Nieuws

Overheid moet concretere doelen formuleren om te komen tot een circulaire economie

Vijf jaar na de lancering van het Rijksprogramma ‘Nederland Circulair in 2050’ ontbreekt het nog altijd aan een basis voor effectief beleid. Tot die conclusie komt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) woensdag.

Bij stichting Texperium in Haaksbergen wordt textiel gerecycled.  Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant
Bij stichting Texperium in Haaksbergen wordt textiel gerecycled.Beeld Raymond Rutting / de Volkskrant

Het PBL adviseert de overheid niet op basis van grondstoffen, maar op grond van productgroepen doelen te stellen die bijdragen aan het oplossen van de maatschappelijke vraagstukken. Bijvoorbeeld: de milieu-impact van de vleesproductie of die van autobrandstoffen moet in 2030 zijn gehalveerd. ‘Zo’n doel is helder en eenvoudig te communiceren’, zeggen de onderzoekers.

Het voordeel van sturen op eindproducten is ook dat de milieubelasting van de gehele productieketen wordt meegenomen. Met name energiegebruik en vervoer scoren slecht, omdat niet alleen bij de winning van fossiele grondstoffen, maar ook bij de verbranding voor het verwarmen van huizen (gas) of aandrijven van auto’s (benzine, diesel) weer CO2 vrijkomt.

Een economie die circulair draait, gaat in essentie efficiënter om met grondstoffen. Een op het oog weinig sexy thema, maar van cruciaal belang voor het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken. Zoals het tegengaan van klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en vervuiling van lucht, water en bodem. Ook maakt een circulaire economie Nederland minder afhankelijk van buitenlandse grondstoffenleveranciers.

Plastic uit olie

Het circulair maken van een economie draait over vier schijven: het verminderen van grondstoffengebruik, eindige materialen (plastic uit olie) vervangen door hernieuwbare (bijvoorbeeld bioplastic uit zetmeel van aardappelen), de levensduur van producten verlengen en afgedankte materialen hergebruiken.

Om wat te maken van de beoogde circulaire economie zou de overheid zichzelf volgens het PBL de vraag moeten stellen: op welke manieren draagt minder en efficiënter grondstoffengebruik bij aan de oplossing van de grote maatschappelijke vraagstukken? Vervolgens zou de vraag moeten zijn: hoe gaan we dit bereiken?

Om de overheid op weg te helpen, heeft het PBL in kaart gebracht welke materialen en productgroepen de grootste milieudruk hebben en waar dus de grootste winst valt te behalen. Bijvoorbeeld om het klimaatprobleem tegen te gaan.

Gemeten vanuit de eindverbruiker heeft - na energieverbruik voor verwarming en auto-aandrijving - woningbouw het grootste aandeel in de broeikasgasemissies. Dit komt door het gebruik van staal en in mindere mate beton. Vlees, zuivel en meubels hebben een minder relevante bijdrage aan de broeikasgasemissies, maar het PBL laat zien dat voedsel dan weer minder goed scoort op biodiversiteitverlies.

De klimaatbelasting van onder andere mobieltjes, wasmachines en ijskasten is ook beperkt. Met elektrische apparaten, maar ook machines, auto’s en zonnepanelen is nog wel iets anders aan de hand. Niet milieubelasting, maar leveringsrisico’s voor bepaalde grondstoffen uit het buitenland spelen hier een belangrijke rol. Zoals onder meer voor nikkel, kobalt en lithium.

Concurrentievermogen

De benodigde hoeveelheden hiervan zijn weliswaar gering, maar ze zijn ‘cruciaal voor het concurrentievermogen van de Nederlandse industrie’. Reden genoeg om er efficiënt mee om te springen.

Het verbaast Ad Lansink, oud-Kamerlid en deskundige op het gebied van circulaire economie, niet dat het in Nederland niet opschiet met ook maar een begin te maken aan efficiënt omgaan met grondstoffen. Het probleem begint volgens hem met de geformuleerde doelen, die ‘te fors’ en ‘te ver weg’ zijn.

‘Het is niet meer dan window dressing’, zegt Lansink. ‘Men roept iets stoers, maar treft geen maatregelen om het te halen.’ Hij wijst erop dat veel thema’s in het ‘spanningsveld tussen overheid en markt’ liggen. ‘De markt heeft de laatste decennia juist veel vrijheden gekregen. Die moeten nu weer worden ingeperkt. Dat kost veel moeite en wordt tegengewerkt.’

Lansink wijst op de eindeloze discussie rond statiegeld op kleine plastic flesjes, die tegen de zin van supermarkten dit jaar van kracht werd. En de importheffing op primaire grondstoffen, die er niet kwam. ‘Neem bijvoorbeeld zand’, zegt Lansink. ‘Omdat dit niet bij werd belast, zijn circulaire alternatieven nooit van de grond gekomen.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden