Nieuws Pensioenen

Pensioenen aan de beterende hand, maar massale verlaging dreigt nog steeds

Ondanks de economische groei, hangt zo’n tien miljoen pensioenen nog steeds een verlaging boven het hoofd in 2020. Gemiddeld zal de korting nu uitkomen op 3 procent. 

Foto Tijmen Illus

Dit blijkt uit een overzicht dat de toezichthouder op de pensioenfondsen, De Nederlandsche Bank (DNB), woensdag heeft gepubliceerd. Het gaat met name om de pensioenen van ambtenaren, in de zorg en de metaal. DNB baseert zich op de vermogenspositie van eind 2017 en heeft 157 fondsen doorgelicht. Daarvan staan 47, met in totaal 10,1 miljoen pensioenen, er zo slecht voor dat ze in 2020 kortingen moeten doorvoeren of aankondigen.

De situatie is iets minder rampzalig dan een jaar geleden. Toen tekenden zich nog kortingen af van gemiddeld 9 procent. De positie van pensioenfondsen is sindsdien verbeterd, vooral door de gestegen aandelenkoersen. Die zijn in de VS omhoog geschoten sinds de verkiezing van president Trump, maar ook de Europese economie draait goed. Ook de rente die cruciaal is bij de berekening van de vermogens van pensioenfondsen, is iets gestegen.

Als deze trends zich voortzetten, kunnen kortingen mogelijk achterwege blijven. Sinds vorig jaar zijn al ruim 20 fondsen uit de gevarenzone verdwenen.  

De kortingen dreigen voor 2020 omdat dan de eerste vijf jaar voorbij zijn van de zogenoemde herstelplannen. Dat zijn de plannen die pensioenfondsen bij DNB indienen als zij er slecht voorstaan. Na vijf jaar moeten de fondsen hun vermogens hebben opgekrikt, anders moeten zij ‘onvoorwaardelijk’ kortingen doorvoeren. Door verlaging van de pensioenen van ouderen en de pensioenaanspraken van werkenden kan de verhouding met het vermogen dat in kas is, worden verbeterd.

De kortingen mogen wel over tien jaar worden uitgesmeerd. Als een fonds de pensioenen met 3 procent moet verlagen om de verhouding met het vermogen op peil te brengen, dan kan dat in een keer of in stapjes van 0,3 procent in de komende tien jaar. Omdat die korting onvoorwaardelijk is, moet die wel worden doorgevoerd, ook al krabbelt het fonds gedurende die tien jaar verder op.

De pensioenaanspraken van gepensioneerden en werkenden hebben sinds 2007 fors aan koopkracht hebben ingeleverd. Dat gebeurde doordat de pensioenaanspraken niet zijn verhoogd, of zelfs iets verlaagd. Gemiddeld stegen de prijzen sinds 2007 15 procent, terwijl de pensioenen gemiddeld slechts met 2 procent omhoog gingen. Gepensioneerden leverden dus gemiddeld 13 procent koopkracht in. De pensioenrechten van werkenden bleven datzelfde percentage achter op de inflatie. 

Niet alle pensioenfondsen staan er slecht voor. Zo blijkt het pensioenfonds van ING een dekkingsgraad van 140 procent te hebben. Dat betekent dat het genoeg vermogen heeft om alle pensioenen 1,4 keer uit te betalen. Dit fonds kan de pensioenen dus gewoon verhogen. 

De kortingen in 2020 kunnen ook voorkomen worden als vakbeweging, werkgevers en kabinet een akkoord sluiten over vernieuwing van het pensioensysteem. Dat zou dan volgend jaar in wetgeving moeten worden uitgewerkt.

De drie partijen werken nu aan een akkoord waarin het zogenoemde pensioencontract wordt veranderd. Van een pensioentoezegging wordt dan overgestapt op een premiecontract. Daarin staat de hoogte van de premie voorop en niet de uitkomst – de hoogte van het pensioen. Die wordt dan afhankelijker van de rentestand en de beleggingsopbrengsten.

Als de partijen het al eens worden over zo’n vernieuwing, dan moet dat eerst in wetgeving worden omgezet en vervolgens door de besturen van de pensioenfondsen, vakbeweging en werkgevers, worden doorgevoerd. Dat laatste is een operatie die jaren duurt.

Het pensioencontract is maar een onderdeel van het overleg tussen kabinet en sociale partners. Daar staat ook de premie centraal. Nu wordt voor alle werknemers een gelijke ‘doorsneepremie’ betaald. Daarmee subsidiëren jongeren indirect hun oudere collega’s. Daar willen partijen een eind aan maken, zodat voor iedere werknemer een leeftijdsafhankelijke premie wordt betaald. De overgang is echter een dure grap, omdat 45-plussers bij afschaffing van de doorsneepremie de subsidie van hun jongere collega’s verliezen. Daardoor zou hun pensioen plots veel lager uitvallen. 

Compensatie van 45-plussers kost naar schatting van het Centraal Planbureau mogelijk 50 miljard euro. Die kosten kunnen over een lange periode worden uitgesmeerd. Het grote voordeel van afschaffing van de doorsneepremie is dat het voor zelfstandigen (zzp’ers) aantrekkelijker kan worden om zich bij een pensioenfonds aan te sluiten. Nu sparen vooral de laagbetaalde zzp’ers zelden voor hun oude dag.

Verbetering: In een eerdere versie van dit artikel stond een correcte berekening over de pensioenaanspraken die onterecht aan De Nederlandsche Bank werd toegeschreven.