Twee families knepen IJsselwerf uit

Naschrift van de redactie: De ondernemingskamer van gerechtshof te Amsterdam heeft in een beschikking van 9 november 2000 geoordeeld dat van wanbeleid bij YVC IJsselwerf niet is gebleken.

Aandeelhouders die het bedrijf leegzogen en een directie die hen daarbij ijverig assisteerde. Dat is de geur die opstijgt uit een onderzoek dat het Amsterdamse hof liet uitvoeren naar de ondergang van YVC IJsselwerf....

Werf voor zeeschepen van uitstekende kwaliteit. Die solide reputatie genoot YVC IJsselwerf jarenlang onder Europese reders. Toch stond al in de bloeiperiode vast dat de bouwer van 'speciaalschepen' - tankers, varende visfabrieken en supply-schepen - bij het geringste zuchtje wind ten onder zou gaan.

Dit blijkt uit een rapport dat is opgesteld in opdracht van het Amsterdamse hof en in bezit is van de Volkskrant. Aanleiding is een klacht van FNV Bondgenoten over wanbeleid bij de werf uit Capelle, die op 4 juni 1999 in surséance raakte. Conclusie: de verantwoordelijken hebben weinig tot niets ondernomen om het onheil te voorkomen.

Vooral voor directeur K. Bosma en commissaris A. Korteland is het hof-rapport vernietigend. Laatstgenoemde is geen onbekende: Korteland is voorzitter van de Nederlandse redersvereniging en was bovendien tot voor kort lid van de Sociaal Economische Raad, die de regering adviseert.

Voor een commissaris legde de voormalig accountant een bijzondere ijver aan de dag: hij bezocht de IJsselwerf meermalen per week. Want niet Bosma, maar Korteland bepaalde het beleid, verklaren getuigen eensgezind.

Dat juist deze werf behoefte had aan beleid, bleek medio jaren negentig. Tot die tijd leidde het bedrijf een onbedreigd bestaan. Trouwe klanten bestelden met regelmaat een schip, waarmee de werf winstjes boekte van 500 duizend tot 5 miljoen gulden per jaar.

Die winst had vele malen hoger kunnen uitvallen, ware het niet dat de aandeelhouders de werf jarenlang als een vampier uitzogen, zoals duidelijk wordt uit het rapport van mr. L. van den Blink. Reserves voor de magere tijden, die aanbraken door goedkope buitenlandse concurrentie, zijn de werf nimmer gegund.

YVC IJsselwerf was onderdeel van YVC Holding, waar Bosma en Korteland eveneens de scepter zwaaiden. De werf was goed voor tweederde van de omzet van de holding (circa 100 miljoen gulden), die verder bestond uit de reparatiewerf YVC Bolnes.

Zo kwam het eigen vermogen van de IJsselwerf nooit boven de 2 miljoen gulden. De oorzaak: elke cent winst - inclusief de voor de werf bestemde staatssteun - verdween als dividend in de zakken van de aandeelhouders van de holding, de Zuid-Hollandse families Smits en Teeuwen.

Bovendien zuchtte de werf onder de huur die werd geheven voor de bedrijfsterreinen. Niet zomaar huur, maar een die tussen 1995 en 1999 bijna 10 miljoen gulden boven de marktcon forme huur lag, calculeerden de bewindvoerders. Daarbij kwamen nog 'concernkosten' en rente.

Ook is berekend wat directeur Bosma het bedrijf jaarlijks kostte: 867 duizend gulden. Bosma zelf houdt het op 567 duizend gulden in 1997 en 691 duizend gulden voor 1998 - nog altijd ver boven het gebruikelijke voor een directeur van een bedrijf met minder dan 500 werknemers (werkgeversclub FME/CWM noemt als gemiddelde 294 duizend).

Omdat al deze kosten werden doorberekend in de prijzen van de schepen, mag het geen wonder heten dat zelfs vaste klanten wegliepen. Kwaliteit was geen probleem, levertijd evenmin, dankzij de driehonderd werknemers - in het rapport genoemd als 'loyaal, gemotiveerd en vakbekwaam'.

Het management kende het prijs-probleem al jaren. Maar die wetenschap was blijkens het onderzoek geen aanleiding iets te veranderen. 'Regelmatige stroom aanvragen', meldt een memo uit februari 1998. 'YVC echter steeds te duur.' In november constateert Bosma nog eens: 'Indien alles doorberekend wordt (...) maken wij bij geen enkele klant nog een kans.'

Intussen werd de werf ook nog bedreigd door de al in 1997 geëscaleerde verhouding tussen Bosma en de stafleden, die Bosma 'volstrekt onbekwaam' en een 'marionet van Korteland' vonden. De staf had geen inspraak bij de ambitieuze toekomstplannen, waarop veel kritiek bestond.

Want ondanks de problemen hadden Korteland en Bosma bedacht dat YVC de grotere werf Wilton-Feijenoord moest overnemen. Dat zou IJsselwerf in staat stellen te verhuizen naar Schiedam, waar meer en grotere schepen konden worden gebouwd.

Voorwaarde voor die verhuizing was de opbrengst van de grond in Capelle, die echter zwaar vervuild en dus waardeloos bleek. Dat YVC Wilton-Feijenoord desondanks kocht van Joep van den Nieuwenhuyzen in april 1999, is volgens FNV-advocaat P. Bosch 'volstrekt onbegrijpelijk'.

Eveneens moeilijk te begrijpen is de reactie toen zich eind 1998 opeens toch een klant aandiende. Rederij Navale Française vroeg om een offerte voor een tanker, met een optie op een tweede schip. Ondanks herhaalde verzoeken liet IJsselwerf twee maanden niets horen, terwijl met de opdracht 80 miljoen gulden was gemoeid. Pas na zeven maanden deed de werf een uiterste bod, maar de order was toen al vergeven aan een Noorse concurrent. De Fransen hebben na de surséance hun verbazing geuit over de geringe moeite die YVC zich getroostte voor de order.

Van den Blink houdt het op 'onvoldoende pogingen'. Dat de werf overleefd zou hebben als wél was ingegrepen, is 'niet uit te sluiten'. Hij constateert droogjes dat - op één na - 'alle andere twintig leden van de Nederlandse Vereniging Scheepsbouw Industrie tot op de datum van dit verslag voortbestaan'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden