Zuid-Soedan terug in koloniale tijden

Noord-Soedan haalt zo snel mogelijk de olie uit de grond in Zuid-Soedan – ‘voor het Zuiden in 2011 onafhankelijkheid verkiest’....

Door Kees Broere

Het is officieel: de Grote Muur van China loopt door tot in Afrika. Zoals in Opper Nijl, een deelstaat in het zuiden van Soedan. Daar, niet ver van de nu nog stoffige hoofdweg, wappert de vlag van ‘GW 56’, een zoveelste olieboortoren in het landschap langs de Nijl. De Chinezen op het terrein voelen zich er thuis.

GW staat voor Great Wall, oftewel de Grote Muur. Hier wordt, op ruim 3.500 meter diepte, naar olie geboord. ‘De Chinezen’, vertelt een hoge Zuid-Soedanese ambtenaar in het gebied, ‘kregen van de regering in het Noorden, in Khartoem, te horen: ga er maar heen en kies maar uit. Alsof het een ontvolkt gebied betrof.’

Maar hoe leeg, heet en onderontwikkeld Opper Nijl ook bleek te zijn, mensen woonden hier wel degelijk. Vooral Dinka, de boeren en nomaden die zich verwant weten met de autonome Zuid-Soedanese regering van president Salva Kiir. Langzaam maken zij, hun beesten en hun sorghumvelden plaats voor de winning van olie.

Al ruim dertig jaar wordt in Soedan olie gewonnen. Maar het noordelijke bewind van president Omar al-Bashir heeft de exploratie van het zwarte goud lange tijd zo goed als verborgen weten te houden voor de buitenwereld. De toegang die we hebben tot het gebied is dan ook vrij uniek te noemen.

Vroeger stuitten bezoekers in Opper Nijl, zoals op de weg tussen Melut en Paloich, al snel op de zogeheten oliepolitie, agenten uit het Noorden die, net als de adelaars die op hun uniformen waren genaaid, alles en iedereen scherp in de gaten hielden. Maar geleidelijk aan zijn zij er teruggetrokken.

‘Ga zelf maar kijken’, zegt Acwil Awol, de plaatsvervangend bestuurder van het graafschap Melut. ‘We hebben hier veel olie en veel problemen. De Chinezen kunnen er hun gang gaan. Samen met de leiders in Khartoem proberen ze de olie uit de grond te halen vóór volgend jaar, als het Zuiden onafhankelijk wordt.’

De olie in Soedan, zegt een westelijk diplomaat, ‘is explosief materiaal in de discussie over onafhankelijkheid van het Zuiden. De verdeling van de opbrengsten zal de staatsopbouw bepalen.’ Blijft overeenstemming hierover uit, dan zijn Noord en Zuid bereid weer de wapens tegen elkaar op te nemen.

Eerst lijkt er weinig bijzonders te zien. De dorpelingen bij het plaatsje Paloich wakkeren de vuurtjes van geitenkeutels aan, bedoeld om tseetseevliegen bij hun dieren weg te houden. Een vrouw haalt water uit de Nijl. Kinderen lopen blootsvoets tussen de tukuls, de Soedanese hutten van riet en leem.

Maar aan de horizon steekt een vreemd voorwerp de kop op. Het is een boortoren van Petrodar, het olieconsortium van voornamelijk Chinese en Noord-Soedanese ondernemers. Ongevraagd melden we ons aan de poort. De Iraakse opzichter, Aziz El-Malakil, is bereid een korte rondleiding te geven.

‘Dubai kun je het hier nog niet noemen’, zegt de vriendelijke Irakees, terwijl achter hem Chinezen en Soedanezen het brugstuk van een pijp proberen aan te sluiten. ‘Daarvoor is het hier nog veel te onveilig. Maar wie weet, op een dag. De plaatselijke bevolking is in elk geval blij met wat we voor hen doen.’

Van die vreugde blijkt weinig. Ahow Angui, een man die zich met capuchon en zonnebril stevig tegen de zandwinden heeft ingepakt, vertelt hoe hij op het terrein waar nu naar olie wordt geboord eerst zijn sorghum plantte. ‘De Chinezen vertelden me dat ik er weg moest. Ik kreeg 900 pond (ongeveer 300 euro, red.), wat ik met zo’n 150 mensen moet delen.’

Maar merkt hij niet dat de oliewinning ook de ontwikkeling van zijn gebied ten goede komt? ‘Ik weet helemaal niets van olie’, zegt Angui. Zijn woorden worden elders herhaald door Barech Dau, een man die aanwijst waar de oliemaatschappij vervuild water heeft gedumpt. ‘Toen ik vroeg wat ze hier deden, zeiden ze dat ze naar water kwamen boren. Ik heb geen idee wat er met die olie gebeurt.’

De deelstaat Opper Nijl, waar ook de plaats Paloich ligt, is tegenwoordig goed voor ruim 300 duizend olievaten per dag. Het bestuur van Opper Nijl zelf ontvangt 2 procent van de opbrengsten. Het overige geld wordt evenredig verdeeld tussen de regeringen van Noord- en Zuid-Soedan. Maar alleen het Noorden weet hoeveel geld precies er maandelijks binnenkomt van de olie, die vooral in het Zuiden wordt gewonnen.

‘Soms krijg ik 200 duizend dollar per maand, soms 2 miljoen’, vertelt Stephen Dhieu Dau, de minister van Financiën voor Opper Nijl. Hij is een machtig man, want verantwoordelijk voor het doorsluizen van het geld naar de andere deelstaatdepartementen. Bij zijn kantoor in Malakal, de hoofdstad van Opper Nijl, is het dringen met bezoekers, al dan niet met een bruine envelop met contant geld.

‘We weten dat de oliewinning voor vervuiling zorgt en dat mensen van hun land worden verjaagd. We kaarten dit aan bij de oliemaatschappijen.’ Veel gehoor vindt hij echter niet. Want, zoals een VN-medewerker in het gebied zegt: ‘Het is een gesloten wereld, de oliehandel. Ons is het nog steeds niet gelukt met mensen hier een afspraak te maken.’

Ondertussen gaat de oliewinning in razend tempo verder. Wie het gebied tussen Melut en Paloich na zonsondergang bezoekt, heeft de indruk in een metropool te zijn beland. Niet alleen door de moderne luchthaven die de oliebedrijven voor zichzelf hebben aangelegd, maar ook door de talrijke felle lichten in het gebied.

Maar overdag blijkt hoe scherp het contrast is tussen de boortorens, de pompstations, de olieopslagtanks en de pijpleidingen aan de ene kant, en de armoedige levensomstandigheden van de Zuid-Soedanese bewoners aan de andere kant. De zandwegen zullen straks geasfalteerd zijn. Maar voor een ezelskar maakt dat weinig uit.

De regering in het Zuiden, die na de geplande verkiezingen in april dit jaar vooral gericht is op het referendum over onafhankelijkheid dat in januari 2011 moet plaatsvinden, voert lastige onderhandelingen met de regering in het Noorden over de toekomstige verdeling van de olie-inkomsten. ‘Het is erg gevoelig, erg complex’, zegt Arkangelo Okwang van het ministerie voor Energie en Mijnen in de zuidelijke hoofdstad Juba.

Het Noorden is volgens hem uit op ‘problemen’. Want van de huidige verdeling van 49-49 procent van de opbrengsten, overeengekomen in het vijf jaar geleden gesloten vredesakkoord, wil een onafhankelijk Zuiden af: ‘Met die verdeling hebben we destijds de vrede gekocht. Maar dat willen we niet meer. Genoeg is genoeg.’

En dus is het voor het Noorden nu in elk geval zaak om dit jaar zo veel mogelijk olie uit het Zuiden via de noordelijke pijplijn en de noordelijke raffinaderijen binnen te krijgen. ‘Ook al gebruiken de Chinezen daarvoor oude en vervuilende technieken’, zegt Thon Jauch, de hoofdbestuurder van het graafschap Melut. ‘Het maakt hun allemaal niets uit. We zijn terug in koloniale tijden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden