Steeds verder verwijderd van de werkvloer

Als de Volkskrant in 1983 voor de eerste keer de salarissen van directeuren in kaart wil brengen, is bestuursvoorzitter Wisse Dekker van elektronicagigant Philips een van de weinige toppers die een tipje van de sluier willen oplichten....

Met zijn bruto-inkomen verdiende Dekker 25 jaar geleden 26 keer het salaris van de doorsnee werknemer. Jan Modaal haalde in 1983 jaarlijks 17.244 euro binnen.

De afstand tussen de top en de werkvloer is sindsdien gestaag gegroeid. Waar Dekker in 1983 nog genoegen nam met 1 miljoen gulden (450 duizend euro) kreeg zijn opvolger Gerard Kleisterlee in 2007 een bedrag van 2,3 miljoen euro overgemaakt. De huidige Philipsdirecteur verdient daarmee ruim vijf keer meer dan zijn voorganger. Jan Modaal zag in die periode zijn inkomen veel minder hard oplopen: tot 30 duizend euro in 2007. Kleisterlee, die bovendien leiding geeft aan een afgeslankt bedrijf, strijkt zo 77 keer het salaris op van Jan Modaal.

In het egalitair ingestelde Nederland is al vaak de vraag gesteld hoeveel meer salaris een bestuurder mag verdienen dan een werknemer. Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen heeft ooit gesteld dat de hoogste baas in een bedrijf niet meer mag verdienen dan vijf keer het laagste salaris. Die verhouding is allang uit beeld geraakt. Uit de periode van het kabinet-Den Uyl (1973-1977) dateert nog het idee dat de ondernemer maximaal tien keer een modaal inkomen mag opstrijken, een opvatting die publicist Dick Pels met zijn boek De economie van de eer in 2007 nieuw leven inblies. Maar de verhouding 1 op 10 is al lang niet realistisch meer. Uit het Volkskrant-onderzoek blijkt dat de directeuren uit de top-100 in 2007 gemiddeld 44 keer meer verdienden dan modaal, waar dat in 1985 nog maar 16 keer meer was. Voor individuele bedrijven liggen de salarisverschillen nog veel hoger. De inmiddels vertrokken directeur Don Shepard van Aegon verdiende in 2006 als grootverdiener 212 keer meer dan modaal. Jeroen van der Veer van Shell streek in 2007 zelfs 314 keer meer op dan modaal.

De Raad van Economische Adviseurs (REA) heeft in 2007 in een rapport voor de Tweede Kamer impliciet een nieuw ijkpunt gelanceerd. Als de hoogste baas 100 keer het inkomen van zijn werknemers verdient, zijn echt alle verhoudingen zoek. ‘Als een werknemer in het bedrijf gemiddeld 50 duizend euro verdient, en de hoogste baas strijkt 5 miljoen euro op, dan heb je een lastig verhaal’, zegt decaan Kees Koedijk van de Economische faculteit in Tilburg en voorzitter van de inmiddels opgeheven REA. Vooral in de olie-industrie (Shell) en de financiële sector (ING, ABN Amro, Fortis, Aegon) zijn de salarissen richting Amerikaans niveau gestegen, zegt hij. ‘Dat is niet meer uit te leggen.’

Het steekt dat topbestuurders hun hoge inkomens ook steeds meer als een persoonlijke verdienste ervaren, zegt FNV-voorzitter Agnes Jongerius. ‘Vroeger was het bedrijf nog een werkgemeenschap, waarin iedereen, van baas tot laagste bediende, een bijdrage leverde. Tegenwoordig is door het virus van de variabele beloningen het idee ontstaan dat de topman in zijn eentje de winst van een bedrijf weet te verbeteren. In de neoliberale wereld lijkt het net of ABN Amro, Philips en KPN de individuele prestaties zijn van Rijkman Groenink, Gerard Kleisterlee of Ad Scheepbouwer. Die opvatting raakt werknemers enorm.’

Aandeelhouders, commissarissen, topbestuurders en beloningsbureaus hebben echter geen boodschap aan de groeiende afstand tussen de werkvloer en de top. Alle gesprekspartners die in het vandaag verschenen boek Het grote graaien aan het woord komen, willen of kunnen geen norm formuleren voor de gewenste afstand tussen topbestuurders en werknemers. Ook over de voorgestelde 1 op 100 norm van de REA willen zij zich niet uitspreken.

In het verleden hadden bedrijven meer oog voor de afstand tot de werkvloer. Het Amerikaanse bankbedrijf JP Morgan hanteerde lange tijd het ijkpunt dat de directeur maximaal 20 keer het salaris mocht verdienen van de laagste beambte. In de periode dat bedrijven vooral naar salarissen in eigen land keken, hadden Nederlandse bestuurders ook meer oog voor de verhoudingen in het bedrijf.

Aandeelhouders, commissarissen en directeuren spiegelen zich tegenwoordig meer aan de inkomens van bestuurders van bedrijven in andere landen. Niet het inkomen van de werknemer maar het inkomen van de collega’s is maatgevend.

Het vaststellen van inkomen is daarmee een relatief spel geworden. Bestuurders kijken vooral hoeveel keer meer of minder de collega-bestuurder verdient. Tot midden jaren tachtig waren de salarissen van collega-bestuurders niet bekend, zodat de onderlinge vergelijking ook lastig was.

Maar vanaf de jaren negentig keken Nederlandse bestuurders met behulp van salarisadviesbureaus steeds indringender naar de beloningen die concurrerende bedrijven in het buitenland neertelden.

Door deze vergelijkingen springen topbestuurders als haasjes over elkaar heen bij de jacht op een hoger salaris. Als de een minder krijgt dan de rest, zal hij het jaar daarna een hoger inkomen bedingen.

De laatste jaren turen bestuurders vooral naar de salarissen bij opkoopfondsen en hedgefondsen. Aangezien die aanmerkelijk meer betalen, gaan ook de inkomens aan de top bij traditionele bedrijven verder omhoog.

Ook de ethiek van belonen is daarmee een relatieve kwestie geworden. Zo benadrukt Van der Veer dat Shell wel degelijk oog heeft voor de maatschappelijke kritiek op beloningen. ‘We proberen het netjes en bescheiden te doen. Een bedrag zoals topman Lee Raymond bij ExxonMobil bij zijn vertrek meekrijgt (183 miljoen dollar, red.) is hier ondenkbaar.’

De topbestuurders hebben bovendien enkele praktische bezwaren tegen een salarisvergelijking met de werkvloer. Ondernemingen als Shell, ING, Aegon en Akzo Nobel zijn nauwelijks nog Nederlands te noemen. De bedrijven halen hun omzet en hun personeel grotendeels uit andere landen, waardoor een vergelijking met de Nederlandse beloningsmoraal niet passend zou zijn.

Daar komt bij dat bestuurders vinden dat hun salaris fundamenteel verschilt van het werknemersinkomen. Tot irritatie van vakbondsbestuurder Jongerius vinden de directeuren dat hun inkomen niet vergeleken mag worden met het loon van het personeel.

De internationalisering van het bedrijfsleven is voor de bestuurders de belangrijkste reden om iedere vorm van koppeling van de salarissen met de werkvloer los te laten.

De baas verwijst naar de hogere salarissen in de VS of Europa om zijn loonstijging te verkopen, maar vertelt intussen dat zijn personeel op de nullijn moet blijven om de concurrentieslag met de goedkope lonen uit China en India te kunnen winnen. Zo ontstaat in een bedrijf een dubbele beloningsmoraal, meent Jongerius.

De bestuurders kennen het bezwaar van de werknemers. Het salarisverschil tussen de top en de werknemer is ‘misschien wel erg zuur’, zegt Scheepbouwer. ‘Maar los van alle ethiek: zo werkt de globalisering wel. In China schroeven ze een stekkerdoos in elkaar voor een fractie van de kosten die hier worden betaald. Softwareontwikkeling gaat naar China en India.’

Bestuurders en werknemers zijn kortom actief op twee arbeidsmarkten, zegt Scheepbouwer. ‘Het salaris voor de topbestuurder gaat daardoor omhoog. Onder druk van de publieke opinie is de stijging wat minder. Maar het proces is onvermijdelijk, want de invloed van globalisering op salarisverschillen wordt alleen maar erger.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden