Praten verdient beter dan maken

Kenniswerkers heten ze. Ze maken niets tastbaars, maar produceren veel. Hun beroep is ontwerpen, overtuigen, informatie verzamelen. Ze maken de Nederlandse economie zachter....

OP IEDERE honderd werknemers die 's avonds huiswaarts keren hebben er slechts tien iets tastbaars gemaakt. Een gloeilamp, een oorbel, een fiets of een ander product dat je op je tenen kunt laten vallen.

Liefst negentig van de honderd werknemers produceren ongrijpbare dingen. Ze managen hun ondergeschikten, promoten een film of verstrekken hypotheekadviezen. De industriële basis van de economie versmalt in rap tempo. Steeds meer mensen verdienen hun brood met abstracties, met gebakken lucht. Naderen we de kritische grens of bestaat die niet?

De werkgelegenheid in de maakindustrie is veel kleiner dan menigeen beseft. Officieel werkt nog 20 procent van de beroepsbevolking in de industrie (inclusief bouwbedrijven). Maar ook bínnen deze bedrijven worden de 'blauwe boorden' verdrongen door de 'witte boorden'. Nog maar de helft van de industriële werknemers heeft een ambachtelijk, industrieel of transportberoep. De andere helft doet marktonderzoek, bedenkt nieuwe producten of werkt bij de klantenservice.

Natuurlijk kan het feitelijke productieproces door de automatisering met steeds minder mensen toe en natuurlijk is veel maakwerk 'uitbesteed' aan landen waar de loonkosten lager zijn. Maar dat is hooguit de helft van het verhaal. Veel belangrijker is het besef dat je anno 1997 geen consumenten meer lokt met louter materie.

Het zijn de immateriële toevoegingen die er steeds meer toe doen. 'De technische universiteiten hebben dat begrepen', schrijft Dany Jacobs van het TNO Studiecentrum voor Technologie en Beleid in zijn boek Het Kennisoffensief. Met instemming beziet Jacobs hoe de gamma's (psychologen, bedrijfskundigen, sociologen) oprukken binnen de technische faculteiten.

De vakgroep Constructie en Bedrijfskunde in Delft bestudeert zachte thema's zoals: hoe werken mensen eigenlijk samen? De faculteit Vormgeving onderzoekt hoe mensen vormen beleven, liefst in verschillende culturen.

Soortgelijke overwegingen brachten Philips er toe een Human Behaviour Research Centre op te richten, waar een tiental antropologen, sociologen en psychologen is aangesteld. 'Want in de kenniseconomie is bèta-kennis absoluut noodzakelijk, maar gamma-kennis geeft de doorslag', vindt Jacobs.

Dat verklaart waarom Philips technologische hoogstandjes als CD-I en DCC aan de straatstenen niet kwijt kan, terwijl de klanten in de rij staan om Philips' keukenapparaten in Alessi-stijl te kopen. 'We consumeren goederen op status en symboliek', meent de Rotterdamse econoom Arjo Klamer. 'Anders valt niet te verklaren dat de consument zo diep in de buidel tast voor een verouderd stuk techniek als een koffiezetapparaat dat toevallig in een Italiaans jasje is gestoken.'

De 'imagologie' wint op alle fronten terrein. Om de consument over de streep te trekken zijn creatieve mensen nodig. Zeker in sectoren waar de markt verzadigd lijkt. Unilever kan de Westerse wereld niet tot een hogere ijsconsumptie aanzetten. Maar consumenten kunnen wel verleid worden om andere, duurdere ijsjes te kopen.

Meer aardappelen, vlees en groente kunnen we evenmin verstouwen, maar als we er puurheid, gezondheid of gebruiksgemak mee kopen, of er diervriendelijk mee handelen, willen we wel wat duurdere spullen in de supermarkt kopen. Gekscherend spreekt Jacobs van 'de economie van de gebakken lucht'. Maar ernstig voegt hij er aan toe dat het kunnen bakken van lucht een steeds belangrijkere voorwaarde wordt om de concurrentie een slag voor te zijn.

De werknemers die gespecialiseerd zijn in het bakken van lucht, heten in het officiële jargon: informatie-werkers of kennis-werkers. We vinden ze vooral bij banken, verzekeringsmaatschappijen, uitgeverijen en de vrije beroepen. Het leger van deze werknemers, die hun dagelijks brood vooral verdienen met praten, faxen, schrijven en e-mailen, kortom met communiceren, zwelt aan. In 1909 werkte nog 5 procent van de beroepsbevolking in deze kennisrijke bedrijfstakken, in 1990 was dat bijna 24 procent.

Maar dat is een grove onderschatting van de werkelijkheid, meent econoom Arjo Klamer. De genoemde antropologen en pschygologen in dienst van Philips en andere industriële bedrijven zijn immers ook informatiewerkers. De marketingmensen en personeelschefs ook, evenals medewerkers op PR-afdelingen.

Zelfs typische Willy Wortel-functies, denk aan onderzoek en ontwikkeling, bestaan voor een steeds belangrijker deel uit praten en overtuigen. 'Vroeger dacht iedereen: de waarheid spreekt voor zich', licht Klamer toe. 'Maar tegenwoordig moeten ook de Willy Wortels binnen een bedrijf hun collega's ervan overtuigen dat hun idee goed is. Ze moeten interne politiek bedrijven om geld naar hun afdeling te sluizen.'

Voor de Verenigde Staten becijferde Klamer twee jaar geleden dat een kwart van het bruto binnenlands product wordt verdiend met praten. In Nederland zal dat niet anders zijn, meent hij. 'En het einde is nog lang niet in zicht. Want kenniswerk is werk dat nooit af is. Je kunt nooit meten of je genoeg gedaan hebt. Stel dat je een nieuwe film moet promoten; je kunt er altijd méér tijd en méér geld in steken. Dat gebeurt dan ook. Bijna 40 procent van de productiekosten van een film gaan tegenwoordig op aan public relations en reclame.'

Om de consument te verleiden het wasmiddel Omo Power te kopen, trok producent Unilever 500 miljoen gulden uit. Dat was 200 miljoen méér dan de ontwikkeling van het revolutionaire en inmiddels geflopte waspoeder had gekost. Het is de ultieme schreeuw om aandacht van de consument. Klamer en Jacobs noemen aandacht zelfs het meest schaarse en daarom meest waardevolle economisch goed.

Bedrijven die inmiddels de aandacht van de consument hebben gewonnen, worden dan ook voor duizelingwekkende bedragen opgekocht. In 1988 betaalde Philip Morris bijna 13 miljard gulden om het voedingsbedrijf Kraft over te nemen terwijl de 'harde' activa niet meer bedroegen dan 1,3 miljard. 'Bijna 90 procent gebakken lucht', schrijft Jacobs. Nog extremer is het bod van 80 miljoen gulden van het Britse concern Pearson op Het Financiële Dagblad. Dit is een krant die marginaal draait en aan activa niet meer bezit dan een paar afgeschreven beeldschermen. Honderd procent gebakken lucht?

De dematerialisering en kennisintensivering van de economie vertaalt zich niet alleen in het ongrijpbare werk dat de meeste mensen tegenwoordig doen. Ook de immateriële investeringen heben een reuzensprong gemaakt.

In 1975 gaven Nederlandse bedrijven nog 3,8 procent van het nationaal inkomen uit aan scholing, software, marketing, octrooien en onderzoek en ontwikkeling. In 1990 was dat opgelopen tot 5,7 procent van het nationaal inkomen.

De immateriële investeringen in Nederland nemen jaarlijks met 9,8 procent toe; de materiële investeringen slechts met 1,2 procent. Kort na de eeuwisseling zal er meer geld gemoeid zijn met 'softe' investeringen dan met 'harde'. Tenminste, die voorspelling doet het Economisch Instituut voor het Midden- en kleinbedrijf (EIM) in een binnenkort te publiceren rapport.

In dat rapport maakt het EIM aannemelijk dat immateriële investeringen meer opleveren dan traditionele investeringen in gebouwen, auto's en soortgelijke hardware. Een stelling waarvoor de Amsterdamse econoom Alfred Kleinknecht al jaren probeert de handen op elkaar te krijgen.

Niet alleen lijken materiële investeringen minder lucratief, het produceren van tastbare goederen wordt ook - verhoudingsgewijs - minder lucratief. Cijfermateriaal van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wijst in die richting. Van 1974 tot 1985 was de industrie, bijna elk jaar opnieuw, de meest winstgevende bedrijfstak (gerekend naar rentabiliteit op eigen vermogen). Die koppositie is de industrie na 1985 definitief kwijtgeraakt aan de handel.

Ondernemers in spé voelen dat blijkbaar op hun klompen aan. Want het aantal starters in de industriële sector is veruit in de minderheid. 'En de industriële overlevers zijn zelfs op de vingers van één, misschien twee, handen te tellen', meent Koos van Dijken van het EIM. 'De industriële basis zal dus steeds verder versmallen', stelt hij enigzins zorgelijk vast.

Het EIM en TNO zien de maakindustrie als het fundament van de economie. 'Immateriële investeringen pleeg je doorgaans bovenop materiële goederen. Het verhaal begint met materie', aldus Jacobs. 'Gelukkig hebben we daarvan vooralsnog meer dan genoeg. In werkgelegenheid krimpt de industriële basis. Maar ik zou wel eens in kilo's uitgedrukt willen zien wat we produceren. Ik maak me sterk dat dat alleen maar meer geworden is.'

Bij de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) lacht men besmuikt als de industrie de ruggegraat van de economie genoemd wordt. 'Het is zo ouderwets gedacht, langs nationale grenzen', vinden Hans Adriaansens en Dirk Scheele. 'Er zijn genoeg landen die groeien en bloeien zonder dat ze zelf iets maken. Denk maar eens aan Hongkong.'

De WRR verwacht dat het aantal mensen dat tastbare goederen produceert nog verder zal krimpen. 'Het sluit aan bij de wensen van de consument die steeds meer immateriële goederen wenst te consumeren. Daar zit de groei in. De consument boekt liever een vakantiereisje dan dat hij de stereo-toren vervangt', zegt Adriaansens.

De even geleidelijke als revolutionaire omschakeling van een maak- naar een praat-economie heeft verstrekkende gevolgen voor de kwaliteit van de arbeid. Adriaansens benadrukt: 'Hier worden we niet slechter van. Integendeel. Al met al is de werkgelegenheid in ons land voortdurend gegroeid. Bovendien is de kwaliteit van het werk enorm verbeterd. Door de kenniseconomie is werk veranderd van iets waartegen je in bescherming genomen moest worden tot iets wat juist bescherming biedt. Werk is zelfs steeds meer een verrijking van het leven geworden.'

'Hoe kun je anders verklaren dat (getrouwde) vrouwen tegenwoordig massaal aan het werk willen? Je maakt mij niet wijs dat al die vrouwen door economische noodzaak de arbeidsmarkt op gejaagd worden. Ze zijn op zoek naar mogelijkheden om zichzelf te ontplooien. Toch prachtig, dat de hedendaagse arbeidsmarkt dat biedt?' Kortom, praten verdient niet alleen beter dan maken. Praten is ook leuker dan maken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden