Verval tussen de golven

Het verleden is op de pieren van IJmuiden alom tegenwoordig. Zout, beton, asfalt, roest, de schoonheid van verval. Nog wel, maar op den duur wordt het begraven onder een nieuwe laag beton en asfalt....

Met het stijgen van de temperaturen neemt het aantal bezoekers van de pieren bij IJmuiden evenredig toe. Ze zijn er weer, de vissers die turen naar het puntje van de hengel tot hun tweede natuur hebben verheven. De wandelaars die genieten van zout, beton, asfalt, roest, de schoonheid van verval. Bij elkaar 5 kilometer onooglijkheid – totdat je beter gaat kijken. Een omgeving voor ontspanning? ‘Ruim je troep op, GVD’, staat met grote letters op een havenlicht gekalkt.

De pieren die aan de monding van het Noordzeekanaal in zee steken – de zuidelijke meet 3, de noordelijke 2 kilometer – zijn voor sommigen slechts een troosteloze verzameling beton en asfalt, doodlopers in de kille Noordzee. Een plek om te mijden. Voor anderen is het juist dé plek om uit te waaien, zeekastelen voorbij te zien varen, te vissen op schar en zeebaars, of de natuur te ontmoeten – met de rokende Hoogovens als decor.

Al sinds 1876 liggen de pieren daar voor de kust van IJmuiden, toen het Noordzeekanaal was aangelegd en Amsterdam met de Noordzee verbond. Even zo lang al duurt de strijd van Rijkswaterstaat tegen de elementen – storm, sterke getijdenstromingen – waartegen de pieren de binnenlopende en vertrekkende scheepvaart moeten beschermen.

Bij een pittige storm zwiept het water soms een meer dan manshoog betonblok van 40 ton op of over de pier. Oude blokken breken en vervallen tot gruis. Ook beton uit de jaren vijftig, toen de pieren drastisch werden verlengd, is als onder het geweld van reuzenmokers gespleten. De datum van productie staat er soms op: ‘30-1-51’ is door een anonieme arbeider met de vinger geschreven in het nog toen nog niet uitgeharde beton.

Het verleden is op de pieren alom tegenwoordig. Nog wel, maar op den duur wordt het begraven onder een nieuwe laag beton en asfalt. De toekomst dringt zich onstuitbaar op. Borden bij het begin van de pieren kondigen grote renovatiewerkzaamheden aan. Rijkswaterstaat wil de dijken helemaal inpakken met een nieuwe beschermlaag, zodat ze weer een halve eeuw bestand zijn tegen stormen en getijdenstromen.

Zeesluis
Wie met eigen ogen wil kunnen zien wat natuurgeweld in de loop van decennia vermag aan te richten met massief beton, moet dus niet te lang wachten. Hoewel Rijkswaterstaat op de borden aankondigt dat de renovatie over twee jaar gaat beginnen, krijgt de melancholiek ingestelde wandelaar enig respijt.

Eind 2009 werd besloten dat er een nieuwe, grote zeesluis komt bij de monding van het IJ. Die maakt Amsterdam bereikbaar voor de grootste containerschepen. Aangezien de aanleg van die sluis nieuwe eisen stelt aan de pieren – stromingen en aanvaarroutes veranderen wellicht – heeft Rijkswaterstaat besloten dat de grote renovatie wordt uitgesteld tot de plannen voor de nieuwe sluis nader zijn uitgewerkt.

Op een lenteachtige dinsdagmiddag behoort de Zuidpier geheel toe aan mannen. Aan het begin zit een vijftiger peinzend op een rotsblok, starend naar de nevelige horizon. Er rent een atleet in trainingspak voorbij; kwartiertje later is hij in hetzelfde straffe tempo weer terug. Voor het overige beheersen tien, vijftien vissers de pier. Sommige gewoontedieren voelen zich ontheemd, omdat hun de toegang tot de Noordpier vandaag is ontzegd. Die zuidelijke strekdam is tweede keus. ‘Ik ben bij voorkeur op de Noordpier, maar die is vandaag wegens onderhoud dicht’, zegt Piet Franzen (61) uit Purmerend. ‘Daar liggen minder betonblokken op de bodem dan hier, en blijft je haak minder vaak vast zitten.’ Hij heeft al vijf uur staan hengelen, een paar tuigen verspeeld en nog geen vis aan de haak gehad. ‘Evengoed vertrek ik fluitend, net zoals ik fluitend ben gekomen.’

Eens in de week is Franzen – winkelier handelend in thee, koffie, tabak en wijn – zeker op de pier te vinden. Zijn minder spraakzame tweelingbroer staat een paar honderd meter verderop. ‘Sinds een jaar of twee, toen het verboden werd op paling te vissen in de binnenwateren, komen we hier.’ De pieren hebben een magische aantrekkingskracht, weet hij. ‘Van overal komen ze hier, zelfs uit Brabant. Het is de spanning van het vissen, de kalmte van de zee.’

Zonder ergernissen is het recreëren hier evenwel niet. Sommigen, ‘niet om het een of ander, maar ja, toch: meestal buitenlanders’, nemen volgens Franzen ondermaatse vis mee naar huis, terwijl die behoort te worden teruggegooid. ‘En gezellig als ze een weggooibarbecue meenemen, maar na afloop laten ze alles achter. Echt níet iedereen hoor, de meesten zijn heel vriendelijk en keurig.’

Meer autochtone Nederlanders klagen over de mores van de ‘buitenlanders’, de Marokkanen en Turken die op de pieren ruimschoots vertegenwoordigd zijn. Vooralsnog zijn een paar Amsterdamse Turken de enigen die, helemaal aan het einde van de pier, bij de reusachtige havenlichten, kleine vuurtorens, kunnen bogen op enige vangst. Drie flinke gullen, jonge kabeljauwen, liggen met uitpuilende ogen op een krant. Even later worden ze gefileerd, met een handigheid die routine verraadt.

‘We komen hier best vaak, eens in de twee weken wel’, zegt Ihsan Bingul (42), taxichauffeur uit Amsterdam, ‘al zestien jaar hier, en dus een echte Nederlander.’ Hij komt op de pier om de stress van zijn werk kwijt te raken. ‘En hier krijg ik tenminste een beetje lichaamsbeweging. Op een werkdag loop ik 10 meter, van mijn huis naar de auto in de parkeergarage, hier ben ik de hele tijd in touw. Kijk, ik heb beet!’ Hij loopt naar zijn hengel, haalt binnen en constateert dat de zeeworm is aangevreten – geen vis aan de haak.

Cokesdampen
Op de betonnen behuizing van het havenlicht staat met grote letters gekalkt ‘Ruim je troep op GVD’. Bingul voelt zich niet aangesproken. ‘De Nederlanders hier op de pier zijn wel erg afstandelijk. Zij mengen niet met ons, wij niet met hen. Jammer, want we houden allemaal van vissen. Zo’n hobby zou toch een band moeten kweken.’

Nemen de Turken dan geen kleine visjes mee? ‘Wij niet, ze gaan terug in zee. Ik zeg niet dat alle Turken lelieblank zijn hoor, maar er zijn veel vooroordelen.’

Drie dochters heeft Bingul thuis, en zijn vrouw is niet altijd blij als hij weer voor een middag naar de pier vertrekt. ‘Maar ja, het is goed tegen de stress. Vroeger zat ik in het koffiehuis. Stonken mijn kleren naar de rook.’

Terug naar de kustlijn. De ferry naar Newcastle, de majestueuze Princess of Scandinavia, kiest het ruime sop. Groepjes paarse strandlopers, gedrongen vogeltjes met lange dunne snavels, drommen samen op een betonblok. De diertjes – straks gaan ze voor de zomer terug naar Noorwegen en IJsland – zijn verzot op de zoutwatermuggen die gedijen in het mos dat groeit in het grensgebied van eb en vloed.

Visser Gerard Ansink (30) uit het Noord-Hollandse Hyppolytushoef, niks gevangen nog vandaag, vertelt dat de Noordzee steeds schoner wordt, en dat er steeds meer diepzeesoorten worden aangetroffen: braam, congeraal, heilbot. Niet dat hij die zelf vangt – hij is bedrijfsleider van de visafslag in Den Oever, en daar ziet hij een mooie dwarsdoorsnee van wat er zoal in de netten komt. Eindeloos kan hij op de pier rondhangen, turen naar de hengel, genieten van de kalmte. ‘’s Nachts is het hier zo mooi – lekker vissen, tsja, leg maar eens uit waarom. In de zomer ben ik hier wel eens een uurtje kwijt, in slaap gedommeld.’

De volgende ochtend is de Noordpier weer toegankelijk. De weg van Wijk aan Zee naar de pier, pal langs het inferno van cokesdampen en ovens vol gloeiend vloeibaar ijzer, heeft nieuw asfalt gekregen. Het is nog vroeg en, op een enkele wandelaar na, verlaten.

Op een splitsing van de pier – links de oude dam, rechtdoor het lange stuk dat er in de jaren vijftig is bijgebouwd– liggen nieuwe betonblokken, 2,5 x 2,5 x 2,5 meter, deels nog ingepakt in folie. Zij zijn de voorafschaduwing van hoe de pieren er in de toekomst mogelijk gaan uitzien. Robuust, egaal grijs. Als de oude pieren tezamen een gebit met geschiedenis vormen, zijn ze straks met deze blokken een onverwoestbaar kunstgebit.

Op de zijtak zitten een stuk of dertig aalscholvers op een muurtje op een rij, ze spuiten hun zout stinkende uitwerpselen met kracht op het asfalt. De ochtendzon schijnt op het kapot gebeukte beton, dat groenig, bruin, grijs kleurt. In 1973 heeft ene Roy in een stukje zacht asfalt – ongetwijfeld bij een wegdekreparatie – zijn spoor achtergelaten: naam, jaartal, schoenafdruk. In het wegdek is staal verzonken, een geleiderail voor een allang verdwenen hek. Het zoute water doet het metaal smelten, zodat het roodbruin kleurt – oogstrelend voorbeeld van verval dat onherroepelijk verloren gaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden