VERREVELDERS

Als de stad zich uitbreidt, is het sportveld de klos. In Amsterdam moet een handjevol verenigingen verkassen omdat banken en multinationals hun sportparken hebben uitgekozen als vestigingsplaats....

JAAP HUISMAN

DE voetbalvereniging VVOO leidde een zieltogend bestaan aan de noordrand van Utrecht. Een bedrijventerrein scheidde de velden van de bewoonde wereld; de jeugd moest een weg afleggen naar het sportveld die leidde langs een crematorium en over een eindeloos lijkende autoboulevard. Logisch dat de jongens het op zeker moment lieten afweten. VVOO had op het laatst nog maar twee à drie seniorenteams.

Dat was vóór de zomer. Toen verhuisde de club naar sportpark De Dreef ín de wijk Overvecht. Het bestuur wist niet wat het overkwam. De jeugd stroomde toe en in zo grote getale dat er een ledenstop moest worden ingesteld. Vooral de allochtone populatie in Overvecht profiteert van de voorziening. Ineens zien de Marokkaantjes en jonge Turken hun kans schoon om een balletje te trappen, want een korfbalveld - van kunstgras - kan tegelijk als trapveld dienst doen. Het gras is daarvoor ten enenmale ongeschikt.

Sportaccommodaties moeten zoveel mogelijk voor de binnenstad behouden blijven, is het streven in Utrecht. B. Stam, hoofd van die gemeentelijke afdeling, heeft de afgunst van zijn collega's in de Randstad al geproefd op een recent gehouden symposium over Lokaal Recreatiebeleid. Stams dienst gaat dan ook aanvallend te werk. 'Is er een plekje groen over, ook al is het kleinschalig, dan staan we op de stoep.'

De Utrechtse situatie is een uitzondering op de regel. In de grote steden zijn de sportvelden in de verdrukking, en hoewel dat in de nog jonge geschiedenis van sport en recreatie geen nieuw verschijnsel is, lijkt de bedreiging nu ernstiger dan ooit. Steeds verder komen de velden af te liggen van de wijken waaruit ze hun jonge spelers moeten recruteren en het gevolg is dat sommige clubs genoopt zijn hun juniorenafdelingen af te stoten omdat de aanwas stokt of omdat de organisatie niet meer is op te brengen.

In Amsterdam zijn vooral de voetbalverenigingen aan de Zuidas de klos. Nu Philips, ING en het hoofdkantoor van de ABN Amro het oog hebben laten vallen op de groene boorden van de A10, lijkt het lot van clubs als SC Buitenveldert en RAP, en enkele tennisverenigingen bezegeld. Hun wacht verhuizing of fusie. En als ze verhuizen, belanden ze op het Loopveld, zeker twee kilometer verder naar het zuiden.

Eén vader heeft al - publiekelijk - protest aangetekend: oud PvdA-voorzitter Felix Rottenberg. Hij voorziet problemen met het transport van de pupillen en de leefbaarheid in Amsterdam. Een stad zonder sport is een stad zonder speling. Dan krijgen vandalisme, jeugdcriminaliteit en drugsgebruik makkelijker een kans, hebben jeugdpsychologen in het verleden al gewaarschuwd. 'Met de maatschappelijke betekenis van sport valt de verplaatsing van sportterreinen niet te verenigen', schreven twee PvdA-stadsdeelraadsleden in het Parool. Philips, dat een naam heeft hoog te houden op het gebied van bedrijfssportvoorziening (PSV!) zou toch een steentje moeten bijdragen aan sport bij de Zuidas, in het belang van zijn werknemers en de omwonenden, suggereerden de PvdA'ers.

A. Roelsma vindt het een normaal verschijnsel dat sportvelden verdwijnen voor de oprukkende stad, maar noemt het ook verontrustend. Roelsma, hoofd sportaccommodaties en planning bij het NOC/NSF, stelt vast dat sport en recreatie pas op de vierde plaats komen bij de verdeling van de ruimte, ná wonen, werken en verkeer. 'We zijn gewoon economisch gezien het minst interessant. Die velden liggen daar maar, worden hooguit tweehonderd uur per jaar gebruikt. Dat is natuurlijk niet efficiënt.'

De oplossing wordt juist gezocht in het effectief ruimtebeslag. Laat verschillende balsporten één park delen. Maar dat kan niet altijd. Gras mag dan de meest ideale ondergrond zijn voor voetbal, het slijt wel. En op één veld kunnen bijvoorbeeld niet tegelijk rugby en voetbal worden gespeeld, omdat ze uiteenlopende grassoorten verlangen. Kunstgras en wetra-velden kunnen uitkomst bieden. Wetra is de afkorting voor wedstrijd- en trainingsveld. Het is, onder meer in Utrecht, op het nieuwe sportterrein Loevenhoutsedijk in Overvecht, aangelegd.

0 ET effectief ruimtebeslag (dat in Amsterdam 'optimalisering' heet) omvat meer dan kunstgras of wetra. Kwijnende sportparken in wijken waar de bevolking is vergrijsd, worden gesloten en overgeheveld naar buurten met een jonge populatie. Sportverenigingen fuseren, zaterdag- en zondagteams sluiten huwelijken, en er worden zelfs onverwachte bondgenootschappen gesloten. Het komt voor dat een voetbalclub één trapveld inricht als tennisbaan. Roelsma: 'Zo houd je de senioren die geen zin meer hebben in het blessure-gevoelige voetbal betrokken bij de club. En dat geeft ook de vrouwen een kans te sporten, die anders alleen maar worden ingeschakeld voor het kantinewerk.'

In Amsterdam zijn alle sportvelden 'vogelvrij' maar zeker de parken die goed bereikbaar zijn. Het is de ironie van het lot. De Ringweg-Zuid ontpopt zich tot een economisch centrum omdat de combinatie van spoorwegen en snelwegen aanzuigend werkt, maar het gebied is minstens zo aantrekkelijk voor de sporters, of het nu korfballers, tennissers, squashers of voetballers zijn. C. van Meurs, van de Amsterdamse dienst Sport en Recreatie, weet al wie de dupe van de verhuizing zullen zijn. Dat zijn de voetballende meiden die nu uit de Pijp naar Buitenveldert fietsen en straks nog een paar kilometer verder moeten. Als op hun route bovendien bosschages of parkjes liggen, haken ze uit onveiligheidsoverwegingen af. Of pa moet hen weer met de auto brengen.

Daarnaast treft de verhuizing de allochtone gezinnen. Ze kennen niet de cultuur van gezamenlijk autotransport van én naar de velden, van de zorg voor een sportterrein, ze kennen helemaal niet de cultuur van de vereniging. Van Meurs: 'De vereniging is een uniek Nederlands fenomeen. In Engeland komt het minder voor, Amerika kent het helemaal niet. De vereniging bestaat bij de gratie van vrijwilligers. Bij kader. De leden springen bij. Als dat niet je traditie is, omdat je gewend bent dat de jongens zelf buiten spelen, groeit de kloof. Er zijn nu al verenigingen die bewust geen juniorenafdeling willen, omdat ze de organisatorische sores niet willen.' Maar iedereen in de sport weet dat dat op den duur de dood betekent. Geen jeugd betekent geen doorstroming, geen nieuw bloed.

Amsterdam is tóch al een buitenbeentje in het verenigingsleven. Er zijn 67 voetbalclubs met minder dan vijftig leden. Van Meurs: 'In een stad als Almere zouden die al lang zijn opgedoekt of samengevoegd. Daar telt een vereniging al gauw 350 leden.' Daarom bezit ook niet elke Amsterdamse sportvereniging een eigen veld, daarom is ze ook kwetsbaarder dan elders.

Roelsma, die vanuit het landelijk sportcentrum Papendal in Arnhem het spectrum overziet, dicht de vereniging dan ook een grotere rol toe op het platteland dan in de grote stad. 'In de steden zijn er zoveel andere mogelijkheden om je vrijetijd in te vullen, waar sport maar één van is. In een dorp zorgt sport voor de cohesie. De sporthal heeft een sociale ontmoetingsfunctie.' Roelsma kent dan ook geen voorbeelden van gefuseerde gemeenten die clubs een sportpark wil laten delen om zo kosten te besparen. 'Dat krijg je niet voor elkaar. Dat druist in tegen het dorpsgevoel. Het ene dorp ziet zichzelf als de tegenstander van de ander. De betrokkenheid bij de eigen kern is zó sterk.'

Maar als tussenmodel duikt ook op het platteland de omnivereniging op, waarin diverse takken van sport zijn ondergebracht, met een centraal bestuur aan de leiding, en het beheer van velden en hal als taak. Een paardenmiddel om het ontbreken van kader op te vangen.

Heeft de vereniging haar langste tijd gehad, als de vrijwilligers afhaken, de velden naar de periferie worden verbannen en de individualisering oprukt? Van Meurs heeft er nog vertrouwen in, maar de Amsterdamse dienst ziet voor zichzelf steeds meer een taak weggelegd op de scholen, om te voorkomen dat er kinderen opgroeien die nog nooit aan een rekstok hebben gehangen of met een racket hebben gespeeld. In 1998 begint een tweede offensief voor het voortgezet onderwijs, codewoord Topscore, waar scholenteams het tegen elkaar zullen opnemen. Dan zijn we misschien al weer stap dichterbij het campusmodel: scholen die hun gymnastiekzalen en velden ook buiten de schooluren openstellen voor sportbeoefening.

Alles staat of valt met de manier waarop je sport een plaats geeft in de stad of de wijk, is de overtuiging van Roelsma (NOC/NSF). Hij heeft hoge verwachtingen van de nieuwe stad Leidsche Rijn waar in het hart groen is uitgespaard, bedoeld voor recreatie. 'Dat is lovenswaardig. Maar waar kom je het tegen dat al vroeg in de ontwerpfase de sport een plaats heeft gekregen?' Zijn dagelijkse praktijk is een andere, dat hij moet redden wat er te redden valt, omdat de economische waarde van de grond het nu eenmaal altijd wint van de recreatieve. De campusgedachte, sport met onderwijs gecombineerd, spreekt hem niet aan. Zo zijn de Nederlandse scholen niet opgezet en al helemaal niet in de grote steden.

Intussen hebben kleine sluipende ontwikkelingen, die betrekking hebben op de relatie sport-ruimtelijke ordening, wel degelijk verstrekkende gevolgen. Het Olympiaplein, vrijwel het enige binnenstadse Amsterdamse plein met een sportpark in het hart, dreigt voor veel jonge sporters een onbereikbare veste te worden vanwege het parkeergeld. Ouders kunnen het tarief niet betalen, voor bezoekende verenigingen wordt het een drempel.

0 OMMIGE sporten leggen het loodje of veranderen van karakter. Handbal, zegt Roelsma, wordt vrijwel nergens meer op het veld gespeeld. Dat is veranderd in een zaalsport. Sporten die niet zoveel ruimte vreten, zoals basketball, floreren redelijk. En andere sporten die status genieten en daarom kunnen rekenen op een stabiele - blanke - aanwas, zijn onbedreigd. Hockey is daarvan het bewijs. Voor hockey maakt het bijna niet uit, waar de velden liggen, omdat de organisatie toch wel geregeld is. Voor voetbal daarentegen kan het verre veld funest zijn. En voetbal heeft toch al een nadeel: het is veel blessuregevoeliger. Daar zijn de calculerende ouders van nu het minst van geporteerd.

Een strategisch gelegen korfbal- en voetbalterrein in de wijk Arnhem-Presikhaaf is omgeploegd voor een kantorencentrum, de bedrijven in Utrecht-Overvecht mochten tegen een aardige prijs uitbreiden op de velden van VVOO en bij de Zuidas worden SC Buitenveldert, RAP, een tennispark en een korfbalveld onder de voet gelopen door het grootkapitaal. Het lijkt zorgelijk, het lijkt de dood in de pot.

Toch zien Roelsma en Van Meurs een zonnige keerzijde. De ervaring leert dat sportverenigingen ook aan de bijna-dood ontsnappen en dan gaan floreren. Van Meurs noemt de fusie van twee clubs in Amsterdam-West, de Spartaan en VVA. De een klein, maar financieel sterk, de ander groot maar aan de grond. Met een nieuwe accommodatie op het Jan van Galen-park gingen de Spartaan/VVA een tweede leven in. Er is misschien nog hoop voor SC Buitenveldert, RAP en al die andere verenigingen die worden verplaatst. En anders haalt de stad hen over vijftig jaar weer in.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden