Djoek. Djoek. De klap is oorverdovend. Een bombardement met een drone. Beschreven vanuit een slachtoffer, de militairen die de toestellen op afstand besturen en de media die hier nauwelijks zicht op krijgen

1

De Herder

Het is elf uur in de ochtend als Omar Mahamud Ali in twee donkere ogen kijkt.

‘Meekomen’, zegt de man.

Van zijn gezicht is niets te zien, alleen zijn ogen. De rest heeft hij verborgen onder een roodwitte sjaal. Dreigend staat hij voor Omar.

Achter hem staan nog drie mannen die er precies hetzelfde uitzien. Ze hebben groene legeruniformen. Over hun schouders hangt munitie.

Omar schrikt. Hij probeert op te staan, maar dat gaat moeizaam. Hij zoekt zijn krukken.

In een flits denkt hij terug aan het ‘vliegtuig’ van de Amerikanen. Aan de verschrikkelijke klap die zijn leven voorgoed veranderde en ervoor zorgde dat hij nooit meer goed kan lopen.

‘Hé’, schreeuwt de man opnieuw. ‘Meekomen.’

Omar kijkt recht in de loop van de kalasjnikov. Het regent. Het is herfst 2014 in Somalië, en hij realiseert zich dat dit weleens zijn einde zou kunnen worden.

Dit is het verhaal van Omar Mahamud Ali, een nomade die zijn hele leven al door de steppen en woestijnvlakten van Somalië trekt. Dit is hoe hij zelf beschrijft wat hij heeft meegemaakt. Hij doet zijn relaas via Skype.

Hij is in Mogadishu, in een safehouse. Na een gevaarlijke reis door gebieden van de Somalische terreurbeweging Al Shabaab zit hij in een bewaakt hotel in de hoofdstad. Tijdens de reis is hij beveiligd.

Hij praat via de telefoon van een tussenpersoon. Zelf heeft hij nooit een telefoon gehad, zegt hij. Op de achtergrond klinkt de roep van de moskee.

Omar vertelt zijn verhaal omdat hij een rechtszaak aanspant tegen de ­Nederlandse staat, samen met een clangenoot. De ellende waarin hij zich nu bevindt, is mede ontstaan door Nederland, zegt hij. Met hun zaak worden ze geholpen door de Nederlandse advocaten Göran Sluiter en Liesbeth Zegveld, die eerder betrokken waren bij zaken over Srebrenica en Nederlands-Indië.

‘Voordat dit begon’, zegt Omar, ‘was ik een tevreden man. Nu ben ik alles kwijt.’

Vanuit het safehouse vertelt hij hoe die dag in 2014 volgens hem verloopt. ‘Ik zat onder een boom bij mijn hut’, zegt hij. ‘Het is ongeveer een jaar geleden.’

Terwijl Omar overeind komt denkt hij razendsnel na.

Zijn vader was ook een nomade en hij leerde hem alles wat hij moest weten van het leven op de steppen van Somalië. Maar wat hij moet doen met deze ­kalasjnikov voor zijn gezicht, dat weet hij niet.

‘Wat willen jullie?’, vraagt hij.

De vier zijn van Al Shabaab, de islamitische terreurbeweging die verbonden is met Al Qaida. Al meer dan tien jaar houden ze Somalië in hun greep.

‘Er zijn heel veel klachten over jou’, blaft een van de gemaskerde mannen.

‘Ze zeggen dat jij geen zakat wil betalen’, zegt een ander.

Omar kijkt hen aan. Hij weet wat ze bedoelen. Hij is een man met vijf kinderen. Drie jongens, twee meisjes. Lang, sterk en gehard door het leven in de Somalische zon. Ze hebben geregeld honger. Samen met de andere leden van hun clan trekken ze rond. Telkens bouwen ze hun ronde hutten weer op, zodra ze een plek vinden waar hun geiten kunnen grazen. In de dorpen verkopen ze geitenmelk, brandhout en houtskool.

Eens in de paar maanden moet iedereen aan Al Shabaab belasting betalen: zakat. Geld. Dollars. Of wapens. En als dat niet lukt: een kind.

Hij weet het. Ze willen een van zijn zonen. Zijn sterke jongens van 16, 18 en 22 die hij al zo lang bij hen weg probeert te houden. Al Shabaab wil jongens hebben om te vechten.

Hij heeft gehoord wat ze doen als mensen hen niet betalen. Ze stoppen je vijf jaar in de gevangenis, of ze hakken je hoofd eraf.

Omar zwijgt. Tot voor kort viel zijn bezit samen te vatten in enkele woorden.

Veertig schapen en geiten.

Een klein beetje geld.

Maar daarvan is sinds het ‘vliegtuig’ vrijwel niets over. Hij wijst op zijn been.

Onder de knie zit een stomp. Zijn onderbeen is geamputeerd. De afstanden die hij vroeger aflegde voor zijn geiten, zijn nu niet meer te doen. Hij en zijn vrouw leven van eten dat stamgenoten afstaan.

‘Ik heb niks’, zegt Omar tegen de mannen. ‘Ik kan je niks geven.’

‘Iedereen moet hier zakat betalen’, schreeuwen ze. ‘Of je nou een been mist of niet. Dat interesseert ons niet.’

Omar duwt zijn magere lijf verder omhoog uit het zand. Hij is een man van in de 50. Helderwitte tanden, waarvan er eentje mist. Hij heeft vriendelijke ogen, die soms bedroefd staan. Op zijn voorhoofd zit een litteken.

Bijna een uur strompelt hij op zijn krukken naar de plaats waar Al Shabaab mensen straft. Onderweg schreeuwen de mannen tegen hem. Een kamp, ommuurd door zandzakken. Omar kijkt om zich heen. Hij heeft geen idee wat ze met hem gaan doen.

Ze stoppen bij een hoge boom. ‘Ze gaan me vermoorden’, denkt hij.

Het verhaal van Omar is het verhaal van Somalië, een land in puin.

Een land met een jarenlange burgeroorlog en een kapotgeschoten hoofdstad.

In Somalië is het ieder voor zich. Met clans, krijgsheren en milities van divers pluimage die elkaar in de chaos op leven en dood bestrijden.

Terreurorganisatie Al Shabaab houdt er al jaren huis. Hun doel is het stichten van een islamitische staat. Ze dwingen burgers zich bij hen aan te sluiten, plegen bomaanslagen, liquideren mensen.

De Amerikanen vechten tegen Al Shabaab vanuit de lucht: met bewapende drones. Daarvoor maken ze gebruik van inlichtingen die ze krijgen van Nederland, dat meedoet aan de antipiraterijmissie in Somalië en daar al jaren telefoongegevens onderschept.

En tussen al deze gevechten leven mensen zoals Omar. Ook op de plekken waar de raketten neerkomen.

Omar kijkt naar de hoge boom. Ze wachten op de amir, de plaatselijke leider van Al Shabaab.

‘De amir had een touw bij zich’, vertelt hij vanaf de hotelkamer. ‘Ze spraken niet meer met me. Ze pakten me meteen op en hingen me aan de boom.’

Even later bungelt hij op zijn kop in de lucht. Het touw zit om zijn been. Omar spartelt. Hij schreeuwt en huilt. ‘Wat willen jullie van mij?’, roept hij.

De mannen hebben een machete. Ze slaan hem op zijn rug met een zweep.

‘We zullen van je krijgen wat we willen’, roepen ze.

‘Laat me los’, schreeuwt Omar. ‘Jullie moeten vrezen voor Allah.’

Hij is bang dat ze zijn hoofd eraf zullen snijden met de machete. ‘Ik ga dood’, denkt hij. Hij hangt er bijna een half uur. Dan geeft hij over en verliest hij zijn bewustzijn.

Somalië, ruim een half jaar eerder.

Het is zondag, 26 januari 2014 en het is vier uur ’s nachts. Op de uitgestrekte vlakte rond Haaway, in het zuiden van Somalië, wordt Omar op zijn dunne matrasje van stro wakker naast zijn vrouw.

‘Vrees voor god’, zegt hij rustig als hij de hut van zijn slapende dochters binnenloopt. Zo vertelt hij hen dat ze moeten bidden. Nimo en Saharo. 8 en 9 zijn ze.

Omar houdt veel van de twee meisjes. De oudste, Saharo, heeft een bijzonder karakter. Elke avond wast ze zijn kleren. Ze knuffelt veel met de babygeitjes, waar ze samen met haar zusje voor zorgt. Voor elk geitje heeft ze een eigen naam. Haar lievelingsgeitje heet ‘Groot Hoofd’. Ze is een mooi meisje met lange haren, zegt Omar.

‘Papa’, zegt ze vaak tegen hem, ‘ik hoop dat jij later in het paradijs komt.’ Zijn vrouw heeft een koosnaampje voor haar bedacht: Bilay. In hun taal is dat een meisje dat ‘goed’ is. Lief voor andere mensen.

De jongste, Nimo, is stiller en maakt vaker ruzie. Ze is lang en sterk voor haar leeftijd.

‘Wees goed voor anderen’, zegt Omar die ochtend. Het zijn de woorden die hij elke dag zegt tegen zijn dochters – als een bezwering.

Hoog in de lucht hangen de Amerikaanse drones. Niemand ziet ze, niemand hoort ze.

Via de drones zien Amerikaanse piloten op afstand wat er op de grond gebeurt. Met grote precisie kunnen ze hun doelen raken met hun Hellfire-raketten.

Vandaag zijn de machines op zoek. Ze speuren naar Ahmed Abdi Al Mohamed, oftewel: Ahmed Godane, een van de oprichters van Al Shabaab. Hij is het vermeende brein achter de bloedige aanslagen op het Keniase winkelcentrum in 2013. Op zijn hoofd staat een beloning van 7 miljoen dollar. Vandaag zullen de piloten van de drone, ver weg in de VS, het commando krijgen om te ­vuren.

Omar en zijn dochters zijn de hele dag met hun geitjes op pad. Eind die middag staat Omar op een geitenpad, vlak bij de grote weg tussen Haaway en Baraawe, als hij auto’s hoort aankomen over de brug. ‘Pick-ups’, vertelt hij. ‘Het waren er veel. Minstens vijf of zes en ze reden heel hard. In de auto’s zaten mannen met wapens. Ik had ze daar al vaker gezien. Dat was de weg die ze altijd namen.’

Het is Al Shabaab. Omar verbergt zich achter een boom op tien passen van de weg.

‘Ga je verstoppen’, roept hij tegen ­Saharo en Nimo. De meisjes rennen richting de bomen. Ze zijn nog niet ­halverwege, als Omar overeind komt. Hij wil naar zijn dochters.

Djoek. Djoek.

De klap is oorverdovend, en de aarde trilt. De tweede klap komt er meteen achteraan. Hij had niet eens de tijd om naar boven te kijken.

De Hellfire-raketten van de drone raken de landcruisers die direct in brand vliegen. De mannen uit de wagens worden later onherkenbaar verminkt teruggevonden, vertelt een getuige aan persbureau AP. Hij vertelt ook dat gemaskerde mannen van Al Shabaab die avond in het donker naar de plek komen, schreeuwend dat god groot is, om de resten uit de uitgebrande wagens te schrapen, in zakken te stoppen, en weg te scheuren.

Uit internationale media blijkt ook dat beoogd doelwit Ahmed Godane die dag niet wordt getroffen. Hij zit niet in de getroffen pick-ups. Wel sterft een andere leider van Al Shabaab: Sahal Iskuduq.

‘Papa’, gilt Nimo. ‘Papá.’

Meteen is er de pijn. ‘Het voelde alsof er een steen door mijn been heen ging’, zegt Omar. ‘En er was iets met mijn hoofd gebeurd. Ik kon niets meer zien.’

Overal is rook, overal zijn grote wolken zand. Het is het laatste dat hij ziet, voordat het zwart wordt.

Nuur Osman Gurey zit ook in het ­safehouse in Mogadishu. Ook hij was er die dag. Via skype beschrijft hij wat hij zag, en bevestigt hij details van Omar’s verhaal.

De harde klap is net geweest, als Nuur naar de plek rent waar hij zwarte rook en hoge vlammen ziet. De plek waar zijn vee stond. Hij ziet terreinwagens branden.

Ineens ziet hij Omar liggen.

Nog geen twee uur geleden zaten ze samen te praten onder de grote boom. Ze zijn nomaden van dezelfde clan. En nu ligt Omar hier bewusteloos op het geitenpad. In zijn hoofd zitten scherven, en zijn been ligt open. Overal is bloed. Verderop liggen dode schapen, geiten en koeien.

Dan ziet hij twee meisjes tussen de karkassen. De dochters van Omar.

Saharo’s lichaam is zwaar beschadigd. Nimo is geraakt in haar buik, maar ze leeft nog. Om hen heen komen de mensen van hun stam aansnellen om hulp te bieden. Iedereen heeft de klap gehoord.

Maar de mannen van Al Shabaab jagen hen weg. Ze willen geen pottenkijkers. De nomaden moeten hun doden en gewonden snel verwijderen.

Voorzichtig tilt Nuur Saharo op. Omars lievelingsdochter. Ze is dood.

Een half uur lang draagt hij het lijkje, op weg naar haar moeder, die nog van niets weet. Hij rent. ‘Ik was bang’, zegt Nuur later, ‘dat er nog een tweede aanval zou komen.’

Met het meisje in zijn armen staat hij voor haar.

‘Sabr’, zegt hij. ‘Wees sterk.’

Haar moeder schreeuwt als ze haar dochter ziet. Maar er is niet veel tijd. Ze wast het lijfje van haar dochtertje. Samen zoeken ze een witte doek, die ze om het meisje wikkelen.

Op de begraafplaats graven ze een kuil, maar een ceremonie houden ze niet. De mannen van Al Shabaab keuren dat af. Ze willen niet dat ze takken op het graf leggen, zegt Nuur.

‘Wegwezen’, roepen ze.

In het safehouse gaat Omar verder met zijn verhaal over de dag van de droneaanval.

Hoeveel tijd er tussen zit is onduidelijk, maar hij opent zijn ogen pas weer in een ziekenhuisbed in Merca.

Daar ziet hij zijn vrouw en Nuur samen bij zijn bed, vertelt hij. Om hen heen is het wit. In zijn hoofd en zijn been voelt hij een stekende pijn. Alles is wazig.

Even denkt hij dat hij thuis is.

‘Wat is dit hier?’, vraagt hij. ‘Wanneer ben ik hier gekomen?’

Zijn vrouw huilt.

‘Sabr’, zegt ze nu tegen hem. ‘Wees sterk. Het kwam van boven, als een daad van God. Hij heeft dit zo geschreven. Zo gaat het in deze wereld.’

Het is haar manier om hem te waarschuwen voor het verhaal dat er komen gaat.

Saharo is dood.

En Nimo ook.

Huilend vertelt ze hem dat Saharo al begraven is. De afgelopen uren zat ze aan het ziekenhuisbed van hun jongste dochter, hopend dat zich een wonder zou voltrekken. Maar de interne bloedingen van het meisje waren niet te stelpen. Nog voordat haar vader zijn ogen weer open kon doen, overleed ook zijn tweede dochter. Met haar moeder naast zich. Vernietigd door de raketten uit de Amerikaanse drone.

Verdoofd door de morfine kijkt Omar naar zijn vrouw, die net hun dochter heeft zien sterven. Hij reageert niet. Het dringt niet goed tot hem door wat ze hem nu eigenlijk vertelt.

De volgende dagen krijgt hij koorts.

‘Het been is niet meer te redden’, zegt de dokter tegen hem.

‘Nee’, protesteert Omar telkens. ‘Het mag er niet af.’

‘Dit been is dood’, zegt de dokter.

Drie dagen houdt hij vol. De arts haalt stukken van de raket uit zijn schedel. Steeds zegt Omar dat hij zijn been wil behouden. Zonder zijn been kan hij nooit meer goed werken.

Gaandeweg verzwakt hij. Zijn been wordt zwart. Soms zakt hij weg door de pijn. Een stamgenoot van hem beslist uiteindelijk: het been moet eraf. Na de operatie ligt Omar nog drie maanden in het ziekenhuis.

‘Ik heb gehoord’, vertelt hij later, ‘dat Al Shabaab in die periode mensen uit de buurt heeft vermoord. Ze vreesden dat het spionnen waren voor de Amerikanen.’

Hij krijgt krukken om weer te leren lopen. Geld voor een prothese is er niet.

Zonder rechterbeen hangt Omar een half jaar later ondersteboven aan de boom op de strafplaats van Al Shabaab. De mannen van Al Shabaab willen hun zakat. Maar als man zonder been heeft hij weinig te bieden. ‘En ik heb geweigerd mijn zoons te geven’, zegt hij.

Dan verschijnt ineens zijn clanoudste. ‘Hij heeft tegen hen gezegd dat hij alles goed zou maken wat ik had misdaan’, vertelt Omar.

De mannen snijden hem los en hij valt op de grond. Ze gooien een emmer water over hem heen.

‘Je krijgt extra tijd van god’, zegt zijn vrouw op de terugweg naar hun hut.

De stamoudste, zegt Omar, heeft mijn leven gered.

‘Ik ben naar de Somalische overheid gegaan’, vertelt Omar. ‘Zij hebben mijn zaak naar de rechtbank gestuurd. Maar zij hebben er niks mee gedaan.’

Via hun netwerk horen ze over een Somaliër die contacten heeft met Nederlandse advocaten. De man heeft eerder bemiddeld bij het vinden van getuigen in piraterijzaken. Samen met zijn clangenoot Nuur, die veel vee verloren heeft, zoekt hij contact. Ze hopen dat ze via hem wat hulp kunnen krijgen.

‘Ik ben mijn kinderen kwijt, zegt Omar. ‘Ik ben mijn vee kwijt, ik ben gehandicapt. Ik begrijp heel goed dat de Amerikanen Al Shabaab uit willen roeien. Maar daarvan ben ik het slachtoffer. Van binnen ben ik zo boos.’

De man reist met hen naar een hotel in Mogadishu, waar ze skypen met Göran Sluiter, een Nederlandse advocaat.

‘Wij denken dat Nederland bij deze aanval een rol heeft gespeeld’, zegt Sluiter volgens het gespreksverslag, doelend op de telefoongegevens die Nederland heeft geleverd aan de VS. ‘Als u het goed vindt, dan wil ik u helpen.’

Hij zegt dat het een lange weg wordt, maar dat het mogelijk is. ‘Het is de eerste keer dat iemand die hier slachtoffer van is, probeert de schade vergoed te krijgen in Nederland. Want meestal kunnen deze mensen geen advocaat vinden.’

Samen besluiten ze tot een zaak tegen de Nederlandse staat.

‘Dit is een principiële zaak’, zegt ­advocaat Göran Sluiter. ‘Het is een klassieke schending van het oorlogsrecht. Een droneaanval mag alleen worden uitgevoerd zonder onschuldige slachtoffers in de buurt. Kennelijk worden de drones niet met de nodige zorgvuldigheid bestuurd. Mogelijk wordt gehoopt dat dit soort slachtoffers niet in staat zijn om een advocaat te zoeken.’

Hij noemt het handelen verwijtbaar:  ‘Ze hadden deze mensen kunnen zien. Bovendien was er veel vee in de buurt; een duidelijke aanwijzing.’

Namens de Amerikaanse regering zegt de ambassade in Nederland dat de VS geen commentaar geven over ‘operationele zaken’ die betrekking hebben op contraterrorisme of inlichtingen. Het ministerie van Defensie zegt dat de Nederlandse staat niet weet op basis van welke informatie andere landen operaties uitvoeren. ‘Het kabinet beschikt niet over aanwijzingen dat dergelijke inlichtingen gebruikt zijn voor handelingen in strijd met het internationaal recht.’ Volgens de advocaten is dat niet voldoende: doordat Nederland belangrijke inlichtingen levert is het medeaansprakelijk voor de gevolgen. Nederland zou moeten uitsluiten dat die data worden gebruikt voor dit soort aanvallen.

Het is eind oktober als Omar en Nuur praten met de Volkskrant.

Als de bijnaam van zijn lievelingsdochter Bilay valt, lacht Omar eerst bij de herinnering aan haar. Dan buigt hij voorover en kijkt hij weg. Het wordt stil in de kamer van het safehouse. Hij stopt zijn hoofd in zijn handen. Zijn lichaam schokt. Het duurt minuten voor hij weer in staat is om te praten.

In zijn nachtmerries hoort Omar nog altijd de knallen van de raket, zegt hij. Djoek. Djoek. Gevolgd door de laatste woorden van zijn dochters. Papa. Papá.

2

De Militairen

Ze zitten naast elkaar in riante bruine leren stoelen, klemmen hun hand om een zwarte joystick en richten hun ogen op computerschermen. Op hun hoofd een koptelefoon. Van de ziedende warmte buiten is in de container niets te voelen. De airconditioning zorgt dat het altijd 17 graden is. Als de operators de container opendoen en de woestijn van Nevada in stappen, trekken ze hun jas uit.

Hier, zo’n veertig kilometer buiten Las Vegas aan de Veterans Memorial Highway, besturen Amerikaanse militairen onbemande vliegtuigen die duizenden kilometers verderop boven Somalië, Jemen, Afghanistan, Irak en Pakistan zweven. Hier wijst de sensor operator zijn doelwit aan en begeleidt hij de Hellfire-raket de seconden tot de inslag. Als hier ‘fire’ klinkt, wordt aan de andere kant van de wereld een leven verwoest.

Geleidelijk zijn de Amerikanen sinds 2002 onbemande vliegtuigen – drones – in gaan zetten om tegenstanders uit te schakelen. Officieel doen de Verenigde Staten dat alleen in Afghanistan en Irak (landen waarmee de VS in oorlog zijn) maar het gebeurt ook in Pakistan, Somalië en Jemen. De VS ontkennen dat niet langer, maar bevestigen die aanvallen ook niet. De bewapende drones zijn kleine vliegtuigjes met een spanwijdte van 20 meter. Als grote insecten zoemen ze urenlang door de lucht zonder dat ze vanaf de grond zichtbaar zijn. Ze registreren met camera’s feilloos alle bewegingen op de grond. Ze kunnen een bal tussen voetballende kinderen onderscheiden. Piloten besturen ze via een videoscherm, op militaire bases in de buurt of zo ver als de Creech Air Force Base in Nevada.

In de Verenigde Staten zijn ze weinig omstreden. Zonder Amerikaanse slachtoffers te maken zijn volgens het Amerikaanse leger duizenden ‘opstandelingen’ gedood. De Amerikaanse president Obama prijst hun ‘efficiëntie’, ze zouden weinig burgerslachtoffers maken. In 2013 noemde hij de aanvallen ‘legaal en effectief’.

Personen die gedood moeten worden komen op een CIA-lijst. Brandon Bryant, die jarenlang als sensor operator werkte op Amerikaanse bases, vertelt dat hij via zijn koptelefoon instructies kreeg op welke mensen hij moest vuren. Hij had geen idee waarom ze gedood moesten worden.

De CIA maakt profielen van verdachte personen. Via documenten die website The Intercept publiceerde, weten we hoe dat gaat. Personen krijgen een cijfer van 1 (hoog) tot 4 (laag). Hiervoor put de CIA uit verschillende bronnen. Omdat inlichtingen vanaf de grond, zogeheten ‘humint’ (human intelligence) vanwege een gebrek aan mensen lastig te verkrijgen is, baseert de dienst zich veelal op ‘sigint’ (signal intelligence): inlichtingen uit telecommunicatie. Deze metadata (welk nummer belt met welk nummer en hoe lang) geven inzicht in de communicatielijnen van verdachte personen. Voor hun inlichtingen zijn de VS voor een groot deel afhankelijk van buitenlandse partners, zoals Nederland. Sinds 2006 deelt de militaire inlichtingendienst MIVD op grote schaal inlichtingen met de Amerikaanse NSA. Een groot deel van de Nederlandse inlichtingenactiviteiten is de afgelopen jaren op Somalië gericht. De MIVD onderschepte vanuit het Friese Burum met een satellietontvanger vele miljoenen telefoongesprekken van Somaliërs. De metadata daarvan deelde de dienst met de Amerikanen, onder meer in het kader van de anti-piraterijmissie Ocean Shield. Omdat de Amerikanen weinig bruikbare inlichtingen hadden over Somalië, gaf de NSA ook speciale interceptietechnologie aan de MIVD om op schepen voor de kust van Somalië telefoonverkeer af te luisteren, onthulde NRC Handelsblad vorig jaar op basis van documenten van NSA-klokkenluider Edward Snowden. In een van de documenten schrijft de NSA: ‘De piraten zijn overgeschakeld naar operaties op het land. De NSA heeft geen toegang tot het lokale [telefoon]netwerk.’ Volgens de NSA had de MIVD die toegang wel.

Maar het is niet altijd zeker wie er schuilgaat achter een telefoonnummer of SIM-kaart. Fundamentalistische groeperingen wisselen veel van telefoon. Er zijn berichten dat de Taliban bij vergaderingen SIM-kaarten uit hun telefoons halen, die in een zak doen en na afloop een willekeurige SIM-kaart pakken. Amerikaanse inlichtingendiensten, zo vertelden bronnen aan The Intercept, selecteren doelwitten door het gedrag van een SIM-kaart te analyseren, in plaats van de inhoud van een gesprek te beoordelen. Een SIM-kaart koppelen ze aan een natuurlijk persoon. De bron: ‘Feitelijk gooien ze een bom op een SIM-kaart’. In Jemen en Somalië wordt volgens The Intercept in meer dan de helft van de gevallen via metadata een doelwit gekozen.

Naast deze doelgerichte aanvallen voeren de Verenigde Staten ook zogeheten signature strikes uit: mensen die lijken op opstandelingen mogen gedood worden. Bryant zegt dat hij mensen heeft moeten doden waarvan hij gelooft dat ze onschuldig waren. Hij vermoordde mannen in Afghanistan die op herders leken en een wapen droegen. Ook is bij een aanval van hem een rennend kind gedood. Hij vroeg zijn collega of die het kind ook had gezien. Bryant: ‘Die antwoordde dat een hond was. Zo kwam het ook in het officiële rapport over de missie.’

3

De Media

Een Amerikaanse luchtaanval tegen een leider van een militante organisatie. Zo bericht CNN op zondag 26 januari 2014 over de drone-aanval waarbij Omar zijn twee dochters (acht en negen jaar oud) verliest en zelf een been kwijtraakt.

De Amerikaanse nieuwszender krijgt de informatie toegespeeld van een ‘militaire bron’. Die meldt niets over eventuele burgerslachtoffers of over het precieze verloop van het bombardement. Wel vertelt hij CNN dat het doelwit een ‘hooggeplaatste leider’ is, gelieerd aan de terroristische organisaties Al Shabaab of Al Qaeda. Pas later zou blijken dat het doelwit van de aanval, Al Shabaab-leider Achmed Godane, niet is gedood bij de aanval. Wel kwamen andere leden van Al Shabaab om het leven. Hoeveel is onduidelijk.

Dit nieuwsbericht laat zien waarom het zo lastig is voor media om de Amerikaanse drone-aanvallen kritisch te volgen. Die vinden plaats in rurale gebieden in Afghanistan, Pakistan, Jemen, Irak en Somalië en zijn nauwelijks ter plekke te controleren. De gebieden zijn onveilig. Dat maakt controle van de impact en mogelijke burgerslachtoffers haast ondoenlijk.

De Verenigde Staten prijzen de aanvallen van onbemande vliegtuigen vanwege hun ‘efficiëntie’, er zouden weinig burgerslachtoffers vallen. Maar officiële cijfers zijn er bijna niet. Bovendien brengen Amerikaanse regeringsbronnen selectief informatie naar buiten.

Op basis van schattingen proberen journalisten en ngo’s eigen onderzoek te doen. Daaruit komt een ander beeld naar voren. Het Britse Bureau of Investigative Journalism schat dat in Pakistan tussen de 423 en 965 burgers zijn gedood bij 421 drone-aanvallen. Onlangs publiceerde website The Intercept geheime interne documenten over de aanvallen. Het aantal burgerslachtoffers is daarin veel hoger dan de officiële cijfers vermelden. In een periode van vijf maanden tussen 2012 en 2013 doodden de drones in Afghanistan meer dan tweehonderd mensen. Slechts vijfendertig daarvan bleken het beoogde doelwit te zijn.

Tekst Huib Modderkolk, Maud Effting Design Wendy van der Wauw
Video Rizky Gerilya Code Hay Kranen
Infographics Daan van Elk, Rik Bors