Wonen in Vinex-land

De Vinex-locatie Leidsche Rijn ten westen van Utrecht toont wat stedenbouwkundigen en architecten de afgelopen decennia hebben geleerd. Veel, volgens tevreden bewoners....

tekst Arnold Koper fotografie Goos van der Veen

Groot, ja wat is groot nu helemaal?', protesteert Riek Bakker als ik haar voorhoud dat Leidsche Rijn, na Almere, misschien wel het grootste nieuwbouwproject is van de laatste decennia. 'Omvang', zegt ze gedecideerd, 'is in mijn vak niet van zoveel belang. Het gaat om de complicaties waarmee je te maken krijgt. Maar een beetje trots is ze natuurlijk wel op het formaat van Leidsche Rijn. Ruim dertigduizend woningen worden er in het nieuwe, westelijke stadsdeel van Utrecht gebouwd. Er komen bedrijventerreinen, scholen natuurlijk, winkelcentra, sportvelden en uitgaansgelegenheden. Een snelle busbaan en, later, ook light rail zorgt voor een optimale verbinding met de centrumstad. En als het geheel over tien, vijftien jaar klaar is heeft Leidsche Rijn met zo'n negentigduizend inwoners de omvang van een stad als Delft.

Riek Bakker is een struise, niet alleen voor deze gelegenheid informeel geklede vrouw. Tikje een jaren zestig type. Maar bepaald niet zweverig, eerder een doener en een macher. In het kleine gilde van de vaderlandse stedenbouwers staat ze als zwaargewicht bekend. Ze deed, en doet, de meest prestigieuze projecten. Het basisontwerp voor de Rotterdamse Kop van Zuid is van haar hand - Bakker was ooit directeur van de Dienst Stedenbouw en Volkshuisvesting in die stad. Ze is nauw betrokken bij het, vooralsnog stagnerende, Utrecht Centrum Project dat Utrecht een alternatief moet bieden voor het even uitgewoonde als lelijke en onveilige Hoog Catherijne. En ze maakte met haar medewerkers, inmiddels al weer zes jaar geleden, het masterplan voor Leidsche Rijn.

De grootste Vinex-locatie van Nederland is in aanbouw en ligt er rommelig bij. Veel opgespoten zand, rondslingerend bouwplastic, bulldozers en wegomleidingen. Maar Bakker ziet andere beelden als we in haar Volvo met chauffeur door het oud-Hollandse landschap glijden. 'Kijk hier heb je een archeologische vindplaats' - een boerderij, een Romeinse opgraving, een zeventiende-eeuws hek - die in de nieuwbouw wordt bewaard. Die wilgenlaantjes en oude lintbebouwing zijn ook in onze plannen opgenomen. Maar die kassen - Leidsche Rijn is nu nog een bloeiend tuinbouwgebied - gaan weg, inderdaad.

Leidsche Rijn ligt ten westen van Utrecht in de oksel van de a12 (naar Rotterdam) en de a2 (naar Amsterdam) die het nieuwe stadsdeel van Utrecht scheidt. Daarachter ligt ook nog het druk bevaren Amsterdam-Rijnkanaal. De opdracht die Riek Bakker in 1994 door de gemeentebesturen van Utrecht en, het nu nog zelfstandige, Vleuten De Meern werd voorgelegd, was inderdaad complex. Utrecht wilde dat het nieuwe stadsdeel naadloos aan zou sluiten op de oude stad, maar dat is lastig met een drukke snelweg en een kanaal ertussen. Vleuten De Meern wilde ook best bouwen, maar alleen als de nieuwbouw even dorps en landelijk zou worden als de twee oude kernen waaruit die gemeente bestaat.

Bakker zocht, en vond, een compromis door midden in Leidsche Rijn een grote groene ruimte te plannen, het centrale park. Dat getuigt niet alleen van haar visie op de compacte stad: 'De bewoners van Leidsche Rijn moeten op loop- en fietsafstand kunnen recreëren.' Maar het park wordt ook de grens tussen verschillende soorten bebouwing. De wijken ten westen ervan krijgen het landelijke karakter waar Vleuten De Meern om heeft gevraagd. En naar het oosten, richting Utrecht, wordt de bebouwing stapsgewijs compacter.

Haar tweede list was het voorstel om de a2 over een lengte van twee kilometer te overkappen. Het belangrijkste obstakel tussen Utrecht en Leidsche Rijn werd daardoor opgeheven en de ruimte boven en rond de snelweg kon ook voor woningbouw worden gebruikt. Iedereen was enthousiast. Margreet de Boer, destijds minister van Volks huis vesting en Ruimtelijke Ordening, en Annemarie Jorritsma (Verkeer en Waterstaat) vonden het een fraai voorbeeld van intensief ruimtegebruik. 'Maar een mooi plan is één ding, de uitvoering ervan een ander.'

Jarenlang werd er over die overkapping gesteggeld. Eerst was het te onveilig volgens Rijkswaterstaat, want als er een ongeluk gebeurde kon niemand bij de weg. Dus werd er een andere variant bedacht waarin de weg slechts gedeeltelijk zou worden overkluisd. Maar dat bleek weer tot te veel luchtvervuiling in het woongebied te leiden. Inmiddels, zegt Bakker opgelucht als we de a2 passeren, maakt haar oude voorstel toch weer een goede kans. 'Met een beetje passen en meten blijken de veiligheidsrisico's waarschijnlijk toch beheersbaar te zijn.'

Bakker mag dan te boek staan als de aartsmoeder van Leidsche Rijn, toch heeft zij met het ontwerpen van de woningen in het nieuwe stadsdeel niets te maken gehad. Dat ging aan het begin van de eeuw bij grote uitbreidingsplannen anders. Berlage, de grondlegger van de moderne Nederlandse stedenbouw, tekende niet alleen het stratenpatroon van Amsterdam-Zuid, maar drukte ook zijn stempel op de architectuur van de huizen. In Leidsche Rijn was die werkwijze onmogelijk, vertelt Bakker die zelf niet als bouwmeester, maar als landschapsarchitect is opgeleid. 'Je kunt niet meer, ... la Berlage, vanaf je zolderkamertje je eigen ideale buurt ontwerpen. Daarvoor is de omvang te groot en zijn er te veel belangen in het spel. Je dacht toch niet dat projectontwikkelaars zich laten voorschrijven welke wijken en woningen ze over vijf of tien jaar moeten bouwen?

Bakkers masterplan beperkte zich dan ook tot het 'platte vlak'. Ze bepaalde waar de wijken, de huizen, de winkels, het groen en de waterpartijen moeten komen. Andere architecten en stedenbouwkundigen zorgen per deelgebied voor het uiteindelijke ontwerp. 'Kijk, daar heb je de nette strepen van Stefan Gall', zegt ze als we achter de oude dorpskern van De Meern de nieuwbouwwijk Veldhuizen binnenrijden. Ze is enthousiast over het werk van haar collega-stedenbouwkundige en wijst op details. De vlaggenstokhouders die op de woningen zijn aangebracht. De diagonaal gelegde kleine stoeptegels, de gemetselde plantenbakken, de lage stenen muurtjes en de fraaie ijzeren hekken die langs de tuinen van de bewoners zijn geplaatst. 'Hier krijgen de mensen echt waar voor hun geld.'

Veldhuizen is een statige, traditioneel opgezette wijk. Er is net als overal elders in Leidsche Rijn sociale woningbouw (huur en koop) te vinden, maar er staan ook geschakelde villa's in het luxe segment. Het beeld van de ruim ogende wijk wordt echter vooral bepaald door (middel)dure koopwoningen aan meestal brede straten en een enkele singel. Het zijn rijtjeshuizen, dat wel. Maar overal op alle straathoeken zijn er doorkijkjes naar groene ruimtes, een roestige loods, de oude lintbebouwing met Hans en Grietje-huizen of een laan met bomen die net zijn aangepland. 'Veldhuizen krijgt precies die dorpse identiteit die Vleuten De Meern graag zag.'

We rijden een paar kilometer verder, naar Langerak in het Utrechtse deel van de nieuwe stad. Bakker verklapt ondertussen het geheim van moderne woningbouw. Variatie, daar komt het op aan. 'Je moet afwisselend en voor verschillende doelgroepen durven bouwen. Soms hoog, dan weer laag, hier met stadse, daar juist met dorpse accenten.'

En inderdaad. Terwijl Veldhuizen heel nadrukkelijk als een eenheid ontworpen lijkt te zijn, wordt Langerak juist gedomineerd door scherpe contrasten. De wijk, naar een ontwerp van de in Berlijn docerende Nederlandse architect Kees Christiaanse, is uit een groot aantal verschillende eilanden opgebouwd, waarop afzonderlijke architecten zich hebben mogen uitleven. Er staan nogal wat woningen die een experimentele indruk maken. Jaco Visser bouwde er rode huizen met glooiende golfplaten daken. 'Computers tussen de boomgaarden', noemt hij die zelf. Kas Oosterhuis tekende voor patiowoningen met kantoor aan de achterkant.

Maar de juweeltjes in Langerak zijn van Sjoerd Soeters, ontwerper van onder meer het Java-eiland in Amsterdam. Aan de Houtrakgracht heeft hij een complex van com pacte, maar toch zeer ruim ontworpen huurwoningen (vrije sector) neergezet, met daarachter een aantal taps toelopende intieme hofjes met sociale woningbouw. 'Daar zou ik nou zelf wel willen wonen', zegt Bakker als we terugrijden naar haar kantoor aan de Utrechtse Maliebaan. 'Ik ben blij dat er op Leidsche Rijn ook voor mensen met een kleinere beurs nog zo mooi wordt gebouwd.'

Het was onmiddellijk hommeles tussen de gemeente en de eerste bewoners van Langerak, een buurtje in Leidsche Rijn. Het meningsverschil gaat, Hollandser kan het niet, over schuttinkjes. Die schoten, pal nadat de eerste pioniers hun huizen waren ingetrokken, als paddestoelen uit de grond. Tot grote ergernis van de architecten en de gemeenteambtenaren die juist hun best hadden gedaan van Langerak iets moois te maken.

De 'architectuurpolitie', zoals de welstandscommissie door kwaadsprekers wel wordt genoemd, had er al voor gewaarschuwd. In een deel van Langerak lopen de voor- en achtertuinen namelijk vloeiend over in openbare binnenhoven en paden. Zo heb je bij een behoorlijke dichte bebouwing minder groenvoorziening nodig en krijg je toch een lekker ruimtelijk effect. Jammer dus, dat de bewoners vooral aan hun privacy bleken te hechten en en masse naar de Gamma trokken om een schutting, hek of muurtje op te trekken.

Wethouder Rijckenberg (GroenLinks) is vanaf haar aantreden in 1994 verantwoordelijk voor het Utrechtse deel van Leidsche Rijn. Ze begrijpt de nieuwbouwbewoners wel, er is 'een stedenbouwkundige blunder' gemaakt. 'De architecten hadden de privacywensen van de bewoners zwaarder moeten laten wegen. Maar als iedereen zijn eigen schuttinkje of muurtje plaatst, gaat het beeld, de ruimtelijke kwaliteit, van Langerak eraan.'

Vandaar die welstandsoekaze van een paar maanden geleden: voor schuttingen en andere erfafscheidingen die de meter te boven gaan, moet vergunning worden aangevraagd.

Carel Weeber, architect en hoogleraar bouwkunde, gruwt van zulke praktijken. Een paar jaar geleden kreeg hij, na een lange carrière als stedenbouwer, een visioen. Het moest afgelopen zijn met het stramme patroon van rijtjeshuizen, met de 'staatsarchitectuur', met de orde en netheid die door architecten en gemeenten aan bewoners wordt opgelegd. Het 'wilde wonen' werd zijn nieuwe ideaal. Weg met de 'versteende tentenkampen'. Geef iedereen zijn eigen lapje grond en laat hem daarop zijn eigen huisje bouwen, geheel naar zijn eigen, particuliere smaak.

'Architecten', zegt Weeber nu, ook over zijn eigen alles behalve wilde woningbouw, 'klagen over de "terreur van het Gamma-hek'' omdat het niet past bij het beeld dat zij ontworpen hebben. Maar het is omgekeerd: het is hún architectuur die nergens bij past. Alles in zo'n nieuwbouwwijk is precies geordend en gepland. Alles wat afwijkt, is storend en moet verwijderd worden, terwijl het in feite uitingen van individuele vrijheid zijn.'

Weebers bezwaren sluiten aan bij een breder levend ongenoegen over de van oudsher sterk geregisseerde Nederlandse stedenbouw. In de jaren zestig richtte de kritiek zich op de massieve hoogbouwflats en de monotone stempelbouw, een op strakke herhaling gebaseerde stedenbouwkundige aanpak waarin elke architectonische verfraaiing het loodje legde.

Ook de woonerven met hun kronkelige straatjes die later her en der in het land werden opgetrokken, konden volgens menigeen niet door de beugel. Weeber zelf sprak destijds in een geruchtmakend artikel van de 'nieuwe truttigheid', maar pleitte toen nog niet voor vrijer of wilder wonen, maar juist voor strenge modernistische stedenbouw. Zijn massieve stedelijke woonblokken in de Amsterdamse Venserpolder zijn er de versteende getuigen van.

Sinds de start van het Vinex-programma, halverwege de jaren negentig, heeft de onvrede over de Nederlandse woningbouw nieuwe hoogten bereikt. Hedy d'Ancona, bestuursvoorzitter van het Nederlands Architectuur insti tuut, zei vorig jaar dat Vinex haar meer aan een schuurmiddel dan aan mooie woningbouw deed denken. En staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg sprak van een 'diarree van doorzonwoningen die links en rechts over het land wordt uitgestort'.

Het woord Vinex staat in het publieke debat voor nivellering, voor saaie middelmaat en fantasieloze buitenwijken. Vis noch vlees, wordt vaak gezegd. Dat neemt niet weg dat de nieuwbouwwoningen van het laatste decennium gretig aftrek vonden. Er zijn natuurlijk klachten: over te kleine tuinen, de openbare groenvoorziening, te weinig bergruimte, gebrek aan parkeerplaatsen vooral. Maar de meeste onderzoeken wijzen uit dat de bewoners van nieuwbouwbuurten doorgaans tevreden zijn.

Ashok Bhalotra, zelf ontwerper van de veel geprezen Amersfoortse droomwijk Kattenbroek en betrokken bij tal van nieuwbouwprojecten, heeft weinig op met het heer sende anti-vinexvirus. 'Het is een papegaaiencircuit. Minister Van Boxtel had het onlangs op een bijeenkomst over de "vervinexing'' van Nederland. "Als je er werkelijk zo over denkt, moet je ook het lef hebben er een eind aan maken'', heb ik hem toen gezegd. Want het is toch te gek. Zij - de politici, de Kamer, het kabinet - sturen ons met een gigantische bouwopdracht op pad en beginnen vervolgens te klagen dat het allemaal niks zou zijn.'

Volgens Bhalotra wordt er in Nederland heel afwisselend en zorgvuldig gebouwd. Het ene project is mooier dan het andere en de woningen en kavels zouden vaak best wat groter mogen, maar de meeste architecten kunnen best uit de voeten met het Vinex-beleid.

Trouwens, 'de' Vinex-woning bestaat helemaal niet. Het door de Rijksoverheid geïnitieerde, maar door de gemeenten en projectontwikkelaars uitgewerkte bouwprogramma, voorziet tot 2005 in de bouw van ruim 635 duizend woningen. Een dikke 400 duizend daarvan worden compact gebouwd op de 'uitleglocaties' aan de rand van stedelijke gebieden. De overige woningen komen in binnenstedelijke gebieden terecht.

Het Vinex-beleid is erop gericht de steden nieuw leven in te blazen, de automobiliteit te beperken en de resterende open ruimte groen te houden. Het gevolg daarvan is wel dat er op de Vinex-locaties betrekkelijk veel rijtjeshuizen worden gebouwd. Die kosten nu eenmaal minder ruimte dan de populaire twee-onder-een-kap woningen of villa's op vrije kavels.

Dat neemt niet weg dat er door architecten en stedenbouwkundigen veel wordt geïnvesteerd in een gevarieerd beeld van de Vinex-wijken. Natuurlijk is er ook sprake van herhaling. Bekende architecten worden bijvoorbeeld vaak opnieuw gevraagd omdat ze populaire woningen of wijken hebben gebouwd. Maar dat probleem is van alle tijden. De huizen aan de zeventiende-eeuwse grachtengordels werden ook volgens vaststaande patronen gebouwd.

Professor Pieter Hooimeijer is gespecialiseerd in volkshuisvesting en stedelijke ontwikkeling. Hij voorziet een mooie toekomst voor Leidsche Rijn, maar relativeert de betekenis van architectuur en stedenbouw. Het succes en falen van nieuwe stadswijken hangt volgens hem van heel andere factoren af. Vooral de ligging ten opzichte van belangrijke werkgebieden is van belang. 'Kijk maar Lelystad en Delfzijl. Daar kunnen ze bouwen en ontwerpen wat ze willen, maar doordat die plaatsen weinig werk hebben te bieden, treedt er leegstand op en begint er een proces van verloedering dat nauwelijks in de hand is te houden.

'In Leidsche Rijn is dat risico verwaarloosbaar. De Utrechtse regio is al jaren in trek bij woningzoekenden omdat alle belangrijke werkgebieden in de Randstad en Gelderland van hieruit snel en gemakkelijk bereikbaar zijn. De druk op de Utrechtse woningmarkt is daarom al jaren hoger dan elders in het land.'

Toch ziet Hooimeijer wel een probleem voor Leidsche Rijn. Maar dat heeft, curieus genoeg, met de razendsnelle welvaartontwikkeling te maken. Het bouwprogramma van de meeste Vinex-locaties werd halverwege de jaren negentig vastgesteld. Nederland was toen nog maar net uit een langjarige stagnatie ontwaakt. De sanering van de verzorgingsstaat was nog in volle gang. De eisen die mensen aan hun huisvesting stelden, waren nog bescheiden.

Dat is veranderd en niet zo'n beetje. De opbloei van de economie bracht een dynamiek op gang die in het Vinex-beleid niet was voorzien. De nieuwe twee- en veelverdieners willen ruimere, als het even kan vrije, kavels, maar toch ten minste een woning van twee-onder-een-kap. De sterk gestegen huizenprijzen zijn voor hen geen obstakel. De gemiddelde prijs die kopers voor hun huis wilden betalen, steeg binnen een jaar tijd van 363 naar 425 duizend gulden, en maar liefst 27 procent van de aanstaande kopers zocht een woning van meer dan een half miljoen gulden vrij op naam. Zo bleek uit een enquête van het Nederlandse Verbond van Bouwbedrijven eind vorig jaar.

Het aanbod op Leidsche Rijn heeft een andere ontwikkeling doorgemaakt. Een voorbeeld daarvan is Langerak. Daar zijn meer woningen gebouwd dan oorspronkelijk was gepland, en een deel van de woningen wordt inderdaad tegen hogere prijzen op de markt gebracht. Maar de maat van de tuinen en de woningen bleef gelijk. Vergeleken met een paar jaar geleden krijgen de huizenkopers zo bezien dus niet meer, maar juist minder waar voor hun geld.

De conclusie is duidelijk: er zal ruimer en luxueuzer moeten worden gebouwd. 'Verdunnen', heet dat in Vinex-taal. Maar dat kost ruimte - en die is nogal schaars in Nederland. Op de lange termijn komen er door de sanering van de agrarische sector landbouwgronden vrij die deels voor woningbouw kunnen worden gebruikt. Maar dat biedt de bestaande nieuwbouwlocaties weinig soelaas. Het bouwprogramma in de meeste Vinex-locaties is al lang en breed contractueel vastgelegd. Staatssecretaris Remkes van Volkshuisvesting heeft nog wel pogingen ondernomen die contracten open te breken, maar heeft daarmee weinig succes gehad.

Volgens een recent regionaal onderzoek bestaat er vooral in Utrecht zelf nog een omvangrijke groep die niet in staat is hogere huur- of koopprijzen op te brengen. Voor hen betekent een luxere opzet van Leidsche Rijn, dat zij aangewezen blijven op de bestaande goedkope, vaak sterk verouderde, woningvoorraad in de stad.

Riek Bakker maakt zich daar zorgen over. 'De grote steden in Randstad zitten barstens vol problemen. Er wordt zelfs over getto's gesproken. Als je daaraan iets wilt doen, moet je de goedkope voorraad uitbreiden en verbeteren. Ik vind nog steeds dat een stad, ook Leidsche Rijn, een divers geheel moet zijn. Dat geldt voor de architectuur en stedenbouw, maar ook voor de sociale samenstelling van de stad.'

Het beeld dat Bakker schetst was gedurende de afgelopen decennia het officiële ideaal van de woningbouw. Om segregatie van welvarende en armere bevolkingsgroepen zoveel mogelijk te voorkomen, werden op veel nieuwbouwprojecten goedkope en dure huizen door elkaar gebouwd. Natuurlijk was de praktijk weerbarstiger en trokken mensen die dat konden betalen altijd al naar hun eigen wijkjes en buitenplaatsen. De rijken naar het Gooi en Wassenaar. Anderen kozen voor Purmerend, Hoorn, Almere, Houten of Nieuwegein om van de 'Turken' verlost te zijn.

Toch bleef 'gemengd bouwen', zeker in de grote steden een belangrijke onderdeel van gemeentelijke beleid. Maar juist daarin begint sluipenderwijs verandering te komen. Dat heeft deels te maken met de sterk toegenomen invloed van marktpartijen in de woningbouw. Die bouwen liever voor de vrije sector dan voor het sociale segment van de markt, al is het maar omdat daaraan minder te verdienen valt.

Ook verschuivende cultuurpatronen spelen een rol. Twintig jaar geleden was nivellering nog een belangrijke waarde in Nederland, nu lijkt het accent naar exclusiviteit verlegd te zijn. Het oude streven naar sociale samenhang, 'de boel bij elkaar houden', heeft daardoor aan overtuigingskracht ingeboet.

Neem stadssocioloog Arnold Reijndorp, een kenner bij uitstek van de Nederlandse stedenbouw. In Buitenwijk, een van zijn laatste boeken, brak hij nog een lans voor de modale, gemengd opgebouwde voorstad waarin mensen met sterk uiteenlopende sociaal-culturele levensstijlen zich thuis kunnen voelen. Toch pleit ook Reijndorp inmiddels voor woonmilieus die hun kracht juist ontlenen aan hun exclusiviteit.

'Ik heb niets tegen het mengen van verschillende milieus en bevolkingsgroepen, maar er wordt zo krampachtig mee omgegaan. Als je huurders in een dure koopwijk zet, wordt de afstand tussen die twee groepen heus niet opgeheven, maar vaak versterkt. Ik denk dat een geslaagd woonmilieu samenhangt met een overeenkomstige levensstijl. Dan krijg je buurten met een eigen, gemeenschappelijke beleefde, identiteit.'

Carel Weeber gaat nog een stapje verder. 'In Amerika zie je steeds meer gated communities: exclusieve buurten met een slagboom en bewaking. Daar ben ik op zichzelf geen voorstander van, maar ik denk wel dat we ook hier met zo'n ontwikkeling te maken krijgen. Iedereen die dat wil, kan in Nederland een flat optrekken en daar met zijn eigen exclusieve gezelschap in gaan wonen. Maar als je dat flatgebouw op zijn kant legt en er een besloten buurt van maakt, is het verboden. Dat vind ik raar.'

Ashok Bhalotra schrikt van zulke ideeën. Hij vertelt over zijn twee zoons. Die zijn in Nederland opgegroeid, maar worden dankzij hun Indiase uiterlijk in elke discotheek in Rotterdam geweigerd. 'Is dat soms wat ze met die exclusieve milieus bedoelen? Nee natuurlijk, maar het is wel de consequentie ervan.'

Bhalotra houdt van steden, straten, pleinen en wijken die voor iedereen toegankelijk zijn. Hij houdt van verschillen, maar wil naar de ontmoeting, naar culturele diversiteit. 'Er is helemaal niets op tegen als mensen zich kunnen verbeteren, maar dat hoeft toch niet tot vermijdingsgedrag te leiden?' De benadering van Weeber en Reijndorp vindt hij gevaarlijk en veel te beperkt. 'Het gaat in de stedenbouw niet alleen over de wensen van een kleine bovenlaag. Die hebben hun weg altijd wel gevonden. Ik blijf eraan hechten dat juist de brede middengroepen hun woonwensen in vervulling zien gaan.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden