Column

Robotisering bekt simpelweg lekkerder dan uitbuiting

De onverwachte overwinning van Trump heeft geleid tot een verhit debat onder economen over de oorzaak van het spectaculaire verlies aan fabrieksbanen in de VS. Staten met een grote, witte arbeidersklasse als Michigan, Pennsylvania en Ohio stemden in meerderheid voor Trump en kostten Clinton zo het presidentschap. Hoewel Trumps overwinning niet los kan worden gezien van de Russische cyberaanvallen en de ongehoorde inmenging van FBI-directeur Comey, is er duidelijk ook iets anders aan de hand.

Een staalwerker in een fabriek in Michigan. Beeld afp

Sinds het begin van het millennium is een op de drie fabrieksbanen in de VS verdwenen. Dit is gepaard gegaan met een scherpe daling van het aandeel van lonen en salarissen in het bruto binnenlands product (bbp), de arbeidsinkomensquote. Gemiddeld daalde die met zo'n 5 procentpunten. Deze daling beperkte zich niet tot de VS, maar deed zich wereldwijd voor, ook in Nederland. Het aandeel van de winst in het bbp steeg in dezelfde orde van grootte, ook zo'n vijf procentpunten.

De twee belangrijkste verklaringen voor de daling van de arbeidsinkomensquote zijn de opkomst van robots, waardoor het goedkoper wordt mensen te vervangen door machines, en de integratie van China en India in de wereldeconomie, die leidde tot een wereldwijd arbeidsoverschot die de lonen in geïndustrialiseerde landen onder druk zette.

Gek genoeg heeft de eerste verklaring, robotisering, de meeste bijval onder economen gekregen. De aanleiding daarvoor was een paper uit 2014 van twee economen van de Universiteit van Chicago, Karabarbounis en Neiman, die betoogden dat de daling van de arbeidsinkomensquote wel het gevolg moest zijn van automatisering omdat de arbeidsinkomensquote ook daalde in opkomende economieën als China, India en Mexico die gekenmerkt worden door een overschot aan arbeid. Maar deze conclusie geeft blijk van gering inzicht in de ontwikkeling van opkomende economieën. Het mechanisme daar wijkt niet wezenlijk af van dat in ontwikkelde economieën.

In het Westen daalt het arbeidsaandeel omdat werknemers niet (langer) in de positie zijn de stijging van hun arbeidsproductiviteit in hogere lonen om te zetten. Al wat werknemers meer produceren dan de loonkosten, leidt tot hogere bedrijfswinsten. In opkomende economieën als China hoeven werkgevers hun werkers niet meer aan loon te betalen dan nodig is om ze in leven te houden. Hoe meer mensen in de fabrieken aan de slag gaan, hoe hoger de winst. Hoewel zowel de arbeiders als de werkgevers in China profiteren, profiteren de laatsten het meest. Daardoor stijgt ook in opkomende economieën het winstaandeel in het bbp en daalt het arbeidsaandeel.

De economen Elsby, Hobijn en Sahin vinden in een studie van de Amerikaanse arbeidsmarkt er direct bewijs voor dat offshoring en outsourcing de belangrijkste verklaring zijn voor de daling van de arbeidsinkomensquote, omdat deze daling niet gepaard gaat met een grotere inzet van machines en de werkgelegenheid vooral is gedaald in die sectoren die zijn blootgesteld aan concurrentie met China. De economen Autor, Dorn en Hanson concluderen in hun paper The China Syndrom dat sectoren die vatbaar zijn voor automatisering juist geen daling van de werkgelegenheid hebben laten zien.

Als automatisering de verklaring zou zijn voor de daling van de arbeidsinkomensquote, dan zou je een toename van de arbeidsproductiviteitsgroei verwachten in plaats van een daling, zoals die de afgelopen tien jaar duidelijk waarneembaar is. Voor zover de arbeidsproductiviteit groeide, was dat in sectoren die ict produceren, zeg maar de Facebooks, Airbnbs en Ubers van deze wereld, en niet in sectoren die ict gebruiken.

Omgekeerd vonden de grootste dalingen van de arbeidsproductiviteitsgroei plaats in die sectoren die het meest te lijden hebben onder de concurrentie met China, zoals de textiel- en de staalsector. Economen die de robottheorie aanhangen wijten deze productiviteitspuzzel aan een fout in de meting van economische groei, maar daar hebben economen van de Federal Reserve geen enkel bewijs voor gevonden.

De echte puzzel is waarom economen de meest voor de hand liggende verklaring niet omarmen, namelijk dat de daling van de arbeidsinkomensquote het gevolg is van China's toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 en niet van robotisering. Mijn theorie is dat kapitalisten (en de meeste economen zijn kapitalisten) willen geloven dat de stijgende bedrijfswinsten te danken zijn aan hun eigen vernuft in plaats van aan hun vermogen om werknemers uit te buiten. Robotisering brengt minder de morele verplichting met zich mee om inkomen te herverdelen dan uitbuiting. Dat is waarschijnlijk meteen ook de belangrijkste reden.

De staalindustrie van de Verenigde Staten kampt met hevige concurrentie uit China. Beeld afp
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden