Paddestoelen uit het familiebos

Het was net buiten het Drentse Norg toen we in de verte ineens een groot wit huis zagen liggen. Het was nog zomer en we waren op de fiets vanaf station Groningen op weg naar vrienden in Smilde....

We knepen in de remmen. Dat wilden we weleens nader bekijken. Een tweede bordje stuurde ons om de stal heen waar het voormalige erf van de herenboerderij bleek te zijn en nu een aantal hotelgasten van het mooie weer zat te genieten. Alles ademde rust uit: ruisende hoge bomen, grazende koeien in een wei iets verderop, een schaap dat zachtjes mekkerde. Hier wilden wij ook eens te gast zijn. Met een folder van het hotel fietsten we verder naar Smilde.

Onlangs is het ervan gekomen. Op een mooie herfstmiddag fietsen we weer het buurtschap Westervelde binnen, over de oprijlaan van het witte huis en om de stal heen. In het halletje van het hotel heet Richard ons welkom en even later krijgen we ook van eigenaar Wyncko Tonckens een hand.

Tonckens, zo leren we tijdens ons verblijf in Westervelde, is een naam die al eeuwenlang met het buurtschap is verbonden. Het Huis van Westervelde, vlakbij het witte huis gelegen, is van de Tonckens. En de bospaddestoelen, die ik 's avonds in de soep vind, zijn geplukt in het bos dat nog eigendom is van de familie: het Tonckensbos.

Het witte huis is ook al eeuwenlang familiebezit. Eens woonde er de familie Lunsche. Die vond het in de zeventiende eeuw echter deftiger zich Lunsingh te noemen. Een vrouwelijke Lunsingh trouwde met een mannelijke Tonckens, zie daar hoe het witte huis familiebezit werd van de Tonckens. Het hotel dankt zijn naam aan vijf zusters Lunsingh die in de achttiende eeuw de boerderij runden en nooit aan de man kwamen.

Spontaan begint zich in mijn hoofd een roman af te spelen, vol familie-intriges en onvervulde verlangens. Die roman wordt de volgende dag gevoed door een ontmoeting op een zandweggetje. Een oude man die blijkbaar om een praatje verlegen zit, vertelt ons over een familievete bij de Tonckens. Prachtig verhaal. Maar ik zou meedoen aan het verspreiden van roddel als ik het hier optik. Als op deze vroege hersftochtend aan het eind van de twintigste eeuw echter ook nog een schot valt bij het Huis van Westervelde, geloof ik meteen dat de rust die het buurtschap uitstraalt slechts schijn is.

Al die fantasie is nog niet op hol geslagen wanneer Richard ons de kamer wijst. We slapen niet in het witte huis, maar in het pand tussen huis en stal, onder een schuin dak, in de kleinste kamer. Sober en smaakvol. Het maakt ons nieuwsgierig naar de andere kamers. In één ervan, ook in het tussenstuk, kijken we stiekem even rond. Meer ruimte, een mooie antieke kast.

Hoe zullen de vier hoge kamers in het witte huis dan wel niet zijn? Maar die blijven voor ons een geheim. Ze zijn altijd het eerst weg, vertelt Richard. Gasten die langer dan één nachtje blijven, krijgen voorrang bij de indeling van de acht kamers. Begrijpelijk.

Na een kopje thee op het herfstige terras lopen we vlak voor het vallen van de avond nog even wat rond. Over de klinkerweg richting Norg, langs de paar boerderijen die samen Westervelde vormen, een zandpad op richting een hunebed. Beklimmen is gevaarlijk, lezen we. Even verderop lopen we het Norgerholt in, waar we, onvoorbereid als we zijn, tot onze verrassing op een klein ven vol verdronken bomen stuiten.

Terug bij de Jufferen nestelen we ons voor het aperitief op de grote bank bij de open haard in de Cognackamer, net als onze hotelkamer in het tussenpand gevestigd. Bijna iedereen zit rustig wat te lezen. Slechts één man wekt de indruk niet van deze rust te kunnen genieten en tikt rusteloos op de armleuning van zijn stoel. Richard brengt wat te drinken en Wyncko overlegt over het menu.

Wanneer hij ons aan tafel nodigt, is het bijna jammer om weg te moeten bij de haard. Zo heerlijk zitten we daar. Maar het diner roept. We belanden in de serre van het witte huis aan een met wit linnen bedekte tafel. Twee van de andere vijf tafeltjes zijn eveneens bezet door hotelgasten, maar er blijken ook mensen speciaal voor het eten naar Lunsingh te komen.

Niet ten onrechte. De bospaddestoelensoep is eenvoudig, zacht, romig, vol verse paddestoelen die, zoals Wyncko zelf vertelt, dus uit het familiebos komen. Als hoofdgerecht heb ik gekozen voor de reebiefstuk, blij dat ik niet in discussie hoef met tegenstanders van de jacht. De biefstuk is mals. Het mes glijdt er zo doorheen. Het sausje smaakt, zoals ik dat het lekkerst vind, niet teveel naar de vlierbessen die er doorheen zitten. Appelstrudel met vanilleijs maakt het diner af.

Vlak voordat we de volgende dag weer richting station Assen vertrekken, vertelt Richard ons dat het hotel tot het begin van het nieuwe jaar niet te klagen heeft over klandizie. Wij snappen dat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden