenden gevangenen is uitgestrooid, ligt een beeld van een stervende gevangene. Foto: Mark Chambers / CC-BY-SA Van het kamp is weinig meer over. Twee barakken zijn overeind gebleven, de appelplaats ligt er nog, verderop staat een eenzame treinwagon. Aan de overkant van het kamp, boven eindeloze akkers, hangt een zware, grijze lucht.

Foto: Marcel van den Bergh

Maria overlijdt in november 2009, vlak nadat zoon Jan haar in het ziekenhuis heeft bezocht. Ze is gestorven zoals ze heeft geleefd, memoreert hij bij haar begrafenis: alleen. Als een trauma te groot wordt, kan de stilte beschermen, zegt dominee De Ruiter. ‘Daarom zweeg ze, juist tegen de mensen die haar na stonden, om te voorkomen dat ze te dichtbij kwamen.’

Hij besluit om het verdriet van Maria te benoemen in de kerk waar ze zo graag kwam. ‘Ik vond het mijn taak om het aan de orde te stellen. Het is al die jaren verdoezeld. Natuurlijk hebben de dorpelingen zich aangesproken gevoeld. Ze wisten wat ik bedoelde. Veertig jaar heeft het geduurd voordat het monument er kwam. Het kan niet anders of dat heeft te maken met de schaamte van het dorp.’

Tijdens de eerstvolgende dodenherdenking regelt hij dat hij vooraan op de begraafplaats staat. Daar legt hij zijn bloemen op het graf van Maria. ‘Ik dacht, laat ik het dorp uitdagen. En warempel, de rest van de aanwezigen volgde.’ De bloemenzee op haar graf wordt een eerbetoon aan Maria, een verzoening na de dood.


Deel dit artikel op Twitter en Facebook:


Verantwoording Bij het schrijven van dit verhaal heb ik me gebaseerd op gesprekken met twintig mensen die Jan of Maria de Visser hebben gekend. Jan de Muijnck vertelde over zijn vader Bram en leverde de foto van het transport vanuit kamp Amersfoort. Jan van der Liet deelde zijn pijnlijke herinneringen aan Neuengamme en Husum. Bij het Centraal Archief Bijzondere rechtspleging, onderdeel van het Nationaal Archief, raadpleegde ik de strafdossiers van de voormalige landwachters Jacob Bierens en Gerard Porton en van Herman Weideman, werkzaam bij de Arbeits Kontroll Dienst, de hoofdpersonen van de mishandeling en de arrestatie. Ik las er ook de dossiers van de ordedienst gewest 15 (Zeeland) en van de LO op Walcheren. Archivaris Peter Blom van het Zeeuws Archief vond de inschrijving van Jan de Visser in het register van het Huis van bewaring te Middelburg. Het archief in Middelburg bood daarnaast stukken van de politieke opsporingsdienst van het militair gezag Middelburg en van de plaatselijke inlichtingencommissies op Walcheren. Ik ontdekte er ook de briefwisseling over de financiële steun aan Maria van de gemeente. De stichting 1940-1945 stuurde het verzetsrapport en de correspondentie rond de aanvraag van het weduwenpensioen. Huismeester Eddy van der Pluijm van kamp Amersfoort stuurde de kampkaart, de transportkaart en de transportlijst van 11 oktober 1944. Gert Stein leidde rond en gaf informatie over het kampleven. In het oorlogsarchief van het Rode Kruis vond ik onder meer de registratiekaart van de ziekenbarak in kamp Amersfoort. Het boek En God zal alle tranen drogen van Dieter Müller, over de razzia van Putten, bood details over het transport vanuit kamp Amersfoort op 11 oktober en de maanden erna in Neuengamme. Ook deel 10B van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong beschrijft die oktobermaand. Informatie over concentratiekamp Neuengamme vond ik in de boeken Nederlanders in Neuengamme (redactie Judith Schuyf) en Vernichtung durch Arbeit der Fall Neuengamme van Herman Kaienburg. Archivaris Alyn Bessmann van de Gedenkstätte Neuengamme stuurde kopieën van het dodenboek en de kampkaart, archivaris Reimer Möller beantwoordde ter plekke tal van vragen. Historicus Jan Zwemer, auteur van Zeeland 1945-1950, leverde waardevolle gegevens over het na-oorlogse Vrouwenpolder en dacht mee over gesprekspartners. Het boek De Ondergrondse van Coen van Tricht bood algemene informatie over de LO. In het boek Zeeland 1940-1945 van Gijs van der Ham trof ik gegevens aan over onder meer de zwarthandel op het Zeeuwse platteland. In De jacht op het verzet, onder redactie van Ad van Liempt, las ik over de arrestatie van Jan de Visser en het optreden van Bierens. Krantenbankzeeland.nl bood toegang tot tientallen krantenberichten over de oorlogsjaren en de periode erna.