Opinie

Opinie: De bestaande universiteiten barsten uit hun voegen, het moeten er twee keer zoveel worden

Er melden zich veel meer jongeren aan om te studeren dan er plek is op de universiteiten en hogescholen. Strenge selectie lijkt de enige uitweg, maar de maatschappij snakt naar hoger opgeleiden. Simpele oplossing: richt nieuwe universiteiten op.

Frans Leijnse
Het voormalig ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag wordt omgebouwd tot universiteitsgebouw.  Beeld Freek van den Bergh / VK
Het voormalig ministerie van Binnenlandse Zaken in Den Haag wordt omgebouwd tot universiteitsgebouw.Beeld Freek van den Bergh / VK

Studenten klagen terecht over de massaliteit en het onpersoonlijke karakter van het huidige hoger onderwijs, zoals Joshua de Roos (O&D, 4 mei). Ze voelen zich behandeld als een nummer in de grote onderwijsfabriek, ervaren het onderwijs als weinig intensief en uitdagend en missen de persoonlijke begeleiding die voor een goede vorming nodig is. De uitval in de eerste studiejaren is dan ook extreem hoog: in veel studies haakt meer dan eenderde van de studenten voortijdig af. Onze universiteiten en hogescholen kraken al jaren in hun voegen.

Toch wordt er door de opleidingen van alles aan gedaan om de studentenaantallen binnen de grenzen te houden. Steeds meer universitaire en hogeschoolopleidingen kennen nu de ‘decentrale selectie’: maar een deel van de aangemelde studenten wordt toegelaten. Dit is heel vaak maar een klein deel: 1.500 tot 2.000 aanmeldingen voor 300 of 400 plaatsen is geen uitzondering. Dit betekent dat jaarlijks enkele tienduizenden studenten niet de studie van hun keuze kunnen volgen. Met negatieve effecten voor motivatie en studiesucces.

Enorme werkdruk

Opvallend genoeg worden de klachten van studenten bevestigd door die van docenten en onderzoekers. In hun 40 stellingen over de wetenschap geeft de actiegroep WOinActie een uitgebreid overzicht van de klachten. Docenten ervaren een enorme werkdruk en kunnen door de massaliteit niet de kwaliteit leveren die zij voor ogen hebben. Onderzoekers en promovendi ervaren hun bestaan als een voortdurende rat race om geld, waarbij inhoud en reflectie naar de achtergrond verdwijnen. Loopbaanperspectieven ontbreken. Hoogleraren en lectoren moeten door de grootschaligheid te veel managementwerk doen en komen aan de inhoud minder toe. Ook die klachten zijn niet nieuw, ze worden alleen steeds sterker.

De oorzaak van dit groeiende probleem is eenvoudig te zien. De studentenaantallen zijn zeer sterk gegroeid en de capaciteit van het hoger onderwijs is daarbij ver achtergebleven. Vijftig jaar geleden telden de zeven Nederlandse universiteiten ruim 100.000 ingeschreven studenten (de hogescholen 132.000). De eerste golf nieuwe studenten uit lagere- en middenklassemilieus begon toen op te komen. Om die golf op te vangen werden de hogescholen geconcentreerd en opgewaardeerd tot hoger onderwijs en zeven nieuwe universiteiten gecreëerd. Drie daarvan (Delft, Rotterdam en Tilburg) door het omzetten van bestaande hogescholen, vier min of meer vanuit het niets (Maastricht, Eindhoven, Twente en Heerlen/Open Universiteit).

Deze strategie heeft tot 2000 aardig gewerkt. De hogescholen groeiden in die dertig jaar met een factor 2,4 naar 312.000 studenten, de universiteiten met een factor 1,6 naar 167.000. Dat kwam in het bezuinigingsbeleid ook heel goed uit, want de studenten aan hogescholen zijn voor de overheid beduidend goedkoper, omdat deze instellingen geen onderzoek mochten doen. Dat de kwaliteit van het onderwijs daar ook niet beter van werd, nam de overheid op de koop toe. Mogelijk had het feit dat op de hogescholen tweederde van de studenten uit de lagere- en middenklasse komt en op de universiteiten nog geen derde, hier ook iets mee te maken. Emancipatie, maar wel op een koopje.

Vervolgens is de groei van de studentenaantallen onverdroten doorgegaan, zonder verdere aanpassingen van het stelsel. Dezelfde veertien universiteiten die al minstens vijftig jaar bestaan, hebben nu 340.000 studenten. Dat is dus ruim drie keer zoveel als in 1970. De hogescholen zijn na 2000 verder gegroeid tot 490.000 studenten nu, bijna vier keer zoveel als in 1970. Terwijl het aantal universiteiten en hogescholen per saldo is afgenomen.

Voor de komende jaren valt verdere groei te verwachten. De groeiende kennisintensiteit van economie en samenleving vraagt steeds meer hoogopgeleiden. Nu al vergt bijna 50 procent van de beschikbare banen een hoger opleidingsniveau, minimaal bachelor. In 1970 was dat nog geen 30 procent en niets wijst erop dat de huidige 50 procent een bovengrens is.

Buitenlandse studenten

Daarbij komt de sterke groei van het aantal buitenlandse studenten. Al meer dan 90.000 in dit jaar. Meer dan tweederde van deze studenten heeft volgens EU-regels het recht om in Nederland te studeren. Bovendien heeft de internationalisering van ons hoger onderwijs voor wetenschap en arbeidsmarkt meer voordelen dan nadelen. Het is dus realistisch te verwachten dat het aantal studenten in universiteiten en hogescholen de komende jaren gestaag zal doorgroeien tot boven de miljoen.

De remedie ligt voor de hand. De groei net als in 1970 laten opvangen door de hogescholen kan niet meer. Deze zitten immers al vol, even vol als de universiteiten, en richten zich nu vooral op broodnodige kwaliteitsverbetering door onderzoek. De grootste klem is dat Nederland net als vijftig jaar geleden maar 14 universiteiten heeft, veel minder per hoofd van de bevolking dan in het buitenland gebruikelijk is. Toen kon het aantal van zeven in korte tijd worden verdubbeld, nu zou dat opnieuw moeten gebeuren om gelijke tred te houden met de studentenbevolking.

Net als toen in Delft, Rotterdam en Tilburg is er inmiddels bij een aantal hogescholen een basale onderwijs- en onderzoeksinfrastructuur opgebouwd. Die zou naar universitair niveau kunnen worden getild en verbreed. De voorbeelden uit het verleden laten zien dat dan in een paar jaar een volwaardige nieuwe universiteit kan ontstaan. Bij een goede regionale spreiding zal dit niet alleen de studenten meer kansen bieden, maar ook de economische ontwikkeling van de regio’s een impuls geven.

Het wordt tijd dat onze nieuwe minister, na vijftig jaar bezuinigen, achterom kijken en conserveren van de heersende verhoudingen, weer eens constructief hoger onderwijsbeleid gaat voeren.

Frans Leijnse is emeritus hoogleraar. Over de toekomst van het hoger onderwijs publiceerde hij recentelijk het boek ‘Standenonderwijs’.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden