Zuidoost-Azië is aan een slaapje toe

De tijgers groeiden tientallen jaren met twee cijfers voor de komma. Maar de Aziatische economieën zijn volwassen geworden. En moe, van al dat groeien....

DE PIRAMIDE van Lane Crawford, een droom voor het verwende winkelend publiek in Singapore, was een paar jaar geleden met veel bombarie geopend. Deze Hongkongse warenhuisketen had alles uit de kast gehaald. De vaste collecties degelijk Brits serviesgoed en Frans-Italiaanse ontwerperskleding waren opgesierd met de buitenissigste hebbedingetjes van over de hele wereld. Precies toegesneden op de doorgewinterde Singaporese kopers die niet op een dollar hoeven te kijken, dacht het gerenommeerde grootwinkelbedrijf. Maar na de veelbelovende start lieten de klanten het monument van Oosterse kooplust in de steek. Lane Crawford sloot vorige maand definitief zijn gigantische deuren. Deze week maakte het bedrijf zijn halfjaarcijfers bekend: het avontuur in Singapore blijkt het ergste fiasco te zijn in de 150-jarige bedrijfsgeschiedenis.

Lane Crawford had erop gegokt met de stap naar Singapore de tegenvallende verkopen in thuishaven Hongkong goed te maken. Maar het avontuur begon net op het verkeerde moment. Singapore's economische groei stokte en het om zijn kooplust bekend staande publiek bedacht goedkopere hobby's.

De regering van de kleine, streng gereguleerde stadstaat roept dat de economische tegenspoed tijdelijke zal zijn. Als eenmaal de malaise in de elektronica voorbij is, keren de gouden tijden weerom. Maar economen in de regio zijn niet zo optimistisch. Het zal over een tijdje wel weer beter gaan, maar of de supergroei terugkeert, betwijfelen ze. De neergang heeft fundamentele zwakheden belicht, die niet zo snel zullen verdwijnen.

Singapore is hiermee het jongste slachtoffer onder de Aziatische Tijgers. Jarenlang haalde het met Zuid-Korea, Taiwan, en Hongkong groeicijfers, die in de hele wereld bewondering afdwongen. De vier volgden Japan door zich in de hoogste versnelling naar grote rijkdom te exporteren. Ze trokken zich weinig aan van de periodieke recessies in de rest van de wereld. Het leek een kwestie van tijd voor ze het Westen achter zich zouden laten.

Maar uit cijfers van de Aziatische ontwikkelingsbank blijkt dat de groei al enkele jaren afvlakt. Hongkong haalde in de jaren tachtig een gemiddelde inkomensgroei van 6,9 procent, maar komt in de jaren negentig op 6,4 procent uit. Voor dit jaar wordt vier procent verwacht. Taiwan zakte van ruim acht naar 5,3 procent.

Het duidelijkste geval is Zuid-Korea dat de gemiddelde 13 procent van het vorig decennium bijna zag gehalveerd naar 7 procent. Singapore leek zich lang aan de neergang te onttrekken, maar dook dit jaar met 5,5 procent ver onder de gemiddelde tien procent groei van de voorgaande jaren.

Veel economen zien in deze trend het proces naar volwassenheid. Andrew Freris, regiohoofd bij de investeringsbank Salomon Brothers in Hongkong, verwacht dat de groeicijfers zich stabiliseren op vier, vijf procent: 'Dat houdt niet in dat de welvaart vermindert, het is een teken dat deze landen volwassen worden.' En het is nog steeds meer dan de meeste westerse landen.

Tot voor kort was het in het Azië van de economische wonderen heel gemakkelijk rijk worden. Je begon net als Japan na de Tweede Wereldoorlog eenvoudig met textiel, schoenen en speelgoed. Het onuitputtelijke reservoir van goedkope arbeid maakte de jonge ondernemers zo concurrerend, dat ze snel de wereld veroverden.

Het verdiende geld staken ze met de tegoeden van de ijverig sparende arbeiders in autofabricage, chemie en electronica. Simpele industrie werd overgedaan aan armere buren. Zo kregen de nieuwe tijgers Thailand en Maleisië een langdurige bloeiperiode. Begin jaren negentig begonnen zelfs China, Indonesië en de Filipijnen mee te delen.

Maar de recessie in Japan, die na vier jaar pas heel langzaam begint weg te ebben, liet zien dat glorieuze groei niet meer vanzelfsprekend is. Aziatische economen vragen zich koortsachtig af hoe ze kunnen voorkomen dat hun landen dezelfde fout maken als hun oude voorbeeld, dat jarenlang weigerde structurele problemen aan te pakken in de veronderstelling dat hoge groei een natuurgegeven was.

Twee jaar geleden ontketende de Amerikaanse econoom Paul Krugman een storm met zijn stelling dat de mirakelse groei in Azië niet gebaseerd is op productiviteitsstijging, maar, net als in de Sovjet-Unie van de jaren vijftig, te danken is aan massale inzet van goedkope arbeid en kapitaal. Net als bij de communistische moloch zou de groei vastlopen door het uitblijven van productiviteitsstijging en het gebrek aan vernieuwingsdrift.

Met een verwijzing naar de jongste Japanse elektronische snufjes, de opkomst van de Taiwanese computerindustrie of Hongkongs verfijnde kapitaalmarkten wezen de meeste economen Krugmans stelling van de hand. Voor sommige politici was hij een jaloerse blanke, die Azië zijn succes misgunde.

Toch rezen er, bijvoorbeeld bij de vele investeringsbanken, vragen over de zwakheden. Kan in een van oudsher autoritaire structuur, als Zuid-Korea, vernieuwing gedijen? Het is nog steeds ondenkbaar dat een werknemer bij een Japanse multinational zijn baas tegenspreekt.

Is er in de Chinese familiebedrijven wel genoeg leidinggevende capaciteit? Richten de aartsvaders van de zakendynastieën, die overal in Zuidoost-Azië pijlsnel zijn opgekomen, zich niet eenzijdig op de bloedband? Deugt het onderwijs met zijn nadruk op gehoorzaam uit het hoofd leren wel?

'Natuurlijk groeien de bomen niet tot in de hemel', zegt Lee Hanh Koo, voorzitter van het economische onderzoeksinstituut Daewoo in Seoul. 'Vertraging van het groeitempo kon niet uitblijven. Dat ligt niet alleen aan de malaise in de elektronica, dat is veel structureler.'

Zuid-Korea, dat zich jaren als in een oorlogseconomie kapot werkte om buurman-rivaal Japan in te halen, kampt met stagnatie op de binnenlandse markt. De Koreanen kunnen niet nog meer auto's kopen, ze staan al de hele tijd in de file en ze kunnen de vervuilde lucht niet meer inademen. De omzet in eigen land loopt terug en de effectenbeurs zit in een deprimerende baisse.

Maar de lonen zijn de afgelopen tien jaar wel drie maal zo snel gestegen als de arbeidsproductiviteit. De Koreaan die eindelijk van zijn hardverdiende geld wilde genieten, zocht betere huisvesting. Hierdoor explodeerden de prijzen voor onroerend goed. Wie vandaag nog een bedrijf wil beginnen in Zuid-Korea, moet veel geld meebrengen. En heel dapper zijn, want net als in Japan verstikt een oerwoud van regeltjes het initiatief. Bovendien komen kleine ondernemers er in de overgereguleerde kapitaalmarkt nauwelijks aan te pas.

De gestegen kosten jagen de chaebol, grote conglomeraten, de grens over. Samsung, Daewoo en Hyundai spenderen hun fabelachtige verdiensten aan nieuwe fabrieken in goedkopere Aziatische landen, in Europa en in Noord-Amerika. Voor een deel is dit een natuurlijke verschuiving van arbeidsintensieve industrie naar lage-lonenlanden. Maar Lee maakt zich toch zorgen: 'De kosten in Zuid-Korea zijn te hoog en het volk is verslaafd aan hoge groeicijfers. Ik ben bang voor onrust.'

Ook de andere Tijgers van het eerste uur prijzen zich uit de markt. Onroerend goed is in Hongkong al duurder dan in Japan en de lonen schieten omhoog. Singapore en Taiwan sloegen dezelfde weg in.

Ook Thailand, de vijfde tijger, ondervindt dat arbeidsintensieve industrie weglekt naar goedkopere landen. Zelfs de Filipijnen, die zich nog maar net een welpje mogen noemen, worden voor textielfabrikanten te duur. Een naaister of knipster verdient hier ongeveer vijftien gulden per dag, terwijl de concurrentie in Bangladesh, Sri Lanka en Midden-Amerika ruim onder het tientje blijft.

Bij zo'n harde realiteit is het verleidelijk de eigen markt af te schermen. De meeste landen in de regio hebben het protectionisme gereserveerd voor hun belangrijkste troetelkinderen. Maar die zijn in bijna alle landen hetzelfde, met alle gevolgen van dien. Zeven landen, bijvoorbeeld, investeren miljarden in de petrochemische industrie. Maar of hun producten ooit het buitenland bereiken is onzeker, want de prijzen zijn door overproductie bijna gehalveerd.

De allergrootste verspilling geldt de auto-industrie, de bedrijfstak waar de economische logica het wel vaker aflegt tegen de jongensdroom. De autoverkopen zullen volgens de Londense Economist Intelligence Unit de helft achter blijven bij de verwachtingen van de industrie. Toch ontwikkelt Indonesië tegen alle waarschuwingen in met Koreaanse hulp een eigen auto. Maleisië wil de productie van zijn zwaar beschermde Proton opvoeren naar een half miljoen per jaar. Thailand ontwikkelde zich tot een aantrekkelijk centrum voor buitenlandse autobouwers en is nu na Japan en Zuid-Korea de grootste producent van personenauto's. In China, een automarkt die kleiner is dan Spanje, zijn zes grote autoproducenten toegelaten.

Bij deze ambiteuze plannen, steekt de infrastructuur schril af. De overvloed aan auto's maakte Bangkok tot filehoofdstad van de wereld. In Jakarta, Seoul, Taipei en Manilla komt de harde werker, die zijn zuurverdiende centen in het statussymbool bij uitstek heeft gestopt, evenmin vooruit.

Al deze energie zou beter in het onderwijs gestoken kunnen worden. Want hoewel Aziatische studenten onveranderd hoog scoren op wiskunde-olympiades, is de kwaliteit van het onderwijs onvoldoende om mee te komen met geavanceerde economiën. Premier Goh Choh Tong van Singapore hekelde vorige week het gebrek aan creativiteit onder Singapore's afgestudeerden. 'Meer dan ooit zal onze kans van slagen afhangen van de vingdingrijkheid van onze mensen.'

De politici die geloven dat het aantrekken van de export de problemen op zal lossen, kregen een maand geleden een nieuwe schrik. Een exporthausse is niet meer te verwachten, voorspelde de gerenommeerde Hongkongse investeringsbank Peregrine, omdat 'Azië te duur wordt'. Een extra tegenvaller is dat de dollar ten opzichte van de yen met een derde is gestegen. De vier tijgereconomieën, die hun munteenheid geheel of gedeeltelijk aan de dollar gekoppeld hebben, worden extra duur voor hun grootste afnemer. En de Japanse investeringen in het buitenland, een belangrijke motor van groei, lopen terug.

Andrew Freris van Salomon is minder pessimistisch. 'Ik maak me niet ongerust over malaise. Er blijft een enorm reservoir van groei in Azië.'

Maar niemand betwijfelt dat het moeilijker wordt dat reservoir aan te boren. Een tijger is nu eenmaal minder energiek dan een welp.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.