Schoon 'boeren' blijkt wél rendabel

Nederlandse boeren hebben lange tijd hun neus opgehaald voor ecologisch verantwoorde landbouw. Zorg voor milieu zou meer kosten dan opleveren, luidde de algemene opvatting....

'Bij ons staat het complete systeem van bodem, plant, dier en mest voorop', zegt Foppe Nijboer, één van de melkveehouders in het dorpje Boelenslaan bij Drachten. Dit is een gebied van de Friese Wouden met kleine percelen omgeven door elzensingels dat zich niet leent voor grootschalige boerenbedrijven.

'Grootschaligheid is een race die je niet kunt winnen', zegt Nijboer, die steeds meer boeren in zijn omgeving zag verdwijnen. 'Als we naar nog grotere bedrijven gaan met melkquota van één miljoen liter per jaar per bedrijf blijven er van de twintigduizend melkveehouders hooguit elfduizend over. Die gaan niet in een kleinschalig landschap als het onze zitten. Ik kan hier goed leven met mijn quotum van vier ton, veertig hectare land en vijfenvijftig koeien.'

Meer boeren denken er net zo over als Nijboer. In 1992 sloegen ze de handen ineen en richtten ze twee milieucoöperaties op: de Vereniging Eastermars Landsdouwe (Vel) en de Vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Achtkarspelen (Vanla).

Met hulp van onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen hebben de boeren vanaf 1997 geëxperimenteerd met verantwoord 'boeren', waarbij het denken in kringlopen centraal stond. Goed voer levert goede mest, waardoor de bodem gezond wordt. Daarop groeit beter gras, dat weer leidt tot gezondere koeien, die betere melk geven. En zo is de cirkel rond.

De Wageningse onderzoeksbegeleider Jan Douwe van der Ploeg is na vijf jaar dik tevreden. In zijn analyse van de Vel/Vanla-bedrijven Wat smyt it op - dat vorige week is verschenen samen met het boek Boeren in Balans, waarin de ervaringen van de deelnemende boeren staan opgetekend - blijkt dat duurzame landbouw wel degelijk geld oplevert.

'Iedereen zegt steeds dat het milieubeleid klauwen vol geld kost. Maar het boeiende is dat melkveehouders zo'n twintigduizend euro meer kunnen verdienen als ze schoon boeren. En dat is een belangrijk nieuw feit', zegt Van der Ploeg.

Om goed te kunnen vergelijken zijn drie benaderingen naast elkaar gezet: boeren die zich aan de meest uitgekiende kringlopen hielden, zij die de innovaties gedeeltelijk doorvoerden en een controlegroep die geen veranderingen aanbrachten in hun bedrijfsvoering.

Na vijf jaar blijkt dat de eerste groep een saldo haalt van 73,78 gulden voor 100 liter melk (er wordt nog in guldens gerekend omdat het experiment in 1997 begon en tot 2002 liep). De tweede komt op 64,24 gulden en de derde groep op 63 gulden.

Groep 1 haalt dit gunstige resultaat omdat er minder kunstmest en minder krachtvoer wordt gebruikt, en dat scheelt in de kosten. Bovendien rijdt een deel de mest bovengronds uit, wat weer een dure investering van zo'n dertigduizend euro in een mestinjector uitspaart. De meeste andere boeren moeten de mest met een injector de grond inspuiten, omdat daarmee uitstoot van ammoniak naar de lucht wordt voorkomen.

De koplopers kregen tijdelijk een ontheffing, als ze konden aantonen dat hun mest geen kwalijke verontreiniging oplevert. Nu dat is gelukt, zou het volgens Van der Ploeg goed zijn als alle boeren die zo werken de mest óp in plaats van ín de bodem mogen uitrijden.

Ook voor Nijboer heeft het spaarzaam omgaan met kunstmest een aanzienlijke besparing opgeleverd. 'Op mijn bedrijf scheelt dat per jaar tienduizend gulden. We zijn destijds door de landbouwvoorlichters opgejut om veel kunstmest te gebruiken. Opgeteld heeft dat de kunstmestindustrie over dertig jaar 100 miljard gulden opgeleverd. Toch typisch dat dit product na sluiting van de staatsmijnen door DSM zo zwaar werd gepusht met behulp van de landbouwvoorlichtingsdiensten. Ook op de universiteit van Wageningen hebben ze zitten slapen', oordeelt Nijboer.

Vroeger waren boeren nog gedwee en namen klakkeloos adviezen over: van de bank, van de landbouwvoorlichting, van de zaadbedrijven, van de veearts. Het leek wel of er iedere dag weer iemand anders met een goed of niet goed bedoeld advies langskwam, zegt Nijboer. 'Het is belangrijk dat een boer de capaciteit heeft om uit al die adviezen het juiste te selecteren. Dat kun je als je op al die onderdelen zelf een ontwikkeling hebt doorgemaakt.'

Volgens de overheid is er in de veehouderij een mestprobleem, omdat teveel mineralen ongebruikt blijven en in de vorm van ammoniak de lucht vervuilen. De stikstof die door de bodem sijpelt verontreinigt het grondwater.

Dat mineralenoverschot moet daarom terug. Maar het is symptoombestrijding om met emissiearme stallen te werken en mest in de grond te injecteren, oordeelt Nijboer. Het echte probleem in de melkveehouderij is dat er te veel kunstmest wordt gebruikt. Die overdaad aan kunstmest verstoort de bodem, levert slecht gras waardoor uiteindelijk ook de koe het moet bezuren.

Nijboer begon dan ook in 1997 de kunstmest drastisch terug te brengen. Het gras op de bedrijven van de voorlopers is nu zo goed dat er minder krachtvoer nodig is. Het gras heeft goede structuur, goed om de maag van de koe te prikkelen, en het is eiwitarm. Dit gras is vooral goed als winterkost en wordt daarom ingekuild.

Omdat het goede voer leidt tot minder klachten bij de dieren kunnen ook de kosten voor de veearts dalen. De levensduur van de koeien stijgt en dat betekent ook extra inkomsten. Door later te maaien kunnen weidevogels op het grasland broeden en als de boer ook houtwallen onderhoudt, krijgt hij extra inkomsten.

Tenslotte levert een andere veevoeding ook weer andere mest op. Het percentage stikstof dat tot ammoniakverontreiniging leidt, is lager en minder toxisch. Dit kan weer bijdragen aan een betere bodem. In de eerste groep zijn de verliezen aan stikstof gering, en daarmee passen zij nu al binnen de normen die minister Veerman van Landbouw stelt: niet meer dan 110 kilo stikstof per hectare.

Het boerenpaar Foppe en Baukje Nijboer heeft bewust gemikt op een ecologisch bedrijf dat ook economisch goed rendeert. 'Wij zijn tevreden, hebben nog tijd voor andere dingen dan alleen boeren.'

Twee jaar geleden heeft Foppe Nijboer een sloot gegraven en daarlangs zijn elzen geplant. Dat levert extra inkomsten aan landschapsbeheer op. Nu komt het waterschap echter met de eis dat de sloot jaarlijks uitgebaggerd moet worden.

'Dat is weer typisch zo'n bureaucratische benadering', reageert Nijboer. 'Het waterschap is niet geïnteresseerd in elzensingels maar uitsluitend in goed doorstromende watergangen. Maar omdat de elzentakken boven de watergang groeien, schermen ze de sloot af en voorkomen daarmee dat deze dichtslibt. Dat is gewoon de praktijk. Die bureaucratische benadering is een domper en kost bergen energie.'

Foppe en Baukje Nijboer zijn ervan overtuigd dat zij uitstekende landschapsbeheerders zijn. Kijk je naar de kosten voor onderhoud van plantsoenen, dan is dat twintig maal meer dan wat wij met de houtwallen, knotwilgen en elzensingels doen. 'Wij willen het landschap instandhouden, maar dan mag ook wel eens wat meer waardering voor ons werk zijn.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.