Vogelvriendelijk boeren? Deze boer bewijst dat het kan

Reportage: eigenheimer in de akkerbouw

Een bioboer is hij niet, daarvoor staan de prijzen te veel onder druk. Maar om zo veel mogelijk vogels op zijn akkers te laten bivakkeren, doet Peter Harry Mulder alles. Echt alles.

Boer Peter Harry Mulder en zijn vrouw Eline. Foto An-Sofie Kesteleyn

Een jaar of zes geleden dacht hij: 'Ik neem het risico. Ik stop met pesticiden.' Niet ondoordacht, dat niet. Als er voldoende natuurlijke begroeiing is rondom de percelen met aardappelen, bieten en granen, dan moet het kunnen, zo redeneerde hij. 5 procent in een gebied, dat is genoeg. Dan houden de insecten die in die wilde planten en bloemen leven ook de landbouwgewassen luizenvrij. En hij had inmiddels van alles: overhoekjes met struweel, kruidenrijke akkerranden, niet gemaaide sloottaluds en struikjes waar het maar kon. Meer dan 5 procent. Dus waagde hij de gok. En die pakte goed uit. Al die nuttige insecten, van lieveheersbeestjes tot sluipwespen, ze doen hun werk. Peter Harry Mulder, akkerbouwer in het Groningse Muntendam, is er trots op. 'Dit is nu weerbare landbouw.'

Hij doet het vooral vanwege de vogels. Op al die insecten in de akkerranden en ruige overhoekjes die hij heeft ingericht, komen de akkervogels af die hij in de decennia daarvoor zag verdwijnen. De grauwe kiekendief, die nu sprinkhanen komt eten op zijn land, de patrijzen die door zijn akkerranden hobbelen, kwartels, kneutjes, puttertjes, veldleeuweriken, gele kwikstaarten, geelgorzen, grasmussen...

Ieder zijn hobby, begrijpt hij, hij is nu eenmaal een vogelliefhebber. En daarmee is hij atypisch, met vogeltjes krijgt hij niet veel andere boeren warm. 'Maar het is ook een landbouwkundig verhaal', zegt hij. En met dat verhaal gaat hij tegenwoordig de boer op. 'Die kruidenrijke akkerranden hebben een functie: natuurlijke plaagbestrijding. Veel boeren weten dat niet. Ze willen vaak best zo'n rand inzaaien, tegen een vergoeding. Maar dat is het dan.' Terwijl, zo zegt Mulder, je meerdere vliegen in één klap slaat: 'Je hebt meer vogels, je hebt een mooier landschap én je hebt minder bestrijdingsmiddelen nodig.'

'Standaardboer'

Zijn bedrijf, in het overgangsgebied van het veenkoloniale zand en de Oldambster klei, lijkt oppervlakkig gezien op een normaal akkerbouwbedrijf. Een mooie, monumentale boerderij, Kloosterplaats geheten, en achter en voor het huis, aan de overkant van de weg en het kanaal, percelen met aardappels, bieten en granen. Hij is ook een 'gangbare' boer, zegt hij, 'een standaardboer' met 'een intensief bouwplan'.

Maar als Mulder voorop gaat over het zandlaantje langs de velden op een mooie nazomerdag in september, blijkt al snel met welk project hij eigenlijk bezig is. Een groep puttertjes vliegt door de tarwehalmen en een patrijs maakt zich uit de voeten om te verdwijnen in de brede akkerrand. De kleurrijke bloemenstrook, her en der plukjes struiken, op dammetjes, rondom het mestbassin, onder hoogspanningsmasten, waar het maar even kan.

Mulder heeft een eigen proefveldje ingericht waarin hij experimenteert om een zo insecten- en vogelvriendelijk mogelijke akkerrand te maken. Zelfs op het erf, voor de grote schuur, heeft hij een stuk grond ingeruimd voor wilde planten, om insecten en vogels te lokken. En op gemeentegrond, tegen zijn percelen aan, heeft hij met andere vrijwilligers een mininatuurgebiedje aangelegd. Er lopen twee Lakenvelder koeien op een weilandje omgeven door meidoorns en sleedoorns, en tegen zijn eigen bloemenstroken aan. Het gebiedje is optimaal ingericht voor de grauwe klauwier. Een typische akkervogel, die nog maar zelden op en rond akkers voorkomt. De kevers die de koeienpoep opruimen, moeten de grauwe klauwieren lokken. Op de meidoorns kunnen ze die prooien dan spietsen. Mulder: 'Dit soort overhoekjes waren vroeger normaal. Het zou zo mooi zijn als we de grauwe klauwier, die hier ooit broedde, weer terug kunnen krijgen.'

Lees verder onder de afbeelding.

Boer Peter Harry Mulder en zijn vrouw Eline bij de bloemenstrook langs hun akker. Foto An-Sofie Kesteleyn

Een geelgors op een paaltje, een opvliegend kneutje, een roodborsttapuit in de top van een struikje, die zijn er al wel. Van de 70 hectare grond bij boerderij Kloosterplaats zijn er min of meer permanent elf ingericht als akkernatuur. Veel meer dan 10 procent van zijn grond, dat in elk geval, en dat is ongeëvenaard voor een niet-biologische akkerbouwer. Mulder: 'Bij de gemiddelde akkerbouwer heeft hooguit 2 procent van de grond een andere bestemming dan gewasteelt. Dat is inclusief erf, paden en sloten. Elk stukje grond wordt bebouwd. Dat is desastreus. Voor vogels en insecten, maar ook voor de natuurlijke plaagbestrijding, en uiteindelijk voor de boer zelf.'

Het is de rode draad in het betoog van Peter Harry Mulder: de tegenstelling tussen landbouw en natuur zou niet moeten bestaan. 'Beide partijen worden tegen elkaar opgejut, terwijl ze elkaar juist nodig hebben. De achteruitgang gaat precies gelijk op. De boerenstand is in 35 jaar tijd gehalveerd, de biodiversiteit op het boerenland ook. Dat is geen toeval, er is een direct verband. Het heeft alles te maken met het markt- en prijsbeleid in Europa. De boer kampt permanent met te lage prijzen. Om te overleven gaat hij nog intensiever werken, en allerlei trucjes uithalen om de kosten te drukken en de opbrengst te maximaliseren. Het gevolg: nog meer overschotten, nog lagere prijzen, nog meer kleine boeren die verdwijnen, nog meer roofbouw op de bodem. En nog minder biodiversiteit.'

Het zou allemaal anders moeten, maar zolang dat niet gebeurt, is Mulder zelf maar aan het experimenteren geslagen, binnen de smalle marges die er zijn. En in zijn enthousiasme heeft hij 'boeren en burgers' uit de omgeving meegekregen. In de werkgroep Boerenbuitengebied zetten zij zich vrijwillig in om natuur terug te brengen op en rond het boerenland bij Muntendam. Ook de gemeente en het waterschap werken tot op zekere hoogte mee. De vrijwilligers beheren de bermen langs de wegen, en de sloottaluds, ze maaien minder, en het strooisel wordt afgevoerd, waardoor de grond schraler wordt en de begroeiing diverser. Her en der worden bloemenranden ingezaaid, op overhoekjes worden struikjes geplant. Mulder: 'Het streven is: 5 procent natuurlijke begroeiing in het landelijk gebied. Dat is minimaal nodig om het insecten- en vogelleven weer een kans te geven, dan kun je ook profiteren van de natuurlijke weerbaarheid . We hebben het nog niet bereikt, die 5 procent. Het lijkt niets, maar eigenlijk is alles verdwenen in de afgelopen dertig jaar. Dat is niet zomaar terug.'

Kerkuil

Hij is van ver gekomen. Ja, als jongetje, toen was hij gegrepen door vogels. De sensatie toen hij voor het eerst een kerkuil zag in de stal. De ijsvogel bij de vijver in hun tuin, die hij van twee meter afstand fotografeerde met een Kodak-cameraatje, in een door zijn moeder van oude lakens gemaakt camouflagetentje . De boerenzwaluwen die de stal in en uit vlogen, omdat hij de deur altijd voor ze op een kier liet staan. Dat deed zijn vader trouwens ook, maar daarmee hield diens betrokkenheid wel zo'n beetje op. Misschien wel omdat het toen, in de vroege jaren zestig, nog zo vanzelfsprekend was, al die vogels op en rond het erf en de akkers.

Nog op de lagere school werd hij lid van de NJN, de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie. Elke zondag op pad, verzamelen in Veendam, en dan op de fiets naar Drenthe, een paar uur fietsen, door weer en wind. Rugzak mee, met een thermos en een broodtrommeltje. Prachtig vond hij het. Hij leerde vogels herkennen, en was druk in de weer met de bandrecorder: vogelgeluiden opnemen, leren, herkennen. Thuis, als hij op het land werkte, verplaatste hij nesten, als het nodig was. Als het maar even kon, pakte hij zijn fietsje, en later zijn brommertje, om over de oude veldpaden tussen de akkers door te slingeren. Dan zag je echt van alles. Maar de ruilverkaveling kwam, paadjes verdwenen, sloten werden gedempt, lanen werden gerooid, alles werd rechtgetrokken, de patrijs verdween en nog zo veel meer.

Mulder: 'Toen was er geen barst meer aan.'

En het werd nog veel erger.

Mulder was ook gegrepen door het boerenvak, als jongetje al, en nog altijd. Het mooiste vak ter wereld, waarin alles samen komt: landbouw, techniek, natuur, het buitenleven, de vrijheid om zelf beslissingen te nemen. Zijn twee veel oudere broers hadden geen interesse in het boerenbedrijf, maar in Peter Harry vond zijn vader dan toch nog een opvolger. Hij kwam in 1983 in het bedrijf, zijn vader overleed negen jaar later. Negen jaar om kapitaal te sparen, dat is kort, zijn broers moesten uitgekocht worden en er moest nog zo veel meer.

Hij stond er alleen voor, een medewerker - zoals zijn vader had - kon hij zich niet permitteren. 70 hectare, met graan, aardappelen, bieten, in zijn eentje. Mulder richtte percelen anders in, kocht andere machines, verving de vloeren in de schuur, ging aan de slag met graansilo's en bouwde een nieuwe bewaarschuur voor de aardappels.

Met de tractor. Foto An-Sofie Kesteleyn

Op slot

'Het ging ver', zegt hij nu, 'heel ver.' Al zijn energie en geld ging eraan op. Hij weet nog dat hij op een zondag de deuren op slot deed, zodat het net leek of hij niet thuis was, dan kon hij doorwerken. 'Niet iets om trots op te zijn. Eigenlijk hou je privé niets over.'

Twaalf jaar lang ging het zo, en daarna stopte hij nog eens vijftien jaar in het opknappen van het woongedeelte van de monumentale boerderij. Zijn verrekijker raakte hij jarenlang niet aan. Hij was op en top boer, zegt hij. 'Ik was aan het overleven.' Hij wist ook niet hoe hij het moest combineren, akkernatuur en het boerenbedrijf. Wel zag hij dat het almaar minder werd met de akkervogels. Bij hem op het land, en overal om hem heen. Het werd leger en leger, en stiller en stiller.

Maar op een dag, ergens begin jaren negentig, laaide zijn oude passie weer op. Een jager meldde zich, en vroeg of Mulder wilde meedoen aan een patrijzenproject. Een typische akkervogel, de patrijs, en een even zo typisch slachtoffer van de schaalvergroting in de akkerbouw: de vogel werd nog maar zelden aangetroffen. Ook Mulder zag de patrijs niet meer. Hij zei ja, natuurlijk wilde hij meedoen. De patrijs moet het hebben van ruige overhoekjes en bermen, kruiden- en insectenrijke akkers, en er moet voldoende dekking zijn. Het was voor het eerst dat Mulder in aanraking kwam met agrarisch natuurbeheer. 'Ik had wel vogelkennis, maar ik had geen idee wat ik op mijn eigen land voor vogels kon doen.'

Akkervogels

Het is bekend: het gaat slecht met de vogels van het boerenland. Sinds de jaren zeventig van de vorige eeuw lopen de aantallen gestaag terug, enkele soorten uitgezonderd. Boerenlandvogels is de verzamelterm voor weidevogels, akkervogels en erfvogels. Sommige soorten, zoals kievit (-47%, afname tussen 1990 en 2015) en scholekster (-67%), worden beschouwd als weidevogel en als akkervogel. Andere soorten broeden zowel op akkers als in natuurgebieden. Typische akkervogels zijn de veldleeuwerik (-68%), de grauwe kiekendief (+124%), de patrijs (-85%), de kwartel (+62%) en de grauwe gors (-99,7%, nagenoeg verdwenen). Ook de kneu (-46%), de gele kwikstaart (-15%) en de geelgors (+66%) broeden vaak in akkerland.

Verklaring gegevens: aantalsveranderingen in procenten, in periode 1990-2015, in alle biotopen. (Bron: Sovon, NEM, CBS 2016).

De echte ommekeer kwam nog vele jaren later, in 2008. Mulder las in de krant over de terugkeer van de grauwe kiekendief naar Oost-Groningen en het werk van de werkgroep Grauwe Kiekendief, die als doel heeft de moderne landbouw te combineren met een rijk akkervogelbestand, en die daarin successen boekt. Sommige van de Groningse kiekendieven waren gezenderd. Mulder: 'Ik ging dat volgen op internet, daar kon je zien waar die kieken naartoe vlogen, hoe en wanneer ze naar Afrika trokken, en weer terugkwamen.'

Op een dag zag hij een grauwe kiekendief in het veld, een mannetje dat aan het jagen was boven zijn land. De eerste grauwe kiekendief in zijn leven. 'Prachtige vogel, een en al elegantie. Ik was verkocht.'

In de weken daarna zag hij het mannetje vaker. Mulder vermoedde dat 'de kiek' een nest had in het Oldambt, een grootschalig graangebied. En toen hij op een dag toevallig net in zijn auto zat, dacht hij: nu wil ik het weten ook. Hij zag het mannetje een prooi vangen en wegvliegen. 'Ik ben er vol gas achteraan gegaan. Sjezen over de ruilverkavelingsweg, het dorp door, al die tijd met de kiekendief in het vizier. Op een gegeven moment was ik hem kwijt, maar toen ik op de plek kwam waar hij, volgens mijn informatie, zijn nest had, zag ik hem weer, de prooioverdracht was net geweest. Daarna ben ik hem weer gevolgd, en ja hoor, hij ging gewoon weer terug naar mijn land, om nog meer te jagen.'

Eindelijk wat lucht

Hij nam contact op met werkgroep de grauwe kiekendief. Ben Koks, de initiatiefnemer en aanjager van die club, kwam zelf kijken. Samen zagen ze de kiekendieven op zijn land en Mulder vertelde dat hij 'hartstikke gemotiveerd' was om meer te doen voor de akkernatuur, maar dat zijn grond net buiten het door de provincie getekende gebied voor agrarisch natuurbeheer viel. Door de inspanningen van Koks mocht hij uiteindelijk toch meedoen. En hij stortte zich er volledig op.

Mulder vertelt het verhaal in de verbouwde keuken van hun boerderij, af en toe aangevuld door zijn partner Eline Ringelberg. Ze vonden elkaar via een datingsite, ook in 2008, hij was inmiddels 48. 'Geen toeval', zegt zij, 'Peter Harry had na twintig jaar eindelijk wat lucht, en ruimte. Hij kwam eindelijk meer aan zichzelf toe.'

Dat hij boer was, had hij in eerste instantie niet gemeld. Ze communiceerden toen hij midden in de aardappeloogst zat. 'Dan kreeg ik om twee uur 's nachts een mail,' zegt zij. 'Dat vond ik wel raar.' 'Op die mail had ik dan de hele avond, na het werk, zitten zwoegen', zegt hij. Volgens de computer was er niet echt een 'match', maar ze bleken wonderwel bij elkaar te passen, Eline - dochter van een bioloog - interesseerde zich voor natuur en was zelfs, net als Peter Harry, lid geweest van een jeugdbond voor natuurstudie. Sindsdien doen ze de akkernatuur samen. Dat is een stuk minder eenzaam. En het zet zoden aan de dijk. Eline doet aan natuureducatie op de boerderij en ze speelt een belangrijke rol in de werkgroep Boerenbuitengebied. 'Het kost veel tijd, want veel moet met de hand, maar iedereen is enthousiast', zegt ze. 'Het is ook gewoon leuk om samen het landschap mooier te maken. Toen ik Peter Harry leerde kennen, was het hier in de winter grijs en kaal. Dat is nu al zo veranderd.'

Eline Ringelberg: 'Dan kreeg ik om 2 uur een mail, dat vond ik wel raar'. Foto An-Sofie Kesteleyn

Hij is een perfectionist. Dat leidde al snel tot meningsverschillen met de agrarische natuurvereniging waarmee Mulder te maken had. De agrarische natuurverenigingen verdelen het geld dat is bestemd voor agrarisch natuurbeheer. Mulder keerde zich samen met een paar andere boeren tegen het maaibeleid van de vereniging. 'Veel boeren zeggen: we willen die akkerranden vroeg maaien, anders wordt het een bende, vanwege de distels die er in groeien. Dus dat werd verplicht. Ik vond dat idioot. Ik zei: er zitten patrijzen, kwartels en veldleeuweriken, het is het broedseizoen. Dan ga je toch niet maaien, dat staat haaks op het doel van die akkerranden.'

Omdat hij zich verdiepte in de materie wilde hij ook bredere akkerranden en hij ontdekte dat hij beter ruimer kon zaaien. 'Want de patrijs en de veldleeuwerik moeten er makkelijk doorheen kunnen lopen.' Ook op dit punt stuitte hij op de agrarische natuurvereniging. 'Die zegt: je moet juist zo dicht mogelijk zaaien, dan komt er geen onkruid in.'

Mulder besloot door te zetten, voor eigen rekening. Hij paste de zaaimachine aan, verdubbelde de zaaiafstand en paste de zogeheten vals zaaibedmethode toe, die in de biologische landbouw gebruikelijk is; het eerste onkruid wordt ondergeschoffeld als het opkomt en daarna pas wordt er ingezaaid. Mulder: 'En nu zie je zwarte grond als je in mijn akkerranden loopt. Daar kunnen patrijzen en veldleeuweriken makkelijk lopen, en insecten zijn er makkelijk te vinden.'

Iedereen kijkt naar Mulder

Peter Harry Mulder geldt als voorbeeldboer voor organisaties die zich bekommeren om de akkernatuur. Mulder werkt samen met de Werkgroep Grauwe Kiekendief en met de Stichting Veldleeuwerik. Vogelbescherming Nederland gebruikt de aanpak van Mulder als voorbeeld van succesvol akkervogelbeheer. Ook het Louis Bolk Instituut, dat onderzoek doet en adviseert over duurzame landbouw, ziet Mulder als een pionier, vooral als het gaat om de rol van een gezond bodemleven in de akkerbouw.

Uit de kast

En hij ontdekt voort. 'Om te voorkomen dat brandnetels en distels uiteindelijk gaan overheersen zou je akkerranden om de drie jaar op een andere plek moeten hebben. Dan hou je die verdisteling beheersbaar.'

'Ik ben uit de kast', zegt hij zelf. Eenmaal bezig op de randen van zijn percelen, voor de vogels, begon hij ook na te denken over de hoofdzaak: de manier van landbouw bedrijven. Zou dat niet ook anders, natuurlijker kunnen? Hij heeft er een missie van gemaakt.

Eenvoudig is het niet. 'Ik ben nog altijd een intensieve boer. Ieder jaar vijftig procent aardappels. Dat betekent dat ik om het andere jaar op een perceel aardappels heb. Dat is een hoge bodembelasting. Ik gebruik ook kunstmest, en bestrijdingsmiddelen, omdat het met het huidige prijsniveau moeilijk anders kan. En ik heb dit jaar ook een insecticide moeten inzetten tegen de coloradokever in de aardappels. Ik zou misschien wel kunnen overschakelen naar biologisch, maar biologische akkerbouwers zitten toch vooral op kleigrond. Die hebben minder last van onkruiddruk, die weten het daarom allemaal net te redden. Op deze grond, deels zand, deels klei, is dat lastig. Maar als het lukt alle gangbare boeren duurzamer te laten werken, heeft dat een enorm effect. Dat is wat ik probeer: de gangbare landbouw richting biologisch te duwen.'

Mulder herontdekte de bodem, het bodemleven, als belangrijkste kapitaal. 'Een gezonde bodem voorkomt ook ziekten en plagen in de gewassen. Bacteriën, wormen, nuttige schimmels, je moet ze voor je laten werken. Maar bij de meeste intensieve akkerbouwers is er haast geen bodemleven meer. Het is een vicieuze cirkel: je moet de grond steeds zwaarder belasten, je moet er steeds meer instoppen om er wat uit te krijgen. En dat houdt een keer op. Je ziet het nu gebeuren in de Flevopolders, op de vruchtbaarste grond ter wereld: daar nemen de opbrengsten af.'

Hij is gestopt met ploegen. 'Er sterven ontzettend veel wormen door dat ploegen. Wormen, die de bodem lucht geven en harde aardappelkluiten voorkomen, en nuttige schimmels, zoals mycorrhiza. Dat is een schimmel die in symbiose leeft met plantenwortels, vocht vasthoudt en voor een betere bodemstructuur zorgt. Dat hele systeem wordt verstoord door het ploegen en door het gebruik van herbiciden en fungiciden.'

Er zijn wel meer boeren gestopt met ploegen, maar de vervangende machines brengen vaak net zoveel schade toe, aldus Mulder. Dus paste hij een machine, een cultivator, zo aan dat alleen de toplaag even omhoog komt en dan weer terugvalt. En zo gaat hij steeds een stapje verder. Hij gebruikt groenbemesters, gewassen die organische stoffen toevoegen aan de bodem, en hij laat het stro na de graanoogst op het land liggen, want het is organische stof. Hij schafte een andere machine aan, een schijveneg, waarmee hij het verhakselde stro goed de grond in kon werken. Sowieso heeft hij een broertje dood gekregen aan te grote, te zware machines. 'De toekomst zit juist in subtiele, lichtere machines.'

Lees verder onder de afbeelding.

Peter Harry Mulder: 'Er sterven ontzettend veel wormen door dat ploegen'. Foto An-Sofie Kesteleyn

Vol met wormen

Zo lang is hij nog niet bezig, maar Mulder meent nu al de vruchten te plukken van zijn inspanningen. 'Ik ben geen proefboerderij, dus ik heb er geen perceel naast liggen om te vergelijken, maar volgens mij gaat het bodemleven er flink op vooruit. Dit voorjaar heb ik het nog gefilmd. Elke kluit die ik oppakte, zat vol met wormen. Zo wil je het graag zien. En op datzelfde perceel had ik dit jaar een mooie opbrengst.'

Hij werkt nu samen met een onderzoekster die zijn bodem bemonstert. Op een strookje grond gaat hij experimenteren met het inbrengen van de mycorrhizaschimmel. Al te veel kan hij zich ook weer niet permitteren. Zijn boekhouding komt ter keukentafel. Cijfers, tabellen, grafieken. Conclusie: 'Als de volledige inkomenssteun wegvalt zit mijn inkomen zwaar in de min.'

Toch gaat het hem daar in eerste instantie niet om. 'Boeren doe je niet om rijk te worden, maar wel om je bedrijf overeind te houden en eventueel door te kunnen geven aan een volgende generatie.' Voor vergroening van de landbouw is een ander beleid nodig en de sleutel daarvoor is de graanprijs, meent hij. 'Graan is een rustgewas, door het verbouwen van graan kan de bodem zich herstellen. Maar akkerbouwers verbouwen steeds minder graan, omdat de wereldmarktprijs zo laag is. Vervolgens belasten ze de bodem nog meer met vervangende gewassen als aardappels, uien, wortels, et cetera, en produceren nog meer overschotten. Een uitzichtloze weg.'

De oplossing is simpel, maar een vloek in de kerk van de vrije markt. 'De graanprijs moet binnen Europa omhoog. In 1985 was die in Europa nog 250 euro per ton, nu is de wereldmarktprijs 160 euro per ton. De prijs zou binnen Europa terug moeten naar het oude niveau terug. Dat is bijna een verdubbeling, maar vanwege de spilfunctie van graan kunnen boeren dan voor alle gewassen kostendekkende prijzen realiseren. Dan is er geen subsidie meer nodig en kun je boeren opleggen dat ze 'natuurinclusief' boeren. En de broodprijs gaat slechts met 10 cent omhoog.' Hij heeft het uitgerekend: 'De graanprijs hoeft maar met 4 procent te stijgen en je kunt al 7 procent van je grond braak leggen.' Je kunt het ook andersom stellen, zegt hij: 'De vrije markt is dodelijk voor de bodem, voor een gezonde landbouw en voor de biodiversiteit.'

Op de trekker laat Mulder nog meer akkerranden zien, en overhoekjes, en bermen, en sloottaluds. Hij wijst op een blauwe kiekendief in de verte. Bijna 57 is hij nu en hij is blij dat hij nu geen jonge boer is, roept hij boven het geluid van de motor uit. Want hoop op een spoedige verandering heeft hij niet. 'Het gaat maar door, die schaalvergroting en intensivering. En die grote jongens hebben het allemaal moeilijk. Ik geloof daar ook niet meer in, ik geloof juist in kleinere bedrijven. Dat is de toekomst.'

Zelf vindt hij het leuker dan ooit, het boeren, sinds de komst van Eline, en sinds hij zich op de akkernatuur heeft gestort. 'De patrijzen lopen gewoon op het erf.' En dan de gekraagde roodstaart in een nestkastje, de patrijzen en veldleeuweriken in hun akkerranden, de grauwe kiekendief boven zijn gerst. 'Ik had dit jaar zelfs een blauwborstje in de sloot.' Om maar niet te spreken van de tientallen gele kwikstaarten in de graanpercelen. 'Het lijkt wel of alles lichter is geworden. En mooier. Het lijkt wel alsof alles nu klopt.'

Meer over