ANALYSE

Rijke landen draaien niet meer op voor armoedzaaiers

De ECB laat de geldpers zó draaien dat arme landen als Griekenland en Italië hun eigen boontjes moeten doppen als zij hun staatsschuld niet aflossen.

Mario Draghi, voorzitter van de Europese Centrale Bank. Beeld AP
Mario Draghi, voorzitter van de Europese Centrale Bank.Beeld AP

Na ruim zes jaar aarzelen, wikken en wegen stapt de Europese Centrale Bank alsnog in het voetspoor van alle andere grote centrale banken. De Amerikaanse Federal Reserve, de Bank of England en de Bank of Japan hebben na 2008 honderden tot duizenden miljarden van hun eigen staatsschuld opgekocht om hun economieën te stimuleren. De ECB wilde steeds niet aan deze 'kwantitatieve verruiming' (QE), omdat een aantal Noord-Europese eurolanden daar grote moeite mee hebben. De centrale bank van de eurozone probeerde de inflatie daarom op andere manieren op te jutten. Deze alternatieven zijn uitgeput en de inflatie blijft maar dalen. Vandaar dat de ECB staatsobligaties opkoopt.

Om de inflatie naar het in ECB-ogen ideale niveau van 'dichtbij, maar net onder 2 procent' op te stuwen, moet de centrale bank zeer grote hoeveelheden geld in de economie pompen. Centrale banken brengen geld in omloop door leningen op te kopen van banken en beleggers. De ECB wilde in eerste instantie liever geen staatsleningen opkopen omdat de rente op die leningen dan daalt. Overheden kunnen hun schulden dan makkelijker financieren en doen minder hun best de staatsschuld terug te dringen.

De ECB probeerde daarom de bancaire kredietverlening aan te moedigen. Zij leende meer dan 1.000 miljard euro uit aan Europese banken, opdat die op hun beurt extra geld konden uitlenen aan bedrijven en huizenkopers. Maar zij gebruikten het geld vooral om hun reserves aan te vullen. In Spanje, Italië, Portugal en Griekenland kochten banken er staatsobligaties mee. Met hulp van hun nationale bankwezen konden overheden in Zuid-Europa zich dus alsnog laven aan de ECB-geldkraan.

Probleem

Meer meetbaar effect bereikte de ECB met zijn verbale instrument: de bezwerende woorden van topman Mario Draghi. Draghi maakte in de zomer van 2012 zo'n beetje eigenhandig een einde aan de (eerste?) eurocrisis door beleggers voor te houden dat 'de ECB alles zal doen om te euro te redden'. Het nadeel van zo'n boude uitspraak is dat beleggers daarna wel boter bij de vis willen zien.

Vorig jaar oktober begon de ECB met het opkopen van gedekte obligaties, bankschulden waar onderpand tegenover staat. In december breidde de ECB haar aankopen uit met gesecuritiseerde leningen, voornamelijk bedrijfskredieten en hypotheken. Het probleem is nu dat er in de eurozone te weinig van dit soort leningen te koop zijn om QE het gewenste volume te geven. Daarom zijn staatsobligaties vrijwel altijd onderdeel van een QE-programma: die zijn zeer ruim voorradig, transparant en staan nog steeds bekend als relatief veilig.

De totale staatsschuld in de eurozone bedroeg medio 2014 ongeveer 8.225 miljard euro, waarvan circa 7.725 miljard euro als staatsobligatie uitstond. De ECB bezit al 186 miljard euro staatsobligaties van Ierland, Griekenland, Spanje, Italië en Portugal, gekocht tijdens de eurocrisis.

In het kader van QE komt daar de komende anderhalf jaar nog minimaal 800 miljard euro aan staatsobligaties bij, maar de ECB koopt daarvan slechts 8 procent op. De nationale centrale banken doen de bulk van de QE-staatsobligatie-aankopen. De Nederlandsche Bank koopt vanaf maart Nederlandse staatsobligaties, de Bundesbank Duitse, enzovoort. Zo vermijdt de ECB dat Duitsland de dupe wordt als Griekenland of Italië hun staatsschuld niet aflossen. Het grootste deel van dat verlies komt straks bij de nationale centrale bank van het gefailleerde land terecht.

De ECB wil voorkomen dat de landen met de hoogste schulden het meest van de ECB-aankopen profiteren (van die landen zijn immers de meeste staatobligaties in omloop). Daarom bepaalt de omvang van de bevolking en van de economie hoeveel staatsobligaties de centrale banken van elk land kopen. Een kwart van de QE-aankopen zullen daarom Duitse Bunds zijn.

Van de 60 miljard euro schuldpapieren die de centrale banken elke maand aanschaffen, zal circa 70 procent uit staatsobligaties bestaan. Obligaties van de Europese Investeringsbank (EIB) en de twee Europese noodfondsen EFSF en ESM beslaan 12 procent van het QE-programma. De rest bestaat uit gesecuritiseerde leningen (circa 1,2 miljard euro per maand) en gedekte obligaties (circa 9 miljard euro per maand).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden