Suikerfabriek fluistert in de nacht

Indonesië heeft zijn suikerindustrie 50 jaar verwaarloosd...

Van onze correspondent Michel Maas

SITUBONDO Olean fluistert in de nacht. De oude muren van de suikerfabriek dempen het gesis en gestamp van tientallen stoommachines tot een bijna rustgevend gezoem. Binnen malen de machines onvermoeibaar stengels suikerriet, centrifugeren het sap en doen wat er verder nodig is om uit de rietstengels mooie witte suikerkristallen te halen.

Een stoomfluit heeft net de nachtploeg aan het werk gezet. De mannen van die ploeg doen hun werk nog precies zo als hun vaders, grootvaders en overgrootvaders dat deden, en bijna met precies dezelfde machines.

Olean heeft het stoomtijdperk waarin het in 1849 door de Rotterdamse firma Hoboken werd gebouwd nooit verlaten. In de weeë lucht van melasse lopen anno 2007 nog altijd mannen met het oliekannetje en de vetkwast langs de pompende stangen van stoommachines van Stork, Werkspoor en Fijenoord. Bezwete stokers bewaken in de hete kelder van de fabriek de vuren in de acht ketels die al die machines van stoom voorzien.

De suikerfabriek Olean ligt op de punt van Oost-Java. De provincie is daar bespikkeld met zestien suikerfabrieken, die bijna allemaal nog zijn gebouwd door Nederlandse ‘suikerjonkers’. Honderd jaar geleden verdienden die fabrikanten fortuinen met de witte kristallen die uit de hoogwaardige Javaanse rietsuiker werden geperst. Oost-Java was in die dagen de tweede producent van suiker wereldwijd, na Cuba, en de fabriek van Jatiroto was in haar tijd de grootste van de wereld.

De jonkers zijn allang vertrokken, maar hun fabrieken zijn altijd blijven persen. Daarmee is echter ongeveer alles gezegd. Sinds in 1957-’58 de Nederlandse bedrijven in Indonesië zijn genationaliseerd, is er in de suikerfabrieken nauwelijks meer geïnvesteerd. Het werden staatsbedrijven, die werden gerund door de bureaucraten van de PTPN XI, een onderafdeling van het ministerie van Landbouw.

De PTPN XI heeft geen cent gestoken in modernisering van de suikerindustrie. Wel in hun eigen kantoor. Aan het monumentale hoofdkantoor van de dienst, het voormalige gebouw van de Handels Vereeniging Amsterdam in Surabaya, is een uitbreiding vastgebouwd. Dat is een kopie van het originele gebouw uit 1925, maar de Indonesische nieuwbouw begint al zichtbaar te verzakken.

Dit lijkt symbolisch voor wat er met de suikerindustrie gebeurt, en in andere staatssectoren in Indonesië. Directeur Soenjoto van de PTPN XI windt er geen doekjes om: ‘Vijftig jaar lang is er niet geïnvesteerd. Kapotte machines werden vervangen, meer niet. En er wordt niet meer genoeg riet verbouwd. Onder de Nederlanders waren de boeren verplicht eenderde van hun land voor de suikerplantage te bebouwen. Die verplichting bestaat niet meer.’ In zijn stem klinkt spijt. ‘Daarom moet Indonesië nu suiker importeren. Per jaar hebben wij 3,3 miljoen ton suiker nodig, maar wij produceren maar 2,2 miljoen ton.’

De import van suiker is een pijnlijk punt voor de Indonesische regering, die ook al olie moet importeren terwijl in de eigen bodem nog grote voorraden olie en gas zitten. Die import bewijst hoe slordig Indonesië zijn eigen grondstoffen beheert.

De directie van PTPN XI werkt aan een reddingsplan voor de suikerindustrie. Sommige fabrieken zullen worden gesloten, andere samengevoegd en uitgebreid om de productiviteit te verhogen, en in heel Indonesië moeten op termijn acht nieuwe, grote fabrieken komen. Wanneer dat gebeurt is echter nog niet duidelijk.

‘Het blijft lapwerk’, zucht René van Slooten. ‘Zo wordt het hier nooit wat.’ Van Slooten is uitgezonden door de PUM, de Nederlandse organisatie die gepensioneerde managers als deskundige adviseurs de wereld rondstuurt. Van Slooten heeft ervaring in de suikerindustrie in Ethiopië en Tanzania, en bezoekt nu hier een paar Indonesische fabrieken om te kijken hoe het rendement kan worden verhoogd. Veel hoop heeft hij niet. ‘De fabrieken zijn verouderd. Daar kun je niet echt veel aan verbeteren.’

Het doel van zijn bezoek aan Olean is iets anders. De verwaarlozing van de Indonesische suikerindustrie is een zegen voor deze kleine parel uit het stoomtijdperk. Van Slooten: ‘Olean is door de Engelse website International Steam uitgeroepen tot de mooiste stoomfabriek ter wereld. Het is waarschijnlijk de laatste nog voor honderd procent op stoom werkende suikerfabriek ter wereld.’

Lopend langs de pompende, sissende en stampende machines wordt in hem een echte stoomenthousiast wakker. Hij leest de Nederlandse fabrieksnamen op de machines en de jaartallen: 1926, 1929. De oudste van de acht stoomketels dateert zelfs van 1891.

De fabriek moet op de monumentenlijst, vindt Van Slooten. ‘Deze fabriek moet voor het nageslacht worden bewaard.’ De kans dat dat lukt is klein. Waarschijnlijker is dat Olean hetzelfde lot zal ondergaan als fabriek De Maas, die enkele jaren geleden is gesloten, en ontmanteld. Sommige van de monumentale machines zijn overgebracht naar andere fabrieken, andere zijn verkocht als oudroest.

Directeur Soenjoto is er niet de man naar om het gevecht voor een stoommuseum aan te gaan. Hij is ambtenaar, hij voert uit wat de minister hem opdraagt. En die wil de suikerproductie verhogen, zodat Indonesië niet langer hoeft te importeren. ‘Het plan is om Olean over vijf jaar te sluiten – zodra de fabriek in Asembagoes is uitgebreid en het personeel daarheen kan. U moet begrijpen dat dit ook een sociaal project is.’

Soenjoto raakt hier aan een ander probleem van de overheidsbedrijven. Wie werkt bij een overheidsbedrijf heeft in Indonesië een baan voor het leven. Ambtenaren en bestuurders hebben vijftig jaar lang baantjes uitgedeeld aan vrienden en familieleden.

Daarom zijn er nu meer dan driehonderd man in vaste dienst bij de kleine fabriek Olean, plus honderden seizoenswerkers, rietsnijders en chauffeurs. Overal liggen mannen te slapen, anderen roken buiten een sigaretje. De fabriek lijdt zo’n 450 duizend euro verlies per jaar, zegt Soenjoto, ‘maar dat weegt niet op tegen de duizenden gezinnen van werkers en boeren die van de fabriek afhankelijk zijn.’

Daarom krijgt Olean nog een paar jaar respijt. Van Slooten wil die tijd gebruiken om te lobbyen voor een monument. Hij heeft brieven geschreven aan de Nederlandse ambassadeur in Jakarta en aan de burgemeester van Rotterdam: er moet geld komen. In Situbondo houdt niemand zich met dit soort ideeën bezig. ‘Toeristen? Er zijn er hier vorig jaar een paar geweest. Vier, geloof ik’, zegt een van de mannen. Schouderophalend keert hij zich weer om naar zijn stoommachine.

Als om zes uur ’s ochtends de stoomfluit de ochtendploeg roept, worden de vier locomotieven onder stoom gebracht die straks het suikerriet van de velden halen. De remise vult zich met een dikke, verstikkende rook. Even later stampen drie locomotieven over de wrakke rails de rietvelden in.

Locomotief Nummer 4 blijft achter. Machinist Suharso zit onder de grote machine. ‘De injectiepomp is kapot’, zegt hij, terwijl hij een hand liefkozend op de locomotief legt. ‘Deze is uit 1911. Ik rijd al 28 jaar op deze locomotieven. Zij zijn allemaal een beetje van mij.’

Terwijl hij mijmert over zijn machine, worden elders tonnen rietstengels opgeladen en afgeladen, door mannen voor wie Olean uiteindelijk maar één ding betekent: gewoon werk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden