Analyse Financiering hoger onderwijs

Waarom de geldstroom naar het hoger onderwijs alweer op de schop moet

De bekostiging van universiteiten en hogescholen moet minder afhankelijk worden van studentenaantallen, adviseert de commissie-Van Rijn. Het wordt de zoveelste herziening van het financieringsmodel. Wat maakt de bekostiging van het hoger onderwijs zo ingewikkeld?

Beeld ANP XTRA

De boel moet op de schop, opnieuw. De huidige bekostiging van het hoger onderwijs heeft ‘zijn langste tijd gehad’, aldus Martin van Rijn woensdagochtend bij de presentatie van zijn rapport. De oud-staatssecretaris van Volksgezondheid onderzocht in opdracht van onderwijsminister Ingrid van Engelshoven (D66) de bekostiging van hogescholen en universiteiten.

Misschien wel de belangrijkste conclusie: universiteiten en hogescholen zijn voor hun financiering te afhankelijk van studentenaantallen. Hoe sneller instellingen groeien, hoe groter hun deel van de koek. Het hoger onderwijs groeide de laatste jaren explosief, maar de financiering – de totale grootte van de koek – groeide niet even hard mee. Het gevolg: overwerkte docenten en ‘een race to the bottom in termen van onderwijskwaliteit’. Van Rijn adviseert daarom de bekostiging minder afhankelijk te maken van studentenaantallen.

Minister Van Engelshoven noemde het 132 pagina’s tellende rapport ‘een puik stukje werk’ en neemt de aanbevelingen integraal over. Daarmee dient een nieuwe herziening van de bekostiging zich aan, die volgt op een lange reeks eerdere herzieningen.

Zo maakte het ‘ATOOM-model’ in de jaren zeventig plaats voor het ‘ITT-model’, dat werd opgevolgd door respectievelijk het ‘PGM en OLM-model’, het ‘HOBEK- model’, het ‘STABEK-model’, het ‘PBM-model’ – we zijn inmiddels in het jaar 2000 – het ‘BAMA-model’, dat diplomafraude in de hand werkte en leidde tot de jongste herziening in 2011: het ‘integraal bekostigingsmodel hoger onderwijs’, het huidige model.

Tussendoor was er kritiek. Het model was te simplistisch of juist te complex, het leunde te veel op studentenaantallen of te weinig. Ook over het huidige model bestaan veel bezwaren. Wat maakt de bekostiging van het hoger onderwijs zo moeilijk?

Verdelen van de armoede

‘Het grote probleem’, zegt Ben Jongbloed, ‘is dat we een koek verdelen waarvan de omvang beperkt is.’ Elke verandering in het bekostigingsmodel betekent dat de ene universiteit of hogeschool er op vooruitgaat en de ander erop achteruit. ‘Dit heet verdelen van de armoede, als je het negatief wilt formuleren.’

Jongbloed is onderzoeker bij Cheps, een in hoger onderwijs gespecialiseerd onderzoeksinstituut van de Universiteit Twente. Samen met collega’s onderzocht hij voor minister Van Engelshoven eerder al de belangrijkste knelpunten van het huidige bekostigingssysteem. De commissie-Van Rijn bouwt daarop voort. 

Minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs Cultuur en Wetenschap) ontvangt uit handen van voorzitter Martin van Rijn het rapport van de Adviescommissie Bekostiging Hoger Onderwijs en Onderzoek. Beeld ANP

Dat moest – in eerste instantie – ‘budgetneutraal’. De opvallendste maatregel die de commissie voorstelt is om geld van algemene naar technische universiteiten over te hevelen, om de capaciteit van bèta- en techniekstudies te vergroten. Het zou betekenen dat technische universiteiten er 6,6 procent op vooruitgaan, terwijl de Erasmus Universiteit, de Universiteit Tilburg en de Universiteit Maastricht naar schatting 4,8 procent verliezen.

Het voorstel leidt tot scherpe kritiek van zowel Kamerleden als van universiteiten, maar minister Van Engelshoven liet bij het in ontvangst nemen van het rapport weten te zullen zorgen voor ‘een zachte landing’. Ze verwacht er in de Voorjaarsnota structureel geld bij te krijgen voor het hoger onderwijs, zodat extra geld voor technische studies niet ten koste hoeft te gaan van andere opleidingen.

Gebrek aan inzicht

Een ander probleem is dat er in de reeks bekostigingsmodellen die in de loop der jaren zijn opgetuigd en omgegooid, er ook onderdelen bewaard zijn gebleven die inmiddels hopeloos verouderd zijn. Onderzoeker Jongbloed wijst bijvoorbeeld op de ‘jonge universiteiten’, de Universiteit Maastricht, de Erasmus Universiteit en de Universiteit Tilburg, die in de jaren zeventig en tachtig de status van universiteit kregen of in die tijd zijn opgericht. Zij kregen destijds een lagere ‘vaste voet’. Een kleiner deel van het vaste budget, kortom. Dat is nooit veranderd, met als resultaat dat deze drie universiteiten nog afhankelijker zijn van de studentenaantallen.

Een derde probleem, waar de commissie Van Rijn op wijst, is een gebrek aan inzicht in waar onderwijs- en onderzoeksgeld nou eigenlijk aan besteed wordt, en hoe dat zich verhoudt tot kwaliteit. ‘Het is wonderlijk’, merkt de commissie fijntjes op, ‘dat in een discussie over de toereikendheid van de bekostiging, de kosten niet bekend zijn.’

Van Rijn stelt daarom een groot onderzoek naar onderwijsfinanciën voor. De adviezen van zijn commissie zijn voor de korte termijn. Pas na zo’n onderzoek kan er een bekostigingsmodel voor de lange termijn bedacht worden, waarin bijvoorbeeld ook de scheefgroei tussen jonge- en oude universiteiten rechtgetrokken kan worden. Het kan kortom, nog wel even duren voor er een volledig nieuw systeem is opgetakeld. 

Studentgebonden bekostiging

Tussen 2006 en 2018 nam het aantal studenten in het hoger onderwijs toe met 30 procent: in het wetenschappelijk onderwijs (wo) met 41 procent, in het hoger beroepsonderwijs (hbo) met 24 procent. De groei komt voor bijna eenderde door de toestroom van buitenlandse studenten.

‘Dit is een pervers mechanisme geworden’, schrijft de commissie-Van Rijn. Advies: ‘Reduceer onmiddellijk de overmatige groeiprikkel en breng meer stabiliteit in de onderwijsbekostiging.’

Dat kan door binnen het totale budget (zo’n 8 miljard euro) de studentgebonden financiering (nu in het onderwijsdeel van het wo 71 procent en in het hbo zelfs 87 procent) te verlagen en de vaste voet te verhogen.

Diplomabekostiging

In de stelselbekostiging lag tot zo’n tien jaar geleden een veel zwaarder accent op het belonen van instellingen die studenten met een diploma afleveren. Waar het behalen van een diploma voorheen in het wo 50 procent van de financiering opleverde en in het hbo zelfs 80 procent, is dat nu minder dan 20 procent.

De diplomabekostiging werd aangepakt nadat in 2010 schandalen met ‘diplomafraude’ in het hbo aan het licht kwamen, onder meer bij hogeschool InHolland. Trage hbo-studenten met een niet-voltooide scriptie kregen toch een diploma, omdat dat de instelling de gewenste financiële bonus opleverde. Ook dat gold toen als een perverse prikkel.

Capaciteitsbekostiging

Het is natuurlijk denkbaar zowel de studentbekostiging als de diplomabekostiging geheel te schrappen. Dan blijft alleen een vast bedrag per instelling over – de bekostiging van een vaste capaciteit. Maar die zou juist het ministerie weer heel veel invloed geven. ‘En het zou gek zijn als het aantal studenten er helemaal niet meer toe doet’, zegt Onderwijsminister Van Engelshoven desgevraagd.

Ook de commissie pleit daar niet voor. Voorzitter Van Rijn: ‘Periodiek kijken of de bekostiging nog up-to-date is, gun ik eigenlijk elk systeem. Nu gaat het om meer geld naar bètatechnische opleidingen, straks krijgen alle studies te maken met big data.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.