OESO: ongelijkheid was nog nooit zo groot

Kloof groeit door opmars tijdelijke contracten

De ongelijkheid is in veel geïndustrialiseerde landen de afgelopen drie decennia op een recordniveau beland. De kloof tussen arm en rijk, die mede wordt veroorzaakt door de opmars van flexibele arbeid, is niet alleen sociaal schadelijk, maar belemmert ook de economische groei en moet dus worden aangepakt.

Arme wijk in Mexico-Stad. Mexico is een van de OESO-landen met de grootste inkomensongelijkheid. Beeld REUTERS

Dat stelt de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, in een donderdag in Parijs gepubliceerd rapport. Daaruit blijkt dat de rijkste 10 procent in de OESO-landen nu bijna tien keer zoveel verdient als de armste 10 procent. In de jaren tachtig was dat nog zeven keer zoveel, in het vorige decennium was het al opgelopen naar negen keer zoveel.

Bij de vermogens zijn de verschillen nog groter, stelt de OESO, wat de positie van de huishoudens met lagere inkomens er nog slechter op maakt. In de achttien onderzochte landen met vergelijkbare gegevens, waaronder Nederland, bezat de rijkste 10 procent bijna de helft van het vermogen. De armste 40 procent moet het doen met 3 procent.

Omslagpunt

'We hebben een omslagpunt bereikt. De ongelijkheid in OESO-landen staat op het hoogste punt sinds de metingen begonnen', zei de secretaris-generaal van de OESO Angel Gurria donderdag bij de presentatie van de studie In It Together: Why Less Inequality Benefits All. 'De feiten laten zien dat grote ongelijkheid slecht is voor de economische groei. Politieke actie is dus economisch net zo nodig als sociaal. Door niets te doen aan ongelijkheid tasten regeringen het sociale weefsel aan en schaden ze de economische groei op de lange termijn.'

De gestegen ongelijkheid heeft tussen 1990 en 2010 4,7 procent minder groei opgeleverd, heeft de OESO berekend. Dat zit vooral bij de armste 40 procent. Hun opleidingsniveau en vaardigheden blijven achter, waardoor potentieel onbenut blijft en hun kansen hogerop te komen afnemen.

De toename van deeltijdwerk, tijdelijke contracten en het aantal zelfstandigen heeft sterk bijgedragen aan de groeiende kloof, meldt de denktank verder. Tussen 1995 en 2013 viel meer dan de helft van de nieuwe banen in de OESO-landen in een van deze onzekere en vaak minder betaalde categorieën. Vooral laagopgeleide tijdelijke krachten hebben minder inkomen en zekerheid dan werknemers met een vast contract.

Jongeren

Jongeren worden extra getroffen: de helft van de tijdelijke krachten is jonger dan 30 en maakt weinig kans op een vaste baan. Regeringen moeten daar volgens de OESO wat aan doen. In Nederland moet de Wet werk en zekerheid de kloof tussen vast en flexibel verkleinen, al zijn er groeiende twijfels of dat gaat lukken.

De inkomensverschillen in Nederland zijn relatief klein, bevestigt het OESO-onderzoek: hier verdient de top 6,6 keer zo veel als de onderkant. De vermogensverschillen zijn juist groot: de rijkste 10 procent heeft 60 procent, de onderste 30 procent heeft vrijwel niets of vooral schulden. Bij de OESO-landen is de inkomensongelijkheid het grootst in Chili, Mexico, Turkije, de Verenigde Staten en Israël. Denemarken, Slovenië, Slowakije en Noorwegen kennen de minste ongelijkheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.