Vermeend gaat echte keuzes uit de weg

Met zijn belastingplan heeft staatssecretaris Vermeend vooral de regeringsfracties willen behagen, meent Sybren Cnossen. Het maakt al met al een nogal parochiale indruk, en zal niet bestand blijken te zijn tegen de eisen van de 21ste eeuw....

SYBREN CNOSSEN

LANG VERWACHT, toch gekregen! Het belastingplan van Willem Vermeend en Gerrit Zalm. Maar een echte surprise is het niet geworden. Veeleer meer van wat we vorige jaren ook in de zak aantroffen. Meer verschuiving en vergroening dus voor 'het bevorderen van economie, werkgelegenheid en milieukwaliteit'.

Zo levert een verhoging van het algemene BTW-tarief met 1,5 procent tot 19 procent 3,9 miljard gulden op. Verder is het de bedoeling dat energie- en milieuheffingen 3,7 miljard zullen opbrengen.

Wel is er een geringe verbreding van de heffingsgrondslag van de loon- en inkomstenbelasting. Het is kennelijk de bedoeling dat een aantal aftrekposten - zoals het reiskostenforfait, de arbeidskostenaftrek (niet het forfait) en de aftrek van rente op consumptief krediet - wordt geschrapt, en dat de autokostenfictie en de buitengewone-lastenregeling worden aangescherpt.

Deze maatregelen leveren zo'n 2,5 miljard op. Alles bij elkaar is er derhalve ruim 10 miljard voor verlichting van de belasting- en premiedruk op arbeid.

Helaas heeft de werkgelegenheid, de speerpunt van het belstingplan, niet veel baat bij een verschuiving/vergroening/verbreding, tenzij we de randvoorwaarden van budget- en inkomensneutraliteit loslaten. Immers, of u nu belasting betaalt aan uw werkgever, de kruidenier of het energiebedrijf verandert weinig aan uw werklust als u er netto niet veel meer aan overhoudt.

De berekeningen van het Centraal Planbureau tonen dat, ten overvloede, nog eens aan. Daarvoor is het nodig de druk te verschuiven van actieven naar inactieven. Maar dat is spelen met vuur zo vlak voor de verkiezingen. Daarom wordt, in een bijlage, gegoocheld met een autonome belastingverlaging (lees: bezuiniging op de materiële overheidsuitgaven) van 2,5 of 5 miljard gulden.

Door veel gesleutel met de belastingvrije som (afschaffing overdraagbare basisaftrek, omzetting in een heffingskorting) en het arbeidskostenforfait (verhoging, omzetting, aftopping) blijkt de replacement rate (de verhouding tussen netto uitkering en netto loon) miniem te dalen.

Dat zou de werkloosheid kunnen verminderen. Maar het impliceert een relatieve verhoging van de lastendruk op inactieven - vandaar dat de problematiek in een bijlage is geplaatst!

Meer van hetzelfde dus, want de afgelopen jaren is ook veel aan verschuiving/vergroening en verlaging gedaan. Toch is er ook nog een nooit vertoond nieuwigheidje, dat forfaitaire rendementsheffing heet. Deze eufemistische term houdt in dat de belasting op vermogensinkomsten wordt afgeschaft. U betaalt dus geen inkomstenbelasting meer over dividend, rente of huur, en een eventuele vermogenswinstbelasting (kenmerkend voor vele landen om ons heen) wordt verontwaardigd van de hand gewezen.

Vermogen moet fiscaal onbelemmerd kunnen groeien, vooral voor degenen die al veel vermogen bezitten en daarom grotere risico's kunnen nemen die hogere rendementen opleveren.

Ter compensatie van de opbrengstderving wordt de vermogensbelasting verhoogd van 0,7 procent (in 1998) tot 1 procent (en de belastingvrije som per individu wordt verlaagd tot 37.500 gulden). Een forfaitaire rendementsheffing van 25 procent over 4 procent van het vermogen, het voorstel, is immers gelijk aan een vermogensbelasting van 1 procent.

Het wekt dan ook bevreemding dat de oude 'onacceptabele' vermogensbelasting ten grave wordt gedragen. We veranderen het belastingstelsel niet door het anders te gaan omschrijven.

Pluspunt van de verschuiving van de belasting van vermogensinkomsten naar vermogen is dat het belastingstelsel neutraler wordt. Beleggingen, zoals spaartegoeden, vorderingen, obligaties, onroerende zaken, kapitaal- en lijfrenteverzekeringen worden gelijker behandeld, en de mogelijkheden voor belastingarbitrage (rente aftrekbaar, opbrengst niet belast) worden geringer.

Maar dat geldt weer niet voor aandelen (dubbele belasting blijft, zij het in andere vorm), pensioenen (waarde wordt niet belast) en de eigen woning (forfaitair rendement blijft 1,25 procent).

Niettemin, per saldo meer neutraliteit, echter ten koste van een rechtvaardige verdeling van de lastendruk. De grondslagerosie door het ontwijken en ontduiken van de belasting op vermogensinkomsten wordt, als het ware, gelegitimeerd. Het is maar waar je voor kiest.

Het zou ook mogelijk zijn geweest neutraliteit en rechtvaardigheid evenwichtiger tot hun recht te laten komen door alle vermogensinkomsten en winsten slechts eenmaal tegen een proportioneel tarief te belasten. Geluk op de beurs of elders hoeft fiscaal niet te worden ontzien.

Er zou een ander rapport zijn uitgekomen als de bewindslieden wat minder gebiologeerd zouden zijn geweest door de (minieme) werkgelegenheidseffecten van veranderingen in de lastenmix. Werk is alles, maar niet alles draait om werk, zeker niet in de fiscaliteit.

Minder obsessie ook met het 'succes' van het fiscale beleid van de afgelopen jaren dat kennelijk zo nodig moet worden voortgezet. Daardoor zijn replacement rate en armoedeval wel erg hoog op de agenda gekomen en verzandt het rapport in een moeras van koopkrachtplaatjes.

Fundamentele keuzevraagstukken komen in het plan nauwelijks aan de orde. Met name de wenselijke en mogelijke belastingheffing van kapitaalinkomen komt niet uit de verf. Kiezen we voor inkomen als centrale maatstaf van belastingheffing, dan gaat het niet aan om de belasting op vermogensinkomsten zonder argumenten van tafel te vegen en niet de mogelijkheden van een effectievere heffing door middel van bronbelastingen en een vermogenswinstbelasting serieus te onderzoeken.

Een belangrijke vraag in dit verband is hoever we in een open economie kunnen gaan met het belasten van kapitaalinkomen zonder dat de factor arbeid daarvan de lasten moet dragen in de vorm van verminderde productiviteit en derhalve lager loon. Ook de vraag hoe de belasting van vermogensinkomsten zich verhoudt tot de vennootschapsbelasting komt niet aan de orde.

Een fundamentele vraag is verder in hoeverre de lastendruk op inactieven, met name ouderen, moet worden verhoogd om de druk op actieven te kunnen verlichten. Een heet hangijzer, maar we kunnen er niet om heen.

Overigens: hoe effectief is een lastenverlaging aan de onderkant van de arbeidsmarkt wel als andere maatregelen (uitkeringsbeleid, regulering, scholing) de werking van die markt blijven blokkeren?

Ten slotte zou de vraag gesteld kunnen worden in hoeverre globalisering en Europese integratie paal en perk stellen aan ons eigen belasting- (en uitgaven)beleid. Is 'in de pas lopen' wel zo noodzakelijk als vaak wordt beweerd?

Naar mijn oordeel zijn dit het soort vragen die het kader aangeven waarin de fiscale plannen voor de 21ste eeuw gestalte moeten krijgen - niet een beetje meer of minder basisaftrek, arbeidsforfait of andere vormen van 'techniek'. De afschaffing van de belasting op vermogensinkomsten is een interessante koerswijziging, maar zij wordt nauwelijks beargumenteerd. In andere landen en in de fiscale literatuur heeft de fundamentele problematiek tot diepgaande studies geleid, waarop vervolgens fiscaal beleid is geënt. Het belastingplan bespreekt ze niet en maakt daarom een ietwat parochiale indruk.

Het lijkt er meer op dat het kabinet zo ongeveer de grootste gemene deler van de fiscale verlanglijstjes van de drie coalitiepartijen presenteert. De compromissen zijn al gebakken voordat de fundamentele issues zijn bestudeerd.

In Nederland is de belastingheffing altijd een speeltje van rechts geweest, zoals de sociale zekerheid altijd een speeltje van links was. Het plan doorbreekt die patstelling niet. Om beide als publieke goederen te behouden, is het noodzakelijk dat vermogensinkomsten en -winsten effectiever worden belast, zoals het ook noodzakelijk is om misbruik en slechte uitvoering van sociale uitkeringen te bestrijden.

Terecht wijst het plan erop dat vermogensinkomsten tegenwoordig veel moeilijker te meten zijn dan het onderliggende vermogen. Integrale belasting is echter mogelijk door niet het vermogen te belasten, maar de voor stortingen en onttrekkingen gecorrigeerde toename van het vermogen (vermogensaanwasbelasting).

Belastinghervorming is moeilijk. Het siert de bewindslieden van Financiën dat zij dat erkennen. 'De verkenning maakt duidelijk dat de marges voor een herziening smaller zijn dan veelal op de tekentafels van ontwerpers van nieuwe belastingstelsels wordt aangenomen', zo staat in het voorwoord.

Ongetwijfeld slaat dit op de nota van één hunner die, reeds bij de staatsdrukkerij bezorgd, vervolgens de ministerraad niet passeerde. Maar de marges worden nog smaller als de fundamentele discussie uit de weg wordt gegaan. Het is de vraag of de verkenning de 21ste eeuw wel zal halen.

Sybren Cnossen is hoogleraar fiscale economie aan de Erasmus Universiteit van Rotterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden