Philips snijdt, net als Pfizer, in onderzoek: durven grote bedrijven niet meer?

Het paradepaardje van de kenniseconomie krijgt een gevoelige tik

In Eindhoven staan binnenkort ruim honderd onderzoekers op straat bij Philips. Terwijl het, zegt een oud-onderzoeker, juist dankzij onderzoek 'veruit het grootste bedrijf ter wereld had kunnen zijn.' Ontwikkelen grote bedrijven nog wel producten voor de toekomst?

Het Natlab van Philips rond 2000. In de jaren zeventig werkten er een paar duizend onderzoekers. Foto Hollandse Hoogte / Marcel van den Bergh

Heeft de Nederlandse kenniseconomie een gevoelige tik gekregen, nu Philips Lighting eenderde van zijn onderzoeksafdeling in Eindhoven sluit? De meer dan 100 nieuwe werklozen die bij het UWV aankloppen zijn overwegend hoogopgeleide kenniswerkers. De voormalige lampendivisie wil zijn onderzoek efficiënter maken en 'meer toegespitst op het Internet der Dingen en slimme verlichting'. Met andere woorden: specialistischer en sterker gericht op resultaten die snel tot verkoopbare producten leiden.

Philips staat met die strategie niet alleen. Het is een trend dat grote beursgenoteerde bedrijven hun onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten (R&D) richten op producten die snel winst opleveren. Dat willen namelijk hun aandeelhouders. Deze week werd bekend dat farmacieconcern Pfizer stopt met zijn onderzoek naar medicijnen tegen parkinson en alzheimer. Driehonderd onderzoekers staan straks op straat. De reden: de ontwikkeling van die geneesmiddelen duurt te lang. Vorige week verscheen een boek over het ooit zo florerende en innoverende medicijnenbedrijf Organon in Oss, dat ten onder ging aan de fixatie op het kortetermijnbelang van de aandeelhouders.

Schril contrast

Onlangs besloot Koninklijke Philips te stoppen met de eigen startup Handheld Diagnostics. Dat ontwikkelde draagbare bloedanalyse-apparaatjes en werd lang beschouwd als een van de pareltjes op de High Tech Campus in Eindhoven. In september maakte Philips bekend de stekker uit het bedrijf te trekken wegens 'onvoldoende commerciële kansen'.

De ontwikkeling staat in schril contrast met de ronkende woorden die oud-minister Kamp van Economische Zaken vorig jaar sprak over 'Europees innovatieleider' Nederland, dat volgens het World Economic Forum tot de concurrerendste economieën ter wereld behoort. 'Dit mooie resultaat hebben we te danken aan de inspanningen van onze ondernemers en kennisinstellingen met steun van overheden. (...) maar andere landen zitten niet stil en ontwikkelen zich steeds meer tot innovatieve knooppunten. We zullen dus onverminderd publiek én zeker ook privaat moeten investeren in innovatie om onze concurrentiepositie te behouden en te versterken.'

Terugverdientijd

Maar bij bedrijfsinvesteringen in onderzoek en ontwikkeling bungelt Nederland onder aan de internationale lijstjes. Volgens de Oeso investeerden alleen bedrijven in Noorwegen, Ierland, Canada en Italië in 2015 minder in R&D, gemeten als percentage van het bruto binnenlands product. Als percentage van de bedrijfsomzetten zijn die investeringen tussen 2009 en 2016 zelfs flink gedaald - tot vorig jaar. In 2017 zag de Erasmus Universiteit, die dit cijfer bijhoudt, de R&D-investeringen van bedrijven voor het eerst weer flink stijgen.

Henk Volberda, hoogleraar managementstrategie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, constateert desondanks dat grote concerns steeds minder willen uitgeven aan fundamenteel onderzoek. 'Dat laten ze het liefst over aan universiteiten en kennisinstellingen. Ze houden het bij toegepast onderzoek dicht bij de zakelijke divisies. Dat beperkt de terugverdientijd.'

Luchtfoto van de campus van Philips in Eindhoven. Foto anp

Vroeger nam een groot bedrijf vijftien tot twintig jaar om een R&D-investering terug te verdienen. 'Nu moet dat binnen vijf jaar', aldus Volberda. Als er activistische aandeelhouders zijn is die horizon nog korter. 'Eigenlijk mogen bedrijven dan alleen nog geld uitgeven voor verbetering van bestaande producten. In de ogen van activistische aandeelhouders zijn bedrijven melkkoeien die succesvolle producten als een citroen moeten uitknijpen. Het onderzoek naar mogelijke opvolgers van die succesnummers moeten ze maar overlaten aan start-ups', aldus Volberda.

Philips Lighting noemde dinsdag de onderzoeksbanen die vervallen 'minder relevant' voor wat het als de nieuwe kerngebieden ziet.

Opsplitsing

De vakbonden zetten grote vraagtekens bij zo'n drastische sanering van de onderzoekscapaciteit van een wereldwijde marktleider die zich afficheert als 'innovatief en toonaangevend'. Zij denken dat het vooral een kostenbesparing is om aandeelhouders te behagen.

'Ik heb sterk het idee dat Philips voor de snelle winst op korte termijn gaat en niet meer voor de futuristische oplossingen op de lange termijn', zegt vakbondsbestuurder Ron Peters van FNV Metaal. 'Dat lijkt me geen verstandige strategie. Mijn eerste vraag aan het bedrijf is: gaan jullie echt voor de slimme producten en oplossingen van de toekomst, of is dit een sterfhuisconstructie?' Jörg Sauer van vakbond VHP2 maakt zich zorgen om de 'kennishub' in Eindhoven. 'Is dit het begin van het einde?'

In de jaren zeventig telde het beroemde NatLab van Philips, dat in 1914 werd opgericht, tweeduizend onderzoekers. Inmiddels is het aantal 'Willie Wortels' in Eindhoven gehalveerd. Bij de opsplitsing van Philips ging tweederde van de onderzoekers van Philips Research naar Koninklijke Philips (dat zich toelegt op medische apparatuur) en eenderde naar Philips Lighting. Het Natlab viel uiteen.

Philips Lighting stelt een innovatief bedrijf in verlichting te willen blijven. Afslanking maakt de onderzoeksafdeling 'efficiënter en de besluitvorming sneller', zegt de woordvoerder. Hij wijst erop dat Philips bij onderzoeksprojecten samenwerkt met hightechbedrijven die specifieke kennis hebben op hun gebied. Bij de thuisverlichting bijvoorbeeld met Amazon, Google en Apple, bij slimme straatverlichting met Ericsson.