Veel ruimingen, minder dieren op het bord

Bijna is het eerste decennium van de 21ste eeuw voorbij. Hoe waren de ‘jaren nul’? In zeven afleveringen blikt de Volkskrant terug....

AMSTERDAM Ja, het is dramatisch, het ruimen van tienduizenden geiten wegens de Q-koorts, net deze week, in de aanloop naar de Kerstdagen, als daverende afsluiting van het decennium. En nee: het went helemaal niet, de beelden van dode dieren die – hoe zachtzinnig ook – in bakken worden gelegd en worden afgevoerd.

De beelden kennen we, in vele varianten, sinds de BSE-crisis in 1996 en 1997, toen alleen al in Engeland 3,5 miljoen runderen werden gedood, op een hoop gegooid en in brand gestoken. Over het Engelse platteland hing dagenlang de geur van verschroeid vlees. Kort daarop volgde de varkenspest; in een paar maanden tijd werden in Nederland vijf miljoen varkens geruimd. Uit die tijd stammen de beelden van grijpers met daarin bungelende varkens. In 2001 kostte mond- en klauwzeer miljoenen dieren het leven, daarop volgden onder meer vogelpest (2003) en blauwtong bij schapen (2007).

Hoe schokkend ook, verrassend zijn de vernietigingspraktijken dus niet meer. Ze bepalen steeds meer het beeld van de intensieve veehouderij, die balanceert op een wankel koord tussen hoge productie en lage kostprijs enerzijds en problemen met gezondheid, dierenwelzijn en milieu anderzijds. Juist in Nederland, het veedichtste (120 miljoen productiedieren) land ter wereld, dringt dit probleem zich nadrukkelijk op.

De vele deuken die het imago van de vleesindustrie in ruim tien jaar opliep, bleven niet zonder gevolgen. Bij ieder ‘incident’ klonk in vele huiskamers de verzuchting: ‘Nu stop ik echt met vlees eten.’ En, opmerkelijker: er waren mensen die de daad bij het woord voegden. Sinds de Tweede Wereldoorlog was de vleesconsumptie in Nederland alleen maar gestegen, tot 88,6 kilo per persoon in 1996. Toen kwamen de bungelende kadavers van BSE en varkenspest, en begon de vleesconsumptie te dalen tot 84,7 kilo per persoon in 2008. Niet spectaculair maar onmiskenbaar een trendbreuk, in een periode van toenemende welvaart.

Het is de vraag hoe groot de invloed van het opkomende dierenrechtenactivisme op die trendbreuk is geweest. De beelden die radicale en minder radicale organisaties – al of niet met verborgen camera’s gefilmd – internet op slingerden, waren zo mogelijk nog schokkender dan die van bungelende kadavers in grijpers. Filmpjes van dierproeven, bontfokkerijen, en misstanden in slachthuizen, op veemarkten of tijdens veetransporten, ze zijn te vinden op de websites van die organisaties.

Een kleine groep activisten zorgde sinds eind jaren negentig voor een ongekend aantal vaak gewelddadige acties tegen nertsenfokkers, proefdierbedrijven, veetransporteurs en bedrijven en personen die direct of indirect bij die activiteiten zijn betrokken. Zo gewelddadig dat deze activisten sinds dit jaar een landelijk politieteam achter zich aan hebben gekregen.

Volgens Erno Eskens, filosoof en bestuurslid van de stichting Dier en Recht heeft het radicale activisme averechts gewerkt. ‘Politici doen alles om niet geassocieerd te worden met de ideeën van de dierenactivisten.’ Meer resultaten boekten organisaties als Wakker Dier en Varkens in Nood, aldus Eskens. ‘Al was het maar door de overheid te wijzen op schendingen van bestaande wetten voor bijvoorbeeld veetransporten.’

Zowel Wakker Dier als Varkens in Nood werd eind jaren negentig – geen toeval – opgericht. Voor het eerst namen organisaties het nadrukkelijk op voor de miljoenen productiedieren in Nederland, en dus niet alleen voor zielige huisdieren en zeehonden. Wakker Dier richtte zich in radiospotjes tegen de excessen in de bioindustrie (‘Kip, het meest mishandelde stukje vlees,’), en bedacht de jaarlijkse ‘verkiezing van de meest sexy vegetariër’. Varkens in Nood richtte zich meer op ‘ons soort mensen’, door het inschakelen van bekende ‘ambassadeurs’ als Youp van ’t Hek en Robert Long. Varkens in Nood bracht de ‘onnodigheid’ van het castreren van biggen en misstanden in veetransporten onder de aandacht.

Ook wereldwijd mengden beroemdheden zich in het debat. Zo riep Paul McCartney onlangs op tot een vleesloze maandag. Zijn dochter Stella, bekend modeontwerpster, kondigde een veganistische (leerloze) schoenenlijn aan.

De dierenrechtenbeweging in het algemeen boekte enig succes. De Europese grondwet bevat voor het eerst een – weinigzeggende – bepaling over de rechten van het dier. In Nederland kwam een wetsontwerp om de nertsenhouderij te verbieden door de Tweede Kamer (en blijft vooralsnog steken in de Eerste Kamer). Nog maar de helft van de eieren komt uit een legbatterij en foie gras is met goed fatsoen bijna niet meer te verkopen.

Uniek in de wereld was de verkiezing van de Partij van de Dieren in het parlement, in 2005, met twee zetels. De partij van Marianne Thieme bereikte weinig concreets maar boekte toch een groot succes: het dierenwelzijn, ook van het vee in de bio-industrie, staat hoog op de politieke agenda.

Wat daarbij hielp was de conclusie van de Wereldvoedselorganisatie FAO in 2008 dat de veehouderij goed is voor 18 procent van de uitstoot van broeikasgassen. Met andere woorden: de veehouderij is funest voor het klimaat – dat andere grote thema van het laatste decennium. Marianne Thieme maakte haar eigen ‘unconvenient truth’: Meat the Truth. Een van de conclusies: ‘Een vegetariër in een Hummer stoot minder CO2 uit dan een vleeseter in een Toyota Prius.’

En of het nu was wegens het dierenleed, wegens het klimaat of wegens de gezondheid: al met al gebeurde er iets bijzonders: (veel) vlees eten is uit.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden