Warner Bros. schetst prachtig het ontstaan van het grote Hollywood, met de broedertwist al leitmotiv

Over de ruzie tussen deze broers kun je zo een Netflixserie maken

Een nieuw boek over de filmbroers Warner schetst prachtig het ontstaan van het grote Hollywood - en ook hoe hun eigen ruzie daarin altijd een centraal thema is geweest.

Jack Warner in 1946 met zijn vrouw Ann Page. Jack kreeg alle aandelen van de studio in handen, maar verkocht ze in 1966. Als onderdeel van Time Warner leeft de familienaam voort. Beeld getty

Hollywoods zonnekoning is gevallen en dat ging met een klap. We hebben het natuurlijk over de recentelijk onthulde seksuele intimidaties van Harvey Weinstein, de studiobaas die zich jarenlang boven de Wet op de omgangsvormen waande.

Toch hoef je niet van het complotdenken te zijn om te begrijpen: deze excessen zijn al zo oud als de filmindustrie zelf. Hollywood Babylon, nietwaar? Iemand als Jack L. Warner (1892-1978), het creatieve hoofd van de gelijknamige studio, die kon er ook wat van. Dat het zo druk was op kantoor, vertelde hij zijn vrouw Irma dan. En dat hij dus maar bleef slapen op de bank. Talloze affaires met aankomende actrices beleefde Jack, met onder anderen musicalster Marilyn Miller. Nieuwkomer wil hogerop, studiobaas ruikt prooi. Nothing changes, really.

In 1934 werd Jack Warners maîtresse Ann Page zwanger. Dat is nog eens wat anders dan een aanranding, maar het schandaal was in die dagen vergelijkbaar met de publiciteit rond Weinstein nu. Twee jaar later zou Jack na de scheiding van Irma met Ann trouwen. De overige Warners accepteerden haar nimmer als familielid.

Met name broer Harry niet. Harry Warner (1881-1958), elf jaar ouder dan benjamin Jack, was het morele geweten van de familie. Hij leefde naar de regels van zijn traditionele Joodse ouders. Decennialang was hij de ceo van filmstudio Warner Bros., die hij in 1918 had opgericht, samen met zijn broers Albert, Sam en Jack. Harry hield een scherp oog op de centjes, Jack gaf ze uit.

Met succes, overigens. Warner Bros. werd al snel een major, een studio van het kaliber Universal, MGM en Paramount. De grootste troef van Warner in het tijdperk van de stomme film was een Duitse herder die door een Amerikaanse soldaat in 1918 van het Franse slagveld van de Eerste Wereldoorlog was gered: Rin Tin Tin. Hij mocht zijn kunsten vertonen in 27 films met titels als Where the North Begins en was onmiddellijk een kassucces. In 1960 kreeg Rin Tin Tin (1918-1932) zijn eigen ster op de Hollywood Walk of Fame. Ook was hij de favoriete filmheld van schrijver-schilder Jan Cremer.

David Thomson
Warner Bros - The Making of an American Movie Studio
Yale University Press
hardback, 224 pagina's, 29,90 euro

Dat laatste weetje staat overigens níét in Warner Bros - The Making of an American Movie Studio, geschreven door filmautoriteit David Thomson. In deze recentelijk verschenen handzame biografie schetst hij trefzeker de familiegeschiedenis, waarin de broedertwist tussen de bedachtzame Harry en de flamboyante Jack, mét Errol Flynn-snorretje, de rode draad vormt.

Het is bijna: Kaïn en Abel beginnen een filmmaatschappij. Er zit een Netflixserie in. Het absolute dieptepunt mag er wezen, dramaturgisch gesproken. In de vroege zomer van 1956 sprak Jack steeds vaker met Harry en Albert over welverdiend cashen: ze moesten die successtudio maar eens verkopen. Met zijn drieën, want broer Sam was er niet meer bij. Hij was in 1927 fysiek bezweken aan zijn (geslaagde) poging om met Warners The Jazz Singer de eerste geluidsfilm ooit te presenteren - een revolutie. Maar een dag voor de première overleed Sam aan een longontsteking.

The Searchers (John Ford, 1956).

Harry en ook Albert hadden wel oren naar Jacks plan de studio te verkopen. Ze waren al over de 70, en dus lieten ze Jack een bevriende bankier in Boston benaderen, Serge Semenenko. Vervolgens verkochten de drie broers 90 procent van hun Warneraandelen voor 22 miljoen dollar aan het zogeheten Semenenkosyndicaat.

Iedereen tevreden, zou je denken. Maar Jack had een dubbele agenda. De inkt was nog niet droog of Jack kocht zijn eigen aandelen plus wat extra terug bij Semenenko. Nu was Jack zelf alleen de baas. En Harry en Albert stonden buiten. Bij het lezen van dit nieuws in Variety trok Harry wit weg, viel op de grond, kreeg een hartaanval en belandde in een coma. Niet veel later overleed hij. Zijn vrouw Rea sprak bij de begrafenis: 'Harry is niet overleden. Harry is vermoord, door Jack.' Of, zoals Thomson het in zijn boek samenvat: 'Het was geen fraude. Het was geen misdaad. Het was persoonlijker dan dat.'

Casablanca (1942)

En de Warner Saga was nog wel zo vrolijk begonnen. Bijna als een sprookje, zo met vader Benjamin als schoenlapper. Benjamin Wonskolasor trok met vrouw Pearl en hun gezin van elf kinderen vanuit Oost-Europa (nu Polen, toen onderdeel van het Russische tsarenrijk) in januari 1888 naar Baltimore. Als eerste blijk van inburgering veranderden ze hun achternaam in Warner, maar thuis werd louter Jiddisch gesproken.

Ook in de Nieuwe Wereld bleef vader schoenmaker, zijn zonen sleutelden aan fietsen, probeerden een bowlingbaan te exploiteren en gingen in de vleeshandel, allemaal met weinig succes.

Where the North Begins (1923)

Het moet eind 1903, begin 1904 zijn geweest, in elk geval bij een familiediner. Na het toetje kwam broer Sam met een verrassing op de proppen. Hij had een Edison-kinetoscoop op de kop getikt, een primitieve filmprojector. Sam vertoonde wat flarden van The Great Train Robbery, het stomme gangsterfilmpje uit 1903. Met horten en stoten, maar het wonder was er niet minder om. Bewegend beeld! Het leven zelf op de staart getrapt! Bij Harry (toen 22, Jack 11) ging een lampje branden: 'Dit is wat we gaan doen. We gaan in de filmindustrie. Dát heeft de toekomst.'

Dus kochten ze de vertoningsrechten van een handjevol films, waaronder The Great Train Robbery, en begonnen die in vervallen buurttheaters te presenteren. Dat liep aardig, al duurde het nog tot 1918 voordat Warner zijn eigen studio opende aan 5800 Sunset Boulevard, Los Angeles. Nu waren de broers niet slechts exploitanten, ze gingen ook zelf films produceren en distribueren. Eerste 'eigen' Warnerfilm: My Four Years in Germany (1918), over de lotgevallen van een Amerikaanse ambassadeur. Na een extra financiële injectie van de bank werd in 1923 de firma Warner Bros. Pictures Incorporated geregistreerd, maar in feite bestaat de onderneming in 2018 dus precies een volle eeuw.

Scherpe timing van auteur David Thomson. Uiteraard gaat hij in op de vraag wat een film nu precies een Warnerfilm maakt, maar eerst legt hij in zijn boek uit waarom speelfilm dé taal van de 20ste eeuw werd, zeker in Amerika. Kort gezegd: de geloofsbeleving nam, ook onder immigranten, langzaamaan af. De behoefte aan verhalen en parabels bleef - buiten de kerk om, en speelfilm sprong in dat gat. Met scenario's over heroïek en het 'juiste' doen, over liefde en leven, gemeenschapszin en hoe een individu 'het verschil' kan maken.

Thomson: 'In een cultuur die het geloof verliet, brachten speelfilms frisse mythen die toegankelijk werden voor die smeltkroes aan Amerikanen. Het waren deze verhalen waarmee immigranten Engels leerden, en wat het betekende om nu Amerikaan te zijn.'

In diepste wezen is Warner Bros. altijd de filmstudio voor de gewone man geweest, de hardwerkende Amerikaan, voor Jack en Jill en Bill en Mary. Dat had alles te maken met de bescheiden komaf van de oprichters: ze zochten naar verhalen die ze zelf mooi vonden. Vooruit, bij The Jazz Singer - het melodrama met de zwart geschminkte Al Jolson - ging het vooral om de technische noviteit van het geluid. Maar toen na de beurskrach van 1929 het spook van de Grote Depressie opdook, kwam Warner plots met een reeks spraakmakende gangsterfilms en altijd deden Edward G. Robinson en James Cagney mee. Wel waren deze boeven in films als Little Caesar (1931) en The Public Enemy (1931) verplicht lelijk aan hun eind te komen, maar ondertussen werd ook gesteld: hé Amerika, hoe zit het nu met onze Droom, je jaagt ons nog de misdaad in!

Little Caesar (1931)

Het publiek vond het allemaal prachtig, net als de reeks escapistische musicals als The Broadway Melody die Warner aan de lopende band produceerde. En vergeet ook niet de entree van cartoonheld Bugs Bunny. De held als loner, daar was Warner Bros. ook goed in (alles met Humphrey Bogart en John Wayne en ook Clint Eastwood). En met Bette Davis en Lauren Bacall hadden ze binnen hun studiosysteem twee eigenzinnige diva's die in coolness niet voor de mannen onderdeden. Bovendien haakte Warner direct na de oorlog handig in bij de opkomende jeugdcultuur door aspirant-sterren als Marlon Brando (A Streetcar Named Desire) en James Dean (Rebel Without a Cause) een kans te geven en dat was zeer vooruitstrevend.

Zo zag grosso modo het palet eruit, maar in die bibliotheek met duizenden Warnerfilms heeft David Thomson een mooie vorm van verborgen continuïteit gevonden. Misschien wisten Harry en Jack het zelf niet eens, maar in hun keuze van scripts lieten ze zich leiden door één overkoepelend en steeds terugkerend motief. Het zit in de western The Searchers (John Ford, 1956): de film kent in het begin de gesmoorde strijd tussen de broers Ethan en Aaron. Het zit in East of Eden (Elia Kazan, 1955): daar staan de broers Cal en Aron elkaar naar het leven. En het zit ook al in de musical The Hard Way (Vincent Sherman; 1943). En zo noemt Thomson er nog wel een paar. Zijn conclusie: 'Wat tevoorschijn komt uit decennia aan Warnerfilms is de obsessie met broedertwisten en oude vrienden die vijanden worden.' Wat dat laatste betreft: dat is zo ongeveer de plot van de epische Warnerwestern The Wild Bunch (Peckinpah, 1969).

Dirty Harry (1971).

Inderdaad, dat is geen toeval meer. En opeens vraag je je als lezer af: hoe zou het ondertussen met Bob Weinstein zijn, Harveys jongere broer? Hij is de rustigste van de twee, maar ze runden samen de Weinstein Company.

Nu staat de hele zaak op instorten, en Bob had Harvey nog zo gewaarschuwd, vertelde hij deze week aan The Hollywood Reporter. Misschien moet Warner Bros. op termijn dan maar een film over Bob en Harvey maken. Het is per slot hun leitmotiv.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.