Ondernemer gedraagt zich als rentenier

De verdiensten van 'ons' poldermodel onttrekken zijn schaduwzijden aan het oog, betogen Kees Koedijk, Clemens Kool en Arjen van Witteloostuijn....

NEDERLAND verkeert in een hosannastemming. Deze keer hebben - bij wijze van uitzondering - de prestaties van het nationale voetbalelftal niets van doen met deze on-Nederlandse uitingen van zelfgenoegzaamheid. Het is de economische borst waarop wordt geklopt.

Het poldermodel steekt de Randstadtulp en de Edammer kaas naar de kroon. Het ene na het andere buitenlandse medium blaast de loftrompet over deze variant van het Rijnlandse model. Het vooraanstaande Britse weekblad The Economist is laaiend enthousiast, en de Duitse Bertelsmannstichting heeft het poldermodel een prijs toegekend van 300.000 D-Mark. Europese regeringsleiders kijken likkebaardend naar de Nederlandse economie.

Lage werkloosheid, solide sociale zekerheden, overschotten op de betalingsbalans, teruglopende overheidstekorten, verwaarloosbare inflatie en forse groei - kom daar maar eens om in nabije en ver weg gelegen buitenlanden.

Duitsland en Frankrijk modderen op hun tandvlees richting de EMU; Angelsaksische landen worden geconfronteerd met de schaduwzijden van het marktkapitalisme in de vorm van een toenemende tweedeling in de samenleving; en de Aziatische tijgers beginnen slijtageverschijnselen te vertonen. Geen wonder dat het paarse kabinet buitengewoon tevreden is met zichzelf. Enige bescheidenheid is echter op zijn plaats.

Met de euforie over de macro-economische successen wordt een rookgordijn gelegd over de schaduwzijden van het poldermodel. Natuurlijk moeten de successen worden gekoesterd. Wie is tegen teruglopende werkloosheid of lage inflatie? De adder onder het poldergras is echter de ongelijke verdeling van de nieuwe rijkdommen.

Bisschop Muskens heeft gelijk: de tweedeling in de Nederlandse samenleving verdient veel meer aandacht. Aan de ene kant worden steeds meer miljonairs nog rijker. Vijftig procent van het nationale vermogen is in handen van vijf procent van de bevolking.

Vooral binnen het Nederlandse bedrijfsleven lijken de bomen tot in de hemel te groeien. De recente commotie rond de excessieve beloningen van het Nederlandse topmanagement is in dit verband illustratief. Nog geen 1500 topmanagers kunnen na verzilvering van hun opties samen vier miljard koerswinsten opstrijken.

De andere kant van de medaille is echter dat miljoenen Nederlanders in de financiële marge van de samenleving verkeren omdat zij niets of weinig verdienen. De recente armoedeverkenning van het CBS/SCP heeft deze wrange werkelijkheid weer eens pregnant blootgelegd. Vanaf de jaren tachtig is de kloof tussen de sociale minima en de rest voortdurend toegenomen. Honderdduizenden landgenoten moeten een leefbaar bestaan zien op te bouwen met een jaarinkomen van 18.000 gulden of minder. Daar kan geen enkele aanpassing van de armoededefinitie iets aan veranderen.

En wat die teruglopende werkloosheid betreft: nog altijd staan ongeveer 2,5 miljoen Nederlanders langs de kant; nog altijd moeten ongeveer één miljoen landgenoten leven van een werkloosheids- of bijstandsuitkering; en nog altijd ontvangen circa anderhalf miljoen Nederlanders inkomsten vanwege de WAO, een ziekteregeling, de VUT of de AWW. Als al deze categorieën inactieven worden meegeteld, is de werkloosheid niet de officiële 6,3 procent van de beroepsbevolking, maar meer dan 20 procent. Zelfs de officiële participatiegraad in Nederland is slechts zestig procent. De veel geroemde polderbanenmachine is blijkbaar nog niet voldoende op toeren gekomen.

Daarnaast produceert deze machine vooral gemankeerde banen. Een groot deel van de groei van de werkgelegenheid is het gevolg van het scheppen van deeltijdbanen en flexibel werk. In een recent artikel in Economisch Statistische Berichten tonen Lei Delsen en Eelke de Jong aan dat 65 procent van de banengroei te vinden is in deeltijdwerk, terwijl 40 procent van de groei uit flexwerk bestaat.

De banengroei mag misschien tegenvallen, de winstontwikkeling in het Nederlandse bedrijfsleven doet dat zeker niet. Vooral in de jaren negentig, en in mindere mate in de jaren tachtig, is de winstpositie van Nederlandse ondernemingen sterk verbeterd.

In dit verband is de sterke toename van de geldhoeveelheid een teken aan de wand. De geldhoeveelheid wordt gemeten via de voorraden liquide middelen in handen van niet-geldscheppende instellingen in procenten van het netto nationale inkomen of bruto binnenlands product.

Gezinnen, bedrijven en financiële instellingen hebben grote hoeveelheden geld in kas en op de bank. In 1970 lag bijvoorbeeld deze quote nog onder de 30 procent van het netto nationale inkomen. Tijdens het voorlopige hoogtepunt in 1993 is dezelfde quote gestegen tot bijna 50 procent van het netto nationale inkomen.

Voor het Nederlandse bedrijfsleven lag de quote in dat jaar op ongeveer 25 procent van het netto nationale inkomen. Deze zelfde quote was slechts zo'n 12 procent in het begin van de jaren zeventig. In een periode van twintig jaren is het geldbezit van Nederlandse ondernemingen bijna verdubbeld.

Het beeld voor de gezinnen is heel anders. In de ruim twintig jaren die zijn verlopen sinds 1970, is nauwelijks wat veranderd: de quote van gezinnen schommelt voortdurend tussen de 12 en 15 procent van het netto nationale inkomen.

Aan geld is dus geen gebrek, maar de nieuwe overvloed is vooral terechtgekomen bij de Nederlandse bedrijven: sinds 1982 is ongeveer tweederde van de geldgroei in de schoot gevallen van ondernemend Nederland. Kortom: met het geldbezit van de Nederlandse private sector is weinig mis.

Opvallend is dat de gezinnen hiervan blijkbaar nauwelijks hebben kunnen profiteren. In de jaren zeventig was het geldbezit van gezinnen telkens ongeveer even groot als dat van de bedrijven. Vanaf het jaar 1981 is hierin snel verandering gekomen. De quote van het Nederlandse bedrijfsleven ligt in de jaren negentig jaar in jaar uit tussen de 8 en 10 procentpunten hoger dan dezelfde quote van de gezinnen.

De nieuwe rijkdommen zijn overduidelijk terechtgekomen bij de Nederlandse ondernemingen en - in mindere mate - de Nederlandse financiële instellingen. Het Hollandse poldermodel biedt een vruchtbare voedingsbodem voor florerende winstposities: de combinatie van volgehouden loonmatiging en lage inflatie is een goudmijn die bijna volledig wordt geëxploiteerd door het Nederlandse bedrijfsleven.

Wat doet het Nederlandse bedrijfsleven met de nieuwe rijkdommen? Natuurlijk is een deel van de enorme kasvoorraden bestemd voor normale betalingen. Voor tientallen miljarden is echter geen directe bestemming voorhanden. Aan de financiering van toenemende loonkosten worden ze in ieder geval niet besteed. Deze liquiditeiten vormen misschien een grote appel voor de dorst of een forse oorlogskas ten behoeve van toekomstige overnemingen.

Of worden de overwinsten nuttig geïnvesteerd in de bouw van nieuwe productielocaties, de verbetering van de productieprocessen, de start van nieuwe ondernemingen of de ontwikkeling van nieuwe producten? Helaas niet. Het verloop van de uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling wijst op het tegendeel. In 1987 besteedde het Nederlandse bedrijfsleven nog ter waarde van 1,33 procent van het bruto binnenlands product aan onderzoek en ontwikkeling.

In 1993 heeft de geleidelijke maar systematische daling van dit aandeel gezorgd voor een voorlopig dieptepunt op het niveau van 0,99 procent van het bruto binnenlands product. Omdat de overheid deze daling trouw heeft gevolgd, zijn de totale uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling ingezakt van het hoogtepunt van 2,28 procent in 1987 tot 1,89 procent in 1993. Hierbij loopt Nederland ver achter op andere Europese landen: in Duitsland ligt dit percentage in 1993 op 2,48, in Frankrijk op 2,41 en in het Verenigd Koninkrijk op 2,19.

De conclusie is onontkoombaar: de nieuwe rijkdommen worden nauwelijks aangewend ten behoeve van het scheppen van werkgelegenheid, de financiering van extra loonkosten of een ommekeer in de daling van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling. De grote ondernemingen worden slapend rijk. Innovatief en ondernemend gedrag is vaak ver te zoeken. Ze gedragen zich meer als renteniers dan als ondernemers.

Het is en vogue, en mogelijk ook ten dele terecht, om te beweren dat de mammoet-ondernemingen hun tijd hebben gehad. De toekomst is in handen van het midden- en kleinbedrijf. Ook in Nederland is het belang van de kleinschalige bedrijvigheid toegenomen. Het aantal bedrijven met minder dan 500 werknemers is gestegen van ruim 230 duizend in 1989 tot bijna 300 duizend in 1994. En dat is maar goed ook. Zonder deze toeneming zou de polderbanenmachine helemaal zijn vastgelopen.

Helaas verlopen de ontwikkelingen in het midden- en kleinbedrijf niet snel genoeg. In de recente studie van Luuk Klomp en Roy Thurik, met een ogenschijnlijk retorische vraag als titel - Kleine bedrijven als banenmotor? - wordt het populaire optimisme flink getemperd. Kleine bedrijven blijken niet of nauwelijks meer werkgelegenheid te scheppen dan grote ondernemingen. Daarvoor is de 'natuurlijke' turbulentie in het midden- en kleinbedrijf te groot. Wat de ene kleine onderneming aan banen creëert, wordt door de andere weer geschrapt; de ene nieuwe starter wordt geneutraliseerd door het andere faillissement.

De conclusie dringt zich op dat Nederland een schrijnend tekort heeft aan ondernemers. Grote bedrijven rusten op hun lauweren. Het midden- en kleinbedrijf is dynamischer, maar natuurlijk ook veel kwetsbaarder. Op het gebied van het stimuleren van het ondernemerschap heeft Nederland een blinde vlek. Hier moet veel en veel meer gebeuren.

Een belangrijke prioriteit voor het beleid moet het stimuleren van nieuwe initiatieven zijn, zeker ook in het licht van de lage arbeidsparticipatie in Nederland. Bestaande bedrijven moeten meer prikkels krijgen om te investeren in fysiek en menselijk kapitaal.

Een manier om dat te bewerkstelligen, is een betere corporate-governance structuur. Enerzijds moet de aandeelhouder meer zeggenschap krijgen over de aanwending van de winsten; anderzijds moet werknemersparticipatie worden bevorderd. Winstdelingen moeten niet langer tot een kleine bovenlaag worden beperkt. Structurele loonmatiging is alleen op langere termijn vol te houden wanneer in de breedte van de sterk stijgende winsten kan worden geprofiteerd.

Tevens is het broodnodig dat nutteloze regelgeving die mensen te veel in de weg zit, wordt herzien. Waarom zou het bijvoorbeeld niet mogelijk zijn dat werknemers boven een bepaalde leeftijd een gedeelte van hun winstdeling of hun pensioen opnemen om daarmee een eigen bedrijf te beginnen, of om te investeren in een startende onderneming van een slim neefje? Op dit moment is deze actieve aanwending van passieve vermogens door te veel regels helaas niet mogelijk.

Voor startende ondernemers is het vervolgens van belang dat de overheid veel meer doet aan begeleiding via een 'Operatie Ondernemerschap'. In Zweden worden momenteel interessante ervaringen opgedaan met zogenaamde Vernieuwingsonderneming-NV's. Hierbij worden levensvatbare projecten geselecteerd, en worden werklozen opgeleid tot ondernemers.

Crux van het succes is de zeer intensieve begeleiding. Docenten en begeleiders zijn ervaren managers die door externe omstandigheden werkloos zijn geworden. Ook in Nederland zou een dergelijke constructie kunnen werken en een enorme impuls voor het ondernemerschap, de arbeidsparticipatie en de investeringen in onderzoek en ontwikkeling kunnen betekenen. Daarmee is de duurzame groei van de Nederlandse economie gediend.

Kees Koedijk, Clemens Kool en Arjen van Witteloostuijn zijn hoogleraar economie aan de Universiteit Maastricht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden