Toename handel via Internet vraagt om radicale herziening belastingstelsels

Het door Vermeend en Zalm voorgestelde belastingstelsel voor de 21e eeuw negeert de verregaande en groeiende invloed van E-commerce. Er wordt vooral gezocht naar marginale aanpassingen van het bestaande belastingsysteem, constateren Luc Soete en Bas ter Weel....

LANGZAAM wordt duidelijk dat de huidige belastingstelsels niet meer voldoende zijn om een solide belastinggrondslag te garanderen. De reden voor deze dreigende erosie is de sterke toename van E-commerce - de handel via het Internet - die het bereik van het huidige systeem ondergraaft. Deze notie omtrent de uitholling van belastingopbrengsten is opgemerkt in de VS op het niveau van de individuele staten, en in Europa vanwege het toenemende belang van BTW- en accijns-opbrengsten voor de overheid.

De argumenten voor deze gevaren werden in de meeste EU-landen, waaronder Nederland, nogal nonchalant terzijde geschoven. Zelfs in 'Belastingen in de 21e eeuw', waarin een nieuw stelsel van belastingen wordt ontwikkeld, is het belang en de razendsnelle groei van het Internet in onze economie in het geheel niet beschouwd. Verbazingwekkend in dit licht is het feit dat zowel de regering-Clinton als de Europese regeringsleiders het Internet hebben uitgeroepen tot de toekomstige groeimotor van de economie.

Onlangs stelde het accountantsbureau KPMG, in een rapport aan de Tweede Kamer, voor om de BTW op E-commerce af te schaffen en een nul-tarief te introduceren. De voornaamste reden voor dit voorstel was om de concurrentiepositie van Nederlandse (Internet)bedrijven te verbeteren en discriminatie tegen te gaan. Zo'n voorstel voor een duty-free Internet lijkt, ons inziens, bij voorbaat kansloos, omdat de toekomstige belastinginkomsten steeds meer uit consumptiebelastingen zullen moeten worden gegenereerd.

Inderdaad spreekt staatssecretaris van Financiën, Willem Vermeend (de Volkskrant, 2 september) zijn zorg uit over de concurrentiepositie van Nederlandse Internetbedrijven, maar is hij tezelfdertijd absoluut tegen een nul-tarief vanwege de (te) hoge kosten en de tegenstrijdigheid met het Europees beleid. Wel wil Vermeend de BTW op Internet-gerelateerde producten verlagen, om op deze manier de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven te versterken en het gebruik van het Internet aan te moedigen.

Europese Internetbedrijven ondervinden vooral veel hinder van Amerikaanse concurrenten, omdat zij BTW moeten heffen, terwijl de Amerikaanse bedrijven de verkoopbelasting mogen kwijtschelden aan niet-ingezetenen. Daarnaast willen de Amerikaanse federale autoriteiten het Internet tot een vrijhandelszone uitroepen.

De door Vermeend voorgestelde verlaging van de BTW strookt, dat zal duidelijk zijn, niet met de nota die eind 1997 naar de Tweede Kamer werd gestuurd, door hemzelf en Zalm. Het document 'Belastingen in de 21e eeuw' stelt terecht onder meer een verschuiving van inkomstenbelasting naar consumptiebelasting (onder andere een stijging van de BTW, accijns, en eco-tax) voor.

De gedachte is om de concurrentiepositie van de Nederlandse economie te verbeteren, de belasting op arbeid te verminderen en vooral om het beginsel van de gebruiker betaalt effectiever te onderstrepen. Op dit laatste punt wordt uiteraard voorbij gegaan aan het feit dat een verhoging van de BTW, in het tijdperk van E-commerce wellicht zal leiden tot een verschuiving van consumptieve vraag van Nederland naar landen met lager BTW-niveau.

Deze manier van arbitrage en virtuele consumptiemobiliteit is sterk in opkomst door de snelle ontwikkeling van het Internet, dat het vermogen heeft snel, interactief en goedkoop (internationaal) informatie uit te wisselen en internationale handel tot stand te brengen. Juist deze ontwikkeling heeft Vermeend ertoe verleid om voor te stellen de BTW te verlagen. Zij werkt echter consumptie-belastingerosie in de hand.

Op dit moment zijn heel wat economische activiteiten steeds vaker geconcentreerd in immateriële informatietransacties. Het toenemende belang van deze zogenaamde intangibles vormt de voornaamste reden voor een radicale aanpassing van het belastingstelsel aan het Internet. Niet langer een belasting op het in zekere zin goed meetbare en aantoonbare begrip van toegevoegde waarde, maar op het gebruik van het elektronisch medium.

Het verlagen van de BTW is geen remedie om een adequate belastinggrondslag te kunnen garanderen; het zal slechts een tussenoplossing zijn. Een BTW-systeem is ideaal wanneer materiële goederen of diensten worden geproduceerd waarvan de toegevoegde waarde van de verschillende intermediaire inputs relatief gemakkelijk in cijfers uit te drukken valt. Hierbij is de waarde van het eindproduct of dienst in feite een simpele optelsom van gemakkelijk meetbare materiële inputs of persoonlijke dienstverlening.

Het debat moet ons inziens worden toegespitst op de nieuwe wijze waarop regeringen, ook de Nederlandse, belastingen zullen moeten aanpassen aan de veranderende economische structuur van de volgende eeuw, als gevolg van het toenemende belang van elektronische informatie-overdacht voor economische productie en consumptie.

Het debat lijkt echter zowel in Nederland als in ander EU-landen vast te zitten op het zoeken naar marginale aanpassingen van het bestaande belastingsysteem, waarbij het elektronisch handelen in het keurslijf van de bestaande belastingprincipes moet worden gedwongen. Dat men in het door Vermeend en Zalm voorgestelde belastingstelsel voor de volgende eeuw volledig voorbij gaat aan de verregaande invloed van E-commerce, lijkt, gezien vanuit dit oogpunt, op zijn minst merkwaardig.

Ons inziens is er dan ook behoefte aan een daadwerkelijk vernieuwd belastingstelsel voor de 21e eeuw, dat wordt geïntegreerd in een bredere context waarin de belastingstelsels die zijn gebaseerd op de toegevoegde waarde op immateriële goederen en diensten, worden vervangen door een stelsel dat uitgaat van transmissie zoals bijvoorbeeld de huidige wegenbelastingen.

Met andere woorden, een stelsel waarbij belasting wordt geheven in verhouding tot de intensiteit van de informatie-overdracht. Vele methodes voor het meten van dit gebruik zijn hiervoor mogelijk. Elders hebben wij reeds voorgesteld bijvoorbeeld het aantal bits te beschouwen als een eenheid die een indicatie geeft van de overdrachtintensiteit op de virtuele snelweg, meer geschikt dan tijd of afstand, doch zeker niet de ideale maatstaf. Cruciaal is dat een gebruiks- of bit belasting niet rechtstreeks gerelateerd is aan de feitelijke waarde van de communicatie, die moeilijk valt te meten en/of te monitoren, maar aan de overdrachtintensiteit van informatie.

Het gaat dan bijvoorbeeld om het aantal bits dat wordt geteld, of ze nu in een constant tempo worden overgebracht zoals bij een telefoongesprek, of in stukjes en beetjes over de frequentieband zoals bij het Internet.

Uiteraard ging ons plan om het Internet te belasten indertijd gepaard met vele negatieve reacties van zowel beleidsmakers en academici als bedrijven en consumenten. Dit is nu eenmaal het lot dat vrijwel alle nieuwe belastingvoorstellen is beschoren. Clinton stelde bijvoorbeeld begin dit jaar dat zijn administratie met succes het Europese idee van een bit-belasting had kunnen tegenhouden. In zekere zin onterecht, want ook de meeste Europese beleidsmakers hebben de bit-belasting van meet af aan verworpen.

Het blijkt echter dat vanuit het bedrijfsleven een groeiende interesse bestaat om betere gebruiksmaatstaven te creëren met betrekking tot het gebruik van het Internet. Recentelijk heeft SPRINT Corporation, de nummer drie op de Amerikaanse markt voor telefoondiensten, een systeem ontwikkeld dat de maandelijkse telefoonrekening niet opstelt op basis van het aantal minuten dat een individu heeft gebeld, maar op basis van het aantal digitale bits dat in een maand is 'getransporteerd'.

Een klein kastje wordt hierbij in iedere telefoon gebouwd om het aantal bits te meten. De reden hiervoor is dat SPRINT wil bezuinigen op de openstaande lijnen die nu zonder enige gebruikerstoeslag open staan voor surfen, E-commerce, E-mail en andere waardevolle en minder waardevolle activiteiten. Een belasting op het gebruik van het Internet opent praktisch per definitie de deur voor het heffen van een marginale bit-belasting. Ook op beleidsniveau rommelt er ondanks Clinton's bewering nog het een en ander. Niet zozeer internationaal als wel binnen de grenzen van de VS.

Het persbureau Reuters meldde maandag 31 augustus jl. dat de staat Californië overweegt om de dalende belastingrevenuen te compenseren met een belasting op E-commerce. Bovendien ziet Californië nieuwe potentiële belastinginkomsten, omdat Internetbedrijven rond Silicon Valley als paddestoelen uit de grond schieten.

Tenslotte zou de samenwerking met betrekking tot dit onderwerp niet zozeer moeten plaatsvinden met de federale overheid van de Verenigde Staten (die geen belastinginkomsten heeft uit verkoopbelasting) als wel met de lokale autoriteiten van de individuele staten, die precies zoals Nederland rekenen op en niet kunnen overleven zonder de inkomsten uit consumptiebelastingen.

Daarom zou belasting betalen in de 21e eeuw er wel eens heel anders kunnen uitzien dan Vermeend en Zalm denken. Om belastingerosie tegen te gaan, past een bit-belasting - of men het wil aannemen of niet - erg goed in het plan van Paars om een Nederland te creëren met een adequaat belastingstelsel.

Luc Soete is hoogleraar Internationale Economische Betrekkingen aan de Universiteit Maastricht en directeur van het Maastricht Economic Research Institute on Innovation and Technology. Bas ter Weel is onderzoeker bij het MERIT.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden