Showroom in de koeienstal

De diversiteit op het platteland dreigt te verdwijnen. Kleinere boeren houden ermee op, hun opstallen en schuren verkrotten. Kookstudiootje? Jamfabriekje?...

‘Wij zijn niet geschikt om in zo’n groot glazen gebouw op een bedrijventerrein te zitten. We willen niet zijn als iedereen’, verklaart Annelies Jansen (53) zelfbewust. De vraag was waarom zij en haar man Theo hun autohandel hebben ondergebracht in een voormalige melkveehouderij. Onder de hanebalken in de verbouwde koeienstal staan tientallen glimmende Porsches uitgestald. Een autoshowroom die vanaf de weg onzichtbaar is, kost dat geen klandizie? ‘Nee, de klanten komen vanuit het hele land speciaal naar ons toe. Ze vinden het juist leuk, die boerderij.’

Porsche-specialist Theo Jansen in De Wijk, in de Zuid-Drentse gemeente De Wolden, kan als paradepaardje dienen voor beleidsmakers die ijveren voor de levendigheid van het platteland. De achteruitgang van de ‘leefbaarheid’ is het gevolg van de continue schaalvergroting in de landbouw. Elk jaar stopt zeker 3 procent van de agrariërs met boeren. Hun land verkopen zij aan een buurman die wil uitbreiden. De nieuwe eigenaar heeft doorgaans geen belangstelling voor de opstallen, vaak verouderde en verwaarloosde gebouwen.

Sloop, leegstand en verkrotting zijn het onvermijdelijke gevolg. Radboud Vorage van boerenorganisatie LTO Noord weet er alles van. Hij was van 2005 tot 2008 coördinator van het project Ruimte bij de Boer, dat samen met de Duitse Landwirtschaftskammer in de oostelijke grensstreek werd opgezet. Doel: het stimuleren van economisch hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing (VAB).

Veel overbodige boerderijen krijgen een woonbestemming, weet Vorage. ‘Een boerderijtje dat er een beetje leuk uitziet, vindt altijd wel een koper. Een paradijsvogel uit de Randstad die droomt van een boerderijtje met een wit hekje eromheen en een paardenweitje ernaast. Die mensen hebben niet veel binding met het gebied waar ze komen wonen. Als we niet oppassen, is het platteland straks alleen maar van een paar boeren met steeds grotere bedrijven die de hele dag hun erf niet afkomen en vermogende westerlingen die dagelijks op en neer rijden naar Amsterdam.’

Om dat onheil af te wenden, is het essentieel dat er bedrijvigheid op het platteland blijft bestaan, betoogt Vorage. ‘Voor de oorlog was het landelijk gebied heel divers. Behalve boeren zaten er volop ambachtslieden als klompenmakers, bakkers, smeden en molenaars. Sinds de jaren zestig geldt het overheidsbeleid om zo veel mogelijk bedrijven naar industrieterreinen te verplaatsen en in het landelijk gebied alleen landbouw toe te staan. De huidige regelgeving laat weinig toe.’

Een autohandel in het buitengebied mag bijvoorbeeld vrijwel nergens. De Jansens profiteerden van de bedrijfsvergunning van hun voorganger, een ondernemer die de boerderij als caravanstalling had ingericht. Ze hebben het recht die vergunning over te nemen wel bij de rechter moeten afdwingen.

Anno van der Broek, directeur van de stichting DBF, loopt dagelijks tegen regelgeving aan. Hij begeleidt het pilotproject ‘Huisvesting bedrijven op het platteland’ in De Wolden. De milieuwetgeving is een grote hinderpaal, merkt hij. Rondom agrarische bedrijven gelden stankcirkels van soms wel 200 meter. Binnen die afstand is geen nieuwe bedrijvigheid of woningbouw toegestaan.

‘Omgekeerd maken boeren soms bezwaar tegen nieuwe activiteiten op het platteland, omdat ze vrezen dat die hen in de toekomst zullen belemmeren in hun uitbreidingsmogelijkheden’, zegt Van der Broek. ‘Gemeenten zien ook liever geen bedrijven die veel verkeer aantrekken in een afgelegen boerderij. Daar zijn plattelandsweggetjes niet op berekend. En het is prima als iemand een jamfabriekje wil beginnen in een boerenschuur, zolang dat fabriekje maximaal vijfhonderd potjes jam per week maakt. Want stel dat die jam een groot succes wordt, en het bedrijf wil uitbreiden? Dat kan dan dus niet op die plek. Daar moet je zo’n ondernemer van tevoren duidelijk voor waarschuwen.’

Radboud Vorage heeft honderden boeren geadviseerd die ‘iets’ wilden met hun overtollige onroerend goed. In veel gevallen ging het om kleinere boeren die om financiële redenen een nevenactiviteit wilden ontplooien. Zoals een winkeltje, een kookstudio, een vakantiewoning of het aanbieden van zorg op de boerderij. Voorbeelden van hergebruik door niet-agrarische ondernemers zijn schaars.

Dat is de paradox. Enerzijds vinden provincies en plattelandsgemeenten het behoud van cultuurhistorisch erfgoed steeds belangrijker, aan de andere kant stellen zij zulke strenge eisen aan ondernemers en projectontwikkelaars, dat velen ontmoedigd raken en afhaken.

Zover zijn Henk en Martha Boeijink nog niet. Maar na elf jaar plannen maken mag er wel schot in de zaak komen, vinden ze. Boeijink (62) is een veevoederhandelaar in ruste. Achter zijn woning in het Achterhoekse buurtschap Heidenbroek, vlak buiten Zelhem, staat zijn maalderij. Tot 1988 mengde Boeijink hier voer voor kippen, varkens en paarden. Sindsdien staan de bedrijfsgebouwen leeg.

Het geheel is net een klein dorp. Boeijinks ouders dreven naast de maalderij ooit een kruidenierswinkeltje, een bakkerij, een diepvriescentrale en een eieropslagplaats.

Boeijink en zijn vrouw willen alles met behoud van karakter laten verbouwen tot tien woningen met een gemeenschapsruimte erbij. Maar tussen droom en daad staan ook hier wetten en praktische bezwaren. De bodem rondom de maalderij is vervuild met olieresten. Dat betekent verplicht saneren en tonnen extra kosten. Boeijink kan voor de bodemsanering gelukkig wel subsidie krijgen van de provincie, die de maalderij graag wil behouden.

Uit kostenoogpunt is het volgens hem en zijn architect Vincenth Schreurs desondanks noodzakelijk de grote schuur tot een extra woning te verbouwen. De gemeente staat er echter op dat die gesloopt wordt. Verder stelt de gemeente de voorwaarde dat Boeijink senioren- en starterswoningen bouwt, want daar is een tekort aan in Zelhem. Maar die brengen minder op dan de luxere woningen en huizen met bedrijfs- en atelierruimte die Schreurs voor zich ziet. Al deze factoren verhogen de financiële risico’s voor Boeijink en een eventuele projectontwikkelaar.

Schreurs heeft ervaring met het verbouwen van agrarische gebouwen. Hij maakt dit vaker mee, zegt hij. ‘Je moet veel geduld hebben voor dit soort projecten. En lef. Mijnheer Boeijink heeft lef, maar de meeste anderen niet. Veel mooie plannen gaan niet door omdat de procedures zo tijdrovend en ingewikkeld zijn.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden