Thomas Piketty graaft niet diep genoeg

Onbegrijpelijk dat de Franse econoom Thomas Piketty zoveel volgelingen heeft, ook in Nederland. Zijn retoriek is oppervlakkig, zijn tegenstelling tussen arbeid en kapitaal niet meer van deze tijd, vindt rechtsgeleerde Marc De Vos.

Thomas Piketty. Beeld reuters

Hartstikke goed dat het sinds Thomas Piketty zoveel gaat over ongelijkheid, maar dat debat is wel mateloos oppervlakkig en materialistisch. De Belgische rechtsgeleerde Marc De Vos klaagt in zijn boek Ongelijk maar fair de 'persorgie' over economische ongelijkheid aan. Als we het serieus over ongelijkheid willen hebben, moet het volgens hem niet alleen over geld gaan.

'Piketty leest de temperatuur van de thermometer, maar begrijpt niet waar de koorts vandaan komt', zegt De Vos. Dat de inkomens- en vermogensongelijkheid de afgelopen decennia is gestegen - zoals Piketty stelt - betwist hij niet. Maar Piketty en zijn medestanders raken volgens hem niet voorbij de oppervlakte van het probleem. Ze staren zich blind op economische ongelijkheid, maar dat is volgens De Vos slechts een symptoom. Daaronder liggen diepere en dikwijls moeilijker te bestrijden ongelijkheden: tussen gezinnen, opvoedingen, opleidingen, culturen, talenten, merites, et cetera.

'Voor mij bestaan er meerdere Piketty's', zegt De Vos. 'Je hebt Piketty de economisch historicus, de kampioen van de vermogensstatistiek - wat dat betreft, heb ik groot respect voor hem.' Maar De Vos heeft moeite met de Piketty die vanuit zijn rol als statisticus plots 'profeet begint te spelen' over de toekomst van het kapitalisme. Daarbij gooit hij allerlei vormen van kapitaal op een hoopje. Sowieso is de tweedeling tussen arbeid en kapitaal niet meer van deze tijd, vindt De Vos. De superrijken, zoals Mark Zuckerberg, zijn veelal geen superkapitalisten, maar superarbeiders, zegt hij: ze hebben hun succes niet geërfd, maar zelf vanaf de grond opgebouwd. In 2011 bestond bijvoorbeeld 70 procent van de Forbes 400, de lijst van allerrijkste Amerikanen, uit eerste generatie ondernemers die zelf aan het roer stonden van hun bedrijf.

Krapuulkapitalisten

Natuurlijk, niet alle rijkdom is het resultaat van verdienste, in de morele zin van het woord. In zijn boek hekelt De Vos de financiële sector, patenten uitmelkende monopolisten en 'krapuulkapitalisten die de eigen portemonnee vullen door die van anderen te plunderen'. Maar de retoriek over de '99 versus de 1 procent' wekt ten onrechte de indruk dat zij de norm zijn. 'Maken die rotte appels echt al het andere fruit te schande? We leven niet in een vampiereconomie waar een toplaag grossiert door iedereen daaronder uit te zuigen.' Er is goede en slechte ongelijkheid, zegt De Vos: ongelijkheid is goed wanneer ze de verschillen in menselijke talenten en keuzes reflecteert, en slecht wanneer ze het gevolg is van een gebrek aan gelijke kansen.

De Vos heeft ook bezwaar tegen Piketty de politicus, de pleitbezorger van hogere belastingen voor de rijken. De belastingen verhogen noemt De Vos een 'pavlovreactie', die slechts de oppervlakte van de ongelijkheid zal raken zonder iets aan de oorzaken te doen. Willen we slechte ongelijkheid echt aanpakken dan moeten we ons drukker maken over de vraag of we iedereen wel genoeg gelijke kansen bieden, vindt hij. En dat betekent ingrijpen in de prilste levensjaren van kinderen uit achterstandsgezinnen, bijvoorbeeld in de vorm van voorschools onderwijs, om te voorkomen dat taal- en leerachterstanden zich van generatie op generatie voortzetten. Het betekent ook meer op de maat van het kind gesneden onderwijs, in plaats van het one size fits all-onderwijs dat in Europa voor één op de zeven jongeren tot schooluitval leidt.

'Als we niet genoeg doen om iedereen dezelfde kansen te bieden en te laten grijpen, dreigt economisch succes of falen quasi-erfelijk te worden. Dat is meritocratie met de kille gloed van predestinatie. Die weg zijn we ingeslagen.'

Marc De Vos. Beeld Judith Baas

Tien verklaringen voor economische ongelijkheid

1. Gezinnen

Het gezin is de hoeksteen van de ongelijkheid, schrijft De Vos in Ongelijk maar fair. Cijfers over inkomensongelijkheid worden gemeten op gezinsbasis. Ze vertekenen door de verschillen tussen één- en tweeoudergezinnen, tussen één- en tweeverdieners, tussen jongeren en ouderen, et cetera. 'In Europa heeft een alleenstaande ouder bijna twee keer zoveel kans op het onderste deel van de inkomensladder te staan dan gezinnen met twee ouders. In de Verenigde Staten bestaat de bovenste 20 procent van de inkomensschaal voor 80 procent uit gezinnen met twee of meer inkomens. In de onderste 20 procent van de Amerikaanse inkomensverdeling heeft slechts 13 procent van de gezinnen meer dan één broodwinner, terwijl in 40 procent geen enkel gezinslid werkt.'

Laagopgeleiden scheiden vaker dan hoogopgeleiden. Dat de toename van gebroken gezinnen de inkomensongelijkheid vergroot, is een ongemakkelijke waarheid voor beleidsmakers: 'Dit is veel moeilijker ideologisch te veroordelen en nog veel moeilijker met overheidsbeleid te veranderen.'

2. Liefde

'De vrouwenemancipatie heeft de ongelijkheid tussen gezinnen vergroot door de ongelijkheid binnen gezinnen te verkleinen. Vroeger bleven de meest ambitieuze vrouwen vrijgezel, nu trouwen ze met een al even ambitieuze man. Succesvolle mannen trouwden vroeger met hun secretaresse, nu trouwen ze met een medestudente van de universiteit, die nadien ook een topprofessional wordt. Artsen huwden vroeger met de verpleegster, nu met andere artsen.' Het feminisme heeft, kortom, het egalitarisme verslagen.

'Het resultaat is: hoogopgeleid trouwt met hoogopgeleid, laagopgeleid met laagopgeleid. Relaties zijn nog nooit zo vrij geweest en de mensen kiezen in alle vrijheid om ze zeer ongelijk te maken.'

Hoogopgeleide gezinnen bestaan vaker uit tweeverdieners dan laagopgeleide gezinnen, wat de economische ongelijkheid verdiept. 'De gelijkheidsstrijders moeten dus beseffen dat ze een oorlog strijden die ze moeilijk kunnen winnen: ik ga er niet van uit dat we manu militari gezinnen en huwelijken willen arrangeren.'

3. Opvoeding

'Hoogopgeleide, hardwerkende, drukbezette ouders besteden gemiddeld meer tijd en energie aan de opvoeding van hun kinderen dan lager opgeleide, werkloze of professioneel minder actieve ouders.' Een waslijst aan Amerikaans en Europees onderzoek toont dit aan. 'Op de leeftijd van 12 jaar hebben kinderen die opgroeien in gezinnen uit de middenklasse 6.000 uren meer leertijd en leerkansen gehad dan kinderen die opgroeien in arme gezinnen. Kinderen in rijkere gezinnen kijken minder tv en worden dag na dag meer voorgelezen dan kinderen in armere gezinnen. Tussen hun eerste en tweede levensjaar horen de kinderen van ouders met een goede baan gemiddeld 11 miljoen woorden, die van ouders met een gewone baan 6 miljoen en die van ouders zonder baan gemiddeld 3 miljoen.'

Natuurlijk, het betreft statistische verbanden, geen onwrikbare oorzaken. Er zijn genoeg alleenstaande ouders die hun kinderen fantastisch opvoeden en klassieke gezinnen die falen. Maar we moeten erkennen dat ongelijkheid van opvoeding bijdraagt aan economische ongelijkheid.

4. Genen

'Dat intelligente ouders meer kans maken op intelligente kinderen, is onmiskenbaar', schrijft De Vos. Natuurlijk, economisch succes hangt van veel meer af dan genen alleen. Maar voeg daarbij gezinsongelijkheid en de ongelijke gevolgen van computer- en robotisering op de arbeidsmarkt, die abstract denktalent steeds belangrijker maakt, en we zien 'economisch succes als een quasi-erfelijke eigenschap opdoemen'. Deze meritocratie heeft een kil gezicht, schrijft De Vos: we kunnen hersenen nu eenmaal niet herverdelen zoals we dat met inkomens doen via belastingen. Willen we voorkomen dat 'genen lonen zijn' en vice versa, dan moeten we vroeg durven ingrijpen voor kinderen van ouders onderaan de inkomenspiramide, bijvoorbeeld door meer belastinggeld te steken in voorschools onderwijs voor kinderen uit achterstandsgezinnen.

5. Immigratie

We klagen over ongelijkheid, maar voeren haar op grote schaal in, schrijft De Vos: via immigratie. Immigratie legt via kennismigranten en goedbetaalde expats 'een extra laagje vernis op de al glinsterende top van onze economische piramide', maar verbreedt vooral de onderkant van de piramide. 'Zowel in Europa als in Amerika is de onderste inkomensgroep disproportioneel een immigratiegroep die is samengesteld uit immigranten met beperkte scholing. In Europa is nagenoeg 40 procent van de niet-Europese immigranten van de eerste generatie officieel 'arm'.' 'Europa, nochtans gezegend met een van de meest genereuze welvaartsstaten, open onderwijssystemen en uitgebouwde arsenalen voor arbeidsparticipatie, veroordeelt zijn niet-Europese immigranten en hun nakomelingen nog al te vaak tot het moderne equivalent van de bedelstaf: permanente uitkeringen.'

'Er is geen quick fix voor dit probleem. We kunnen geloven in de utopie van de gesloten grenzen en denken dat we zo immigranten kunnen buitensluiten, maar de realiteit is dat de Europese grenzen poreus zijn. Dat zien we aan de vluchtelingencrisis, dat zien we aan gezinshereniging. We gaan geen Australië worden. Dus moeten we ons afvragen hoe we mensen zo vroeg mogelijk bij de les kunnen krijgen en hun de skills kunnen geven om actief te worden in ons land.'

We moeten meer geld steken in de begeleiding van mensen, om te voorkomen dat ze in een uitkering terechtkomen. Dat vergt niet alleen belastinggeld en mankracht, maar ook dat de politiek de normen en waarden achter economisch succes en participatie meer cultiveert. 'De strijd tegen ongelijkheid is ook deels een cultuurstrijd voor de traditionele waarden waarop gezinssucces, persoonlijke verdienste en het hele kapitalisme onzichtbaar maar onwrikbaar steunen.'

Thomas Piketty. Beeld Ed Alcock/Hollandse Hoogte

6. Cultuur

'Immigratienatie Europa' is een experiment zonder weerga voor een continent dat 'zolang zo rassenbewust is geweest', schrijft De Vos. Het vergroot onvermijdelijk de ongelijkheid. 'We zijn in Europa economisch Amerikaans aan het worden omdat we demografisch Amerikaans aan het worden zijn.'

Discussies over de gevolgen van culturele ongelijkheid gaan nog altijd gebukt onder politieke correctheid. 'De olifant in de Europese culturele diversiteitskamer is de islam', schrijft De Vos. 'Niemand suggereert dat economische ongelijkheid 'de schuld' is van inferieure cultuur - van waar die ook komt - noch dat cultuur daarin allesbepalend zou zijn, noch dat cultuur voorbestemt.' Maar dat wil niet zeggen dat cultuur geen rol speelt.

De Vos refereert graag aan Amerika, waar veel meer onderzoek wordt gedaan naar bijvoorbeeld de vraag waarom Aziatische immigranten als groep zo succesvol zijn, terwijl Latino's en Afro-Amerikanen het gemiddeld beduidend minder doen. Dezelfde vraag kan gesteld worden over waarom immigrantenkinderen met islamistische ouders minder goed presteren in het westerse onderwijs dan immigrantenkinderen van ouders met een andere religieuze achtergrond.

7. Onderwijs

'Er zit een paradox in de democratisering van het onderwijs', schrijft De Vos: 'Gelijk onderwijs voor iedereen leidt tot meer ongelijkheid'. Elk kind dezelfde onderwijskansen geven was heel succesvol in de naoorlogse decennia, toen kinderen grofweg dezelfde uitgangspositie hadden. Dat is nu niet meer zo. Gestandaardiseerd onderwijs benadeelt kinderen met een achterstand. De Vos wil meer persoonlijke aandacht voor immigrantenkinderen, bijvoorbeeld via voorschoolse educatie.

Het dogma dat er steeds meer hoogopgeleiden moeten zijn, heeft perverse effecten. 'De manier waarop we merite gewoontjes maken, de bijna georganiseerde afbouw van alles wat naar selectiviteit ruikt', noopt gegoede ouders het academisch succes van hun kroost deels buiten het onderwijs te organiseren, via professionele studiebegeleiding en buitenschoolse activiteiten. Het resultaat: 'een toplaag waarvan de prestaties nagenoeg onbereikbaar zijn voor buitenstaanders.'

8. Schulden

We zijn 'schuldverslaafd', een symptoom van 'een samenleving die algemeen verkiest boven haar stand te leven in plaats van de gevolgen van minder groei met meer ongelijkheid te ondergaan'. 'In plaats van schuld te gebruiken als tijdelijke adrenaline in periodes van economische tegenslag, is schuld op grote schaal georganiseerd als permanente doping voor artificiële economische prestaties.'

Door vertragende economische vernieuwing en ongelijke vooruitgang te maskeren met schulden, hebben we zelf de financiële sector gevoed, schrijft De Vos. 'Het is zoveel gemakkelijker de bankiers collectief als gangsters te veroordelen. Ze waren zeker uitvoerders en mededaders, ze waren zeker losgelaten door afwezige overheden en toezichthouders, maar de bubbelpsychologie kwam niet uit de ether maar van tussen onze oren.'

De Vos is voor sterker toezicht om ontsporingen op de financiële markten tegen te gaan. Maar hij koestert weinig illusies over het menselijk vermogen om het beursklimaat te controleren. 'Wie gaat op de noodrem staan als iedereen zalig op het beursfeest danst? Gaan we een wereldwijde bubbelbrigade oprichten die mondiaal kan ingrijpen voor het te laat is?'

Beeld Gees Voorhees

9. Tijd

Economie gaat over schaarse goederen, maar het meest schaarse goed speelt geen rol in het ongelijkheidsdebat: tijd. Dat terwijl de grootste verdieners over het algemeen ook het meest werken.

Tal van economen hadden voorspeld dat meer rijkdom meer vrije tijd zou betekenen, met de allerrijksten als pure ontspanningsklasse. Hoewel er natuurlijk uitzonderingen zijn - mensen die twee of meer banen hebben om het hoofd boven water te houden bijvoorbeeld - is over het algemeen het omgekeerde gebeurd. De arbeidsduur van westerse werknemers daalt zes keer sneller bij de laagste inkomens dan bij de hoogste. Bijna de helft van de Europese ondernemers werkt regelmatig meer dan 48 uur per week, tegenover één op tien werknemers. Universitair geschoolden werken in het bedrijfsleven elke week gemiddeld ruim een volle werkdag langer dan modale werknemers.

'Misschien is je reactie wel: ze mogen hun geld houden', schrijft De Vos. Vrije tijd is voor velen meer waard dan geld. Maar wie, zoals de PvdA onlangs, voor kortere werkweken pleit, moet beseffen dat deze maatregelen de ongelijkheid vergroten. Kenniswerkers en ondernemers zullen blijven werken als voorheen. Klagen over ongelijkheid geeft dan geen pas.

10. Generaties

'De generatiekloof is misschien wel de ergste ongelijkheid van onze tijd, maar ze krijgt amper aandacht.' Dat ouderen doorgaans meer vermogen hebben dan jongeren is logisch; ze hebben meer tijd gehad het te vergaren. Babyboomers zijn een geval apart. 'De afgelopen unieke decennia van vredesdividenden, globalisering, vastgoedbubbels, beursfeesten en schuldverslaving hebben de generatie die daarvan heeft kunnen profiteren, werkelijk gouden bergen opgeleverd.'

De Vos gunt iedereen zijn verdiende rijkdom, maar de rijkdom van de babyboomers is meer dan pure verdienste. 'Deze generatie heeft in het Westen niet alleen fenomenaal veel geluk gehad: een substantieel deel van haar rijkdom is er ook gekomen ten koste van haar kinderen. Van schuldverslaving, via bankencrisis, tot onbetaalde pensioen- en zorgbeloftes: het permanente feest van de babyboomers eindigt in een collectieve kater die de volgende generatie mag verteren. Dezelfde jongere generatie die de crisis met werkloosheid, snertbanen of loonsverlagingen moet bekopen, torst de schulderfenis en financiert de uitkeringen van de oudere generaties.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.