Fotografie Claudia Heinermann

Vierduizend kilometer in een veewagon: het verhaal van 132 duizend Litouwers

Onder Stalins bewind werden de intelligentsia uit de Baltische staten verbannen. Mannen naar strafkampen, vrouwen en kinderen naar Siberië. De barre omstandigheden kostten velen het leven. Fotograaf Claudia Heinermann (50) werpt licht op deze goeddeels verzwegen geschiedenis. 

Een rivier in de Altaj-regio in Rusland Beeld Claudia Heinermann

Vierduizend kilometer reisde fotografe Claudia Heinermann (50) met de trein, vanuit Moskou naar het oosten, richting het Altajgebergte in Zuid-Siberië. Drie dagen en drie nachten. ‘Je ziet eigenlijk niets. Geen schaapskudde, geen koeien, geen enkele variatie. Alleen maar berkenbos.’ Aldus ervoer ze de eenzaamheid van het landschap dat zo’n 132 duizend Litouwers, voornamelijk vrouwen en kinderen, zagen door de kieren van hun veewagon toen ze in en na de Tweede Wereldoorlog door Stalin werden verbannen naar Siberië.

Heinermann maakt een in totaal 12 duizend kilometer lange reis die gedeporteerden, van wie zij er een aantal interviewde, als kind aflegden. Zij vertelden haar dat ze eerst naar het Altajgebied werden gebracht, waar de moeders en de oudste kinderen op het land moesten werken. Daarna werden ze per trein en schip via Jakoetsk naar de Laptevzee overgeplaatst om in de poolgebieden een visindustrie op te zetten. Heinermann vroeg zich af: hoe kun je mensen, en kinderen in het bijzonder, zoiets aandoen? Ze naar de ijskou sturen en laten werken zonder warme kleren of handschoenen. Ze zo weinig eten geven dat ze verhongeren. In een gebied waar de winter tien maanden duurt. Wat een wreedheid.

Wolfskinder

Heinermann stuitte op het verhaal over de gruwelijke ballingschap van ongeveer 600 duizend inwoners van de Baltische staten – ook Estland en Letland – toen ze werkte aan het project dat haar internationale roem heeft gebracht: Wolfskinder. Dat boek gaat over de Duitse kinderen die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Oost-Pruisen op drift raakten, door de wouden zwierven en zelfs wolven ontmoetten, om uiteindelijk te sterven of, met geluk, illegaal te worden opgenomen in Litouwse gezinnen. ‘Overal hoorde ik tijdens mijn reizen over de verbanningen onder Stalin. Bijna elke familie kent verhalen van afgevoerde voorouders. En omdat het net als de wolfskinderen een onderbelicht deel is van de geschiedenis, vond ik dat ik het moest onderzoeken.’

Bewoonster van het dorp Kara Koby Beeld Claudia Heinermann

Komende week brengt koning Willem-Alexander een staatsbezoek aan de Baltische staten, waarvan er twee hun honderdjarige onafhankelijkheid van Rusland vieren. Het bezoek valt samen met de jaarlijkse herdenking van de deportaties onder Stalin, die in twee periodes plaatsvonden: tijdens de oorlog in 1941 en een tweede golf in 1949. 

Rouw, hoop en herinnering

Op 14 juni is de dag van rouw, hoop en herinnering in Litouwen. Op die dag (en de daaropvolgende) worden de gedeporteerden naar Siberië herdacht, en worden hun namen voorgelezen. Koning Willem-Alexander gaat volgende week op staatsbezoek in de Baltische staten. Wegens de herdenking vinden op 14 juni geen officiële activiteiten plaats. 

De koning zal worden geconfronteerd met rauwe verhalen, voorspelt Heinermann. ‘Nederland heeft vijf vreselijke jaren doorgemaakt, van 1940 tot 1945 ; de Baltische landen zijn van de ene naar de volgende zwarte bladzijde in hun geschiedenis gegaan. De Tweede Wereldoorlog was niet eens de zwaarste periode, onder Stalins vervolgingen is bijna elk gezin verscheurd. Aan hun misère is pas begin jaren negentig een einde gekomen, toen de Baltische landen onafhankelijk werden van Rusland.’

Deportaties

Heinermann werkt aan drie boeken over de deportaties onder Stalin – het eerste over Litouwen. ‘De treinreizen waren verschrikkelijk. De deportaties in 1941 vonden plaats in de zomer, het was snikheet in de veewagons. Er was te weinig water, er waren behalve een paar emmers en een gat in de bodem van de trein geen sanitaire voorzieningen. Als mensen bij een korte stop water mochten halen, was het vaak besmet, dus braken er ziektes uit waaraan veel ballingen bezweken.

‘De deportaties waren tot in detail voorbereid door de Russische geheime dienst NKVD (de voorloper van de KGB). Er waren lijsten met de namen van de intelligentsia – leraren, priesters, politici, officieren, politieagenten, partizanen. Stalin wilde de bevolking knechten, er een werkvolk van maken, en dat ging het gemakkelijkst als de intellectuele bovenlaag verdween. Die werd inclusief familieleden opgepakt, verzameld in de hoofdsteden en op de trein gezet, de mannen gescheiden van de vrouwen en kinderen. Onderweg naar het oosten werden de treinen gesplitst. 150 duizend mannen gingen naar de strafkampen, de goelags, of werden geëxecuteerd. De vrouwen en kinderen gingen naar afgelegen oorden in Siberië, de poolgebieden en Centraal-Azië, waar ze dwangarbeid moesten verrichten.’

Van de 132 duizend vrouwen en kinderen uit het land stierven er 30 duizend door de erbarmelijke omstandigheden en konden er 50 duizend niet meer terugkeren naar hun vaderland.

Voor haar project zocht Heinermann de plekken op waar de omstandigheden het extreemst waren, om de onmenselijkheid ervan te tonen. Ze sprak met Litouwers die als kind werden gedeporteerd. ‘Deze kinderen werden met hun moeder naar het poolgebied in de Lenadelta gestuurd om visindustrie op te bouwen. Toen ze er aankwamen, was er zelfs geen barak voor ze, die moesten ze zelf gaan bouwen van boomstammen die ze uit de rivier moesten halen, terwijl de winter al inviel. Irena, een van de vrouwen die ik heb geportretteerd, vertelde dat ze de eerste dagen bang was om haar ogen dicht te doen en te slapen. Het was al ijskoud en ze moesten onder de blote hemel slapen. Ze had overdag lijken van Finnen gezien, die al iets eerder waren aangekomen. Ze was bang dat ze zou bevriezen en nooit meer wakker zou worden, net als zij. Ze was toen 14 jaar oud. Je zou denken dat, als je wilt dat er veel vis wordt gevangen, je de mensen goed huisvest en te eten geeft. Maar ze kregen maar 300 gram brood per dag. Dat vind ik zo schokkend van deze geschiedenis: de zinloosheid van die dwangarbeid. Er zijn zo veel mensen onnodig doodgegaan.’

Een begrafenis in de Altaj-regio Beeld Claudia Heinermann

Ze hoorde de verhalen over Litouwers die in Tadzjikistan moesten meewerken in de katoenbouw – een gewas dat veel water vergt, aangevoerd uit het Aralmeer, dat als gevolg van de katoenbouw vrijwel is opgedroogd. Anderen moesten meewerken aan een spoorlijn door noordelijk Siberië. Een waanidee van Stalin, omdat bruikbare rails neerleggen over permafrostbodem simpelweg onmogelijk is.

Fotografisch stelt de geschiedenis van de Litouwse ballingen Heinermann voor de nodige uitdagingen. Er is weinig historisch beeldmateriaal van de manier waarop de Litouwers leefden te midden van de inheemse bevolking, wier taal en cultuur ze niet kenden. Er zijn enkele foto’s van de visvangst en verder wat groepsportretten en geposeerde familiefoto’s – ze stuitte op de foto van een droef gezin geschaard rond het opgebaarde lichaampje van een dode baby, het gezin waarin later een van de door Heinermann geïnterviewde getuigen zou opgroeien.

‘Ik moet het verhaal vooral vertellen door de mensen te fotograferen die mij hun geschiedenis toevertrouwen. En ik kan de gebieden bezoeken waar ze naartoe zijn verbannen. De natuur is er vaak prachtig. In het Altaigebergte zie je de desolaatheid, de oneindige uitgestrektheid. Zo kun je je een beetje voorstellen hoe het is om daar als kind met je moeder te moeten rondzwerven.’

Vrieskou

Tijdens haar winterse reis naar ­Jakoetsk kreeg de fotograaf een indruk van het barre klimaat. ‘De rivieren veranderen in wegen van 2 meter dik ijs. Ik heb nu nog een blauwe plek op mijn been, een gevolg van lichte bevriezing. Ik had mezelf goed ingepakt, maar ik heb blijkbaar een tijdje een plek over het hoofd gezien en blootgesteld aan de snijdende wind. Kun je nagaan hoe het is om bij temperaturen van min 40 buiten te moeten zijn. Irena vertelde me dat de ballingen vaak praten over het eten thuis, om elkaar moed in te spreken en de suggestie van eten te ervaren. Maar het lukte Irena al gauw niet meer het gevoel op te roepen dat ze het warm had.’

Huis Viktorija in Yakutsk Beeld Claudia Heinermann

In de dorpen in het Altaj­gebergte bezocht de fotograaf vaak het cultuurhuis om naar de dorpsoudste te vragen. Zij zijn dankbare bronnen, die altijd wel iets weten over de vreemdelingen die in hun land te werk werden gesteld. De inheemse bevolking was vaak blij met de nieuwkomers, omdat ze konden helpen met het land bewerken en oogsten. Ze dienden ter vervanging van de mannen, die naar het front waren gestuurd – of óók door Stalin waren verbannen of vermoord.

‘In het Altaj zelf vind je weinig dat herinnert aan de tijd van de ballingen. Ja, er is één boerderij met een gemetselde fundering. De plaatselijke bevolking weet nog dat Litouwers die hebben gebouwd, omdat ze zelf de metseltechniek niet beheersten.’ Niet ver van die vervallen boerderij liggen de graven van 14 Litouwse kinderen. In weer een ander dorp stuitte Heinermann op een wand met foto’s , liefdevol verzameld, door de plaatselijke bibliothecaresse die vond dat de nagedachtenis aan de ballingen levend moest blijven. In Jakoetsk ontdekte Heinermann een dorp van waaruit in 1942 41 kolchozen compleet naar het poolgebied zijn gedeporteerd. ‘Daar sprak ik Jakoeten die vertelden dat hun ouders zij aan zij met Litouwers werkten. Ze moesten vis vangen voor het front. Zijzelf gingen met de Litouwse kinderen naar school. Ze wisten niets over elkaars achtergronden, maar hielpen elkaar waar ze konden.’

Boerderij in de Altaj-regio Beeld Claudia Heinermann

Deze eerste jaren in ballingschap waren voor alle gedeporteerden de zwaarste, zegt Heinermann. ‘Toen stierven de meeste mensen. Later werden de omstandigheden iets beter. Ze mochten postpakketjes ontvangen, zodat familie uit Litouwen voedsel kon opsturen, of warme kleding en geld. Kinderen die eerst moesten werken, mochten naar school. De barakken werden verruild voor eigen huisjes. Na Stalins dood in 1953 verbeterden de leefomstandigheden van de Litouwers verder, hoewel het nog tot 1958 duurde voordat de eerste ballingen toestemming kregen om terug te keren naar hun vaderland.

Gruwelverhalen

Na de dood van Stalin werd de geschiedenis van de ballingen in de Sovjet-Unie dikwijls verzwegen. In sommige families werd er veel over gesproken, in andere juist niet, om de kinderen te beschermen voor de gruwelverhalen. Pas nadat de sovjets zich hadden teruggetrokken en de Baltische landen zelfstandig waren geworden, kwamen de verhalen los. Door officiële herdenkingen zijn de massadeportaties deel gaan uitmaken van de geschiedschrijving. 

Moeilijke terugkeer

De terugkeer van gedeporteerde ­Litouwers na de dood van Stalin in 1953 ging met obstakels en tegenwerking gepaard. Zo moesten de ballingen zelf de reis naar het vaderland bekostigen. Daar verliep de reïntegratie vaak problematisch. Vaak bekeken Litouwers de repatrianten met argwaan, want iemand die gedeporteerd was, had een smetje. De sovjets bepaalden waar ze mochten wonen, welk werk ze gingen doen, en welke studie kinderen mochten volgen.

In de jaren tachtig werden expedities naar de poolcirkel georganiseerd door families die hun in de permafrost begraven doden wilden terughalen. ‘Irena is met zo’n macabere expeditie mee naar Tit-Ary gegaan om het graf van haar moeder te zoeken. Toen de kist van haar moeder werd geopend, zag Irena, die inmiddels 60 was, het gezicht van haar moeder zoals ze als 40-jarige was gestorven. Door de permafrost was haar lichaam intact gebleven.’ Nu rust de moeder in de Litouwse bodem, net als talrijke andere ballingen die rondom haar waren begraven.

Verhalen van overlevenden

‘Ik bevroor en was bang om dood te gaan’

Fotograaf Claudia Heinermann tekende ook verhalen op van overlevenden. Dit zijn fragmenten uit het relaas van Irena Špakauskienė.

Irena Špakauskienė Beeld Claudia Heinermann

Irena Špakauskienė werd geboren in 1928 te Kaunas, Litouwen. Ze werd met haar moeder en broer gedeporteerd naar het Altaj-gebergte toen ze 13 was. Vervolgens werd ze naar de arctische Laptevzee gestuurd. Haar vader was beroepssoldaat, en werd in 1942 in de Goelag doodgeschoten. Haar moeder stierf in ballingschap, in 1946.

‘We moesten acht dagen lopen tot we in het Altajgebergte aankwamen. We werden in barakken ondergebracht. Na de zware reis waren we uitgeput. Onze kleding was nat en we wilden alleen maar op de grond gaan liggen en slapen. In de barak brandde één lamp. De muur was bespikkeld en een vrouw ontdekte dat al die zwarte stipjes bloedvlekjes waren van wantsen. Mijn broer was al in slaap gevallen en mijn moeder zag dat er zo veel beestjes op hem zaten, dat het net een zwarte deken leek. Ze probeerde de wantsen van hem af te vegen en ik keek er geschokt naar en begon hysterisch te krijsen.’

‘We gingen met de trein naar ­Angara. Voor het eerst sinds lange tijd kregen wij elke dag iets te eten. Onderweg zagen we kolonnes met gevangenen en bewakers met geweren, zo wisten we dat we langs strafkampen reden. Achteraf begreep ik dat we ook langs het strafkamp Roschote reden, waar mijn vader naartoe was gebracht en waar hij werd doodgeschoten.’

‘Vanuit Angara gingen we met vrachtschepen verder over de rivier en daarna met vrachtwagens naar Ust-kut, aan de Lena. We werden opgevreten door de muggen. We waren met 3.500 mensen. Op een gegeven moment waren er geen bomen meer te zien, alleen nog een kaal landschap, de toendra.’

‘Waar we eind augustus 1942 uitstapten, in Tit Arai, was helemaal niets, alleen maar kale vlaktes. Dit was dus ons doel, arctisch gebied. We waren niet warm genoeg gekleed, ik bevroor en was bang om hier dood te gaan. We zouden onze eigen hutten moeten bouwen. Het zou tien maanden winter blijven en de temperatuur daalt dan naar min 40 en soms nog lager.’

‘Mijn moeder moest boomstammen uit het ijs hakken en aan wal slepen, maar ze werd ziek en kon twee jaar niet meer lopen. Ze kreeg werk in een tent waar visnetten werden gerepareerd. Ze sleepte zich er elke dag naartoe, met de ellebogen op de grond. In 1946 stierf ze. Mijn broer en ik waren radeloos, we voelden ons verloren. Mijn moeder zorgde altijd voor ons en wist altijd raad. Ze zei altijd: zolang ik leef hoeven jullie je geen zorgen te maken. We wilden haar niet zomaar bij de andere lijken leggen. Iemand uit onze barak gaf ons een stuk doek dat wij om haar heen konden doen.’

‘Ik bevroor en was bang om dood te gaan’

Fragmenten uit het verhaal van Nijolė Lelkaitė-Baikienė, opgetekend door Claudia Heinermann.

Nijolė Lelkaitė-Baikienė Beeld Claudia Heinermann

Nijolė Lelkaitė-Baikienė werd geboren in 1939 in Pivašiūnai, Litouwen. Haar vader, leraar, overleed in 1944 in ballingschap in de Altaj-­regio. Haar moeder stierf in 2013 in Litouwen. Ze had drie broers, van wie Richardas in 1942 op 1-jarige leeftijd overleed in de Altaj. Na het verblijf in de Altaj-regio werd de ballingschap in 1942 voortgezet in Bykovskiy aan de Laptevzee.

‘Toen wij in 1941 werden gedeporteerd was mijn moeder in verwachting. Ik was toen 2 en mijn broer Valdemaras was 4. We werden eerst naar het Altajgebied gebracht. Daar is mijn broer Richardas geboren. Ik herinner me dat niet, ik was nog te klein. In de zomer van 1942 werden we naar de Laptev Zee, naar Bykovskiy gebracht. Wij werden in leemhutten ondergebracht.’

‘Mijn vader werd na onze aankomst direct naar de gevangenis gebracht. Hij werd daar gemarteld. Mijn moeder moest vis vangen. Na een paar weken mocht mijn vader terugkomen in afwachting van zijn proces. Mijn moeder werd ziek, ze kreeg tyfus en moest voor ruim een maand naar de ziekenpost. In die tijd overleed mijn jongste broer ­Richardas. Toen ze terugkwam van de ziekenpost hoorde ze dat hij was overleden. Ze was volkomen verslagen en huilde de hele dag door. Ze dacht dat ze gek werd en zocht overal naar hem.’

‘In januari 1943 werd mijn vader veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. Hij moest over het ijs naar de gevangenis lopen. In de zomer van 1943 werden wij met een schip naar Mostach gebracht, dat is aan de andere kant van het schiereiland. Daar beginnen mijn eerste herinneringen. Ik was 4, we zaten in de boot en het begon enorm te stormen. Het schip ging heen en weer. Ik vroeg aan mijn moeder of op onze eindbestemming de aarde net zo zou schudden als de boot.’

‘Na een jaar gevangenis kwam mijn vader in 1944 vervroegd vrij en mocht hij zich weer bij ons voegen. Maar er was iets gebeurd, hij moet een hoofdwond of zoiets gehad hebben, want ineens had hij epilepsie. Toen hij stierf had hij een wit hemd en een witte broek aan. Ze hebben hem in de vrieskelder van een klein houten huis gelegd. Niet echt een kelder, er was een soort kuil gegraven, die als vriesruimte werd gebruikt. Dat was eind september. Mijn broer en ik werden in Bykof door buren opgevangen totdat mijn moeder weer terug was.’

‘Toen mijn moeder terugkwam bij onze hut vond ze mijn broer en mij bij de buren. We waren zo blij elkaar weer te zien. Mijn moeder wilde graag mijn vader begraven. De begraafplaats was op het puntje van Bykof, vlakbij de plek waar mijn broertje lag. Er was een gat in de permafrost maar dat was te klein voor de kist en omdat de grond bevroren was konden ze het niet zomaar vergroten. Mijn moeder ging er later met een paar mannen nog een keer naar toe, die hadden bijlen meegenomen om het gat groter te maken. Dat lukte en toen kon hij begraven worden. Toen ik 7 was, ben ik er een keer met mijn moeder geweest. De aarde bij het puntje waar mijn broer begraven lag was door erosie al weggespoeld. Toen ik in 1972 nog een keer naar Bykof ben gegaan, was ook het graf van mijn vader door de zee opgeslokt.’

"Children of the Ice", een documentaire over gedeporteerde kinderen uit de Baltische Staten.

Heinermann is nog bezig met fondsenwerving om in de late zomer haar laatste reis naar het poolgebied te kunnen maken. Het eerste deel van haar project Siberian Exiles werd door het Anna Cornelis Fonds gesteund. Eind 2018 of begin 2019 publiceert ze haar eerste boek uit het drieluik en begint ze aan het volgende deel, over Letland.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden