Terug bij af: de geldpers draait weer

Sander Boon vindt het ironisch dat vrijwel alle politici in schuldcreatie door overheden de oplossing zien van de crisis. Het is de aanjager....

Volgens financieel expert Jac. Kragt zijn recessies te prefereren boven de schraalheid en onderdrukking van het socialisme, het extreme zusje van de sociaal-democratie. Helaas gaat hij in zijn analyse (Forum, 25 november) niet ver genoeg. Niet het kapitalisme heeft gefaald, maar de sociaal-democratie. Aan de basis van ons kapitalistische systeem staat namelijk een coalitie die de verworvenheden van de sociaal-democratie mogelijk heeft gemaakt. Die coalitie staat echter ook aan de basis van de kredietcrisis.

De coalitie waar ik op doel is de samenwerking tussen centrale bank en overheid, een verband dat in het verleden door sociaal-democraten met graagte is omarmd.

Eind 19de eeuw ontstond bij politici in het Westen de behoefte de samenleving een bepaalde richting te geven. Overheden moesten daarvoor invloed kunnen uitoefenen op het bestedingspatroon en de inkomensverhoudingen van burgers. De overheid moest daarom controle krijgen over de geldhoeveelheid. Ze deed dit via belastingheffing en verruiming van de geldhoeveelheid. Dat laatste was echter alleen mogelijk door goud en geld van elkaar los te koppelen – dit kon dankzij het instituut centrale bank. In de 20ste eeuw zijn juist de sociaal-democraten dit in steeds ruimere mate gaan doen.

De verruiming van de geldhoeveelheid begon in 1914. Overheden lieten de goudstandaard los om geld bij te drukken waarmee de Grote Oorlog kon worden betaald. Daarna werd besloten niet terug te keren naar de discipline van een goudstandaard, maar naar een standaard waarbij goud, het Britse pond en de Amerikaanse dollar aan de basis stonden van het geldsysteem. Hierdoor werd een enorme kredietcreatie mogelijk, die in 1929 eindigde in een depressie. Om hier uit te komen, namen overheden verschillende maatregelen, maar vaak werd besloten dat de centrale banken geld moesten bijdrukken. Dit resulteerde in een diepere crisis en een nieuwe oorlog.

In 1944 werd een goudwisselstandaard ingevoerd met alleen de dollar als anker. Buitenlandse centrale banken koppelden hun munten aan de dollar en konden hun dollars altijd omwisselen voor Amerikaans goud.

Aanvankelijk waren het centrale banken en overheden die de kredietschepping centraliseerden en ervan profiteerden. Maar al gauw ontstond er door oliewinning en globalisering een mondiale, door centrale banken en overheden gedoogde kapitaalstroom. Hiermee werd gespeculeerd op een loskoppeling van goud en de dollar. De Amerikaanse overheid drukte immers voor het optuigen van een verzorgingsstaat en het voeren van oorlogen veel meer dollars dan er aan goud in de kluis lag. In 1971 gaf Washington de strijd op; goud en dollar werden ontkoppeld.

De discipline verdween, politici bekeerden zich wereldwijd en van links tot rechts tot het basisprincipe van de sociaal-democratie: meer geld uitgeven dan je hebt.

Sinds 1971 leven we met een geldsysteem dat is gebaseerd op zwevende wisselkoersen. Of beter gezegd: zinkende wisselkoersen. Door permanente begrotingstekorten en geldcreatie is de waarde van het geld gestaag afgenomen. Internationaal opererende banken en bedrijven zijn zich tegen koerswisselingen en waardeverlies gaan indekken. Tegelijk werden financiële markten door overheden meer als bondgenoot gezien, omdat die daar geld konden lenen om hun welvaartsstaten en oorlogen te kunnen financieren. Staatsobligaties deden dienst als onderpand bij verdere financiering. Zo ontstond een enorm reservoir van kapitaal waar overheden, bedrijven en consumenten naar hartelust van konden lenen.

Zowel overheden als de economie groeiden in de jaren tachtig en negentig gestaag en simultaan. Maar de economie groeide altijd net iets harder, waardoor het leek alsof de overheid zich terugtrok. Sociaal-democraten en socialisten noemen dit neoliberaal, terwijl in deze periode wereldwijd juist de sociaal-democratie hoogtij vierde en de overheden overal groeiden.

Het is dus het sociaal-democratische experiment dat heeft gefaald.

We hebben een mooi feest gehad waarbij iedereen dacht dat ie rijk was. Het geleende geld van de kapitaalmarkten is gaan zitten in prijsstijgingen van vastgoed, aandelen en staatsobligaties. Nu dalen de prijzen weer, maar de schulden waarmee de aankopen zijn gedaan blijven staan. Sociaal-democraten denken nu, net als in de jaren dertig van de vorige eeuw, dat de overheid de economie kan stimuleren door geld te lenen en uit te geven als de consument afhaakt.

Het is ironisch dat schuldcreatie door overheden, de aanjager van de crisis, door vrijwel alle politici wordt gezien als oplossing.

Voorlopig is er nog voldoende kapitaal om aan de geldbehoefte van de overheden te kunnen voldoen. Problemen zullen ontstaan als de kapitaalmarkt niet meer bereid is tegen lage vergoeding geld aan overheden uit te lenen, of als het kapitaal op is. Dan zullen overheden zich wenden tot de centrale bank om geld uit het niets te creëren. Dan is de cirkel rond.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.