Niet langer heilig

Voor het eerst in lange tijd lijkt ook de kunstwereld niet te ontkomen aan forse bezuinigingen. De Tweede Kamer wil de sector niet langer ontzien....

Nee, er hing geen geur van angstzweet, dinsdagmiddag in het pas geopende Bijlmerparktheater in Amsterdam-Zuidoost. Kunsten ’92, de belangenvereniging van de kunstwereld, hield er een discussiebijeenkomst over wat de gemoederen de laatste tijd heeft beziggehouden: het systeem van peer review, de onderlinge beoordeling door collega’s. En over een mogelijke nieuwe opzet van het subsidiesysteem. Als laatste punten op de agenda: de gevolgen van de kredietcrisis, en het politieke klimaat en het draagvlak voor kunst en cultuur. Wat moet de strategie worden van de kunstwereld?

Maar voor het bespreken van de laatste twee punten schoot tijd tekort. Opmerkelijk, want voor het eerst in tientallen jaren lijkt zelfs de kunstwereld niet te gaan ontkomen aan bezuinigingen. Tot nu toe wist de gesubsidieerde kunstsector altijd via het ministerie van Cultuur of via de Tweede Kamer kortingen af te wenden of (deels) te repareren. Maar de houding van de Kamer is aanmerkelijk verhard. Tel daarbij de gevolgen van de crisis op – dalende sponsorinkomsten, minder verhuur en minder bedrijfsarrangementen, meer afwijzingen door particuliere fondsen – en er is alle reden voor de kunstwereld om flink zenuwachtig te worden.

Een paar weken terug nog leek het erop dat kunst en cultuur een uitzonderingspositie zouden behouden. Negentien werkgroepen werden een paar maanden geleden door het kabinet aan de slag gezet om te kijken waar de vele miljarden aan bezuinigingen vandaan moeten komen. De kunst- en cultuursector (900 miljoen euro in 2010) leek ervan uitgezonderd te worden. ‘Daar heb ik als een beest voor gevochten’, zei minister Plasterk eerder in de Volkskrant. Dat was ironiserend bedoeld, want naar hij zelf zegt is de complete lijst heroverwegingen op voorstel van de premier en de vicepremiers vastgesteld.

Kunsten ’92 vond het niet gepast triomfantelijk te reageren. Maar toen de vereniging vlak voor het debat over de cultuurbegroting in een brief aan de Kamer wel schreef verheugd te zijn over de uitzonderingspositie, bleek dat toch net iets te vroeg gejuicht. ‘Schaamteloos’, zei VVD-Kamerlid Han ten Broeke in de Kamer. ‘Op de vulkaan van de overheidsfinanciën dansen de lobbyisten van de cultuursector door alsof er niets aan de hand is.’

De VVD, jarenlang een belangrijk beschermheer van de gesubsidieerde kunsten, heeft zich tot scherp criticus ontpopt. Volgens Ten Broeke is de overheid nog steeds te dominant. Hij bepleit een grotere rol voor verzamelaars, mecenassen, sponsors, stichtingen en fondsen. Zoals in België, waar veel subsidies zijn vervangen door leningen met lage rentes, via publiek-private fondsen. Hij pleit voor een ‘Geefwet’, waarmee veel kapitaal kan worden vrijgemaakt voor de cultuursector. Dat de overheid door middel van subsidies doelgroepen naar bijvoorbeeld de concertzalen probeert te krijgen, vindt hij onzin. Gedrag moet je als overheid niet willen sturen.

Samen met PVV’er Martin Bosma diende Ten Broeke een motie in waarin minister Plasterk wordt opgeroepen alsnog te kijken of er op kunst bezuinigd kan worden. In de motie staat staat dat er ‘geen taboes mogen rusten op beleidsterreinen die in aanmerking komen voor de brede heroverwegingen’. Met steun van CDA, D66, SGP en Verdonk werd de motie aangenomen.

Het politieke klimaat is veel guurder geworden. De verwachte winst van de PVV (‘kunst is een linkse hobby’) werpt zijn schaduw vooruit. Bijna niemand wil er meer van beticht worden kunst belangrijker te vinden dan bijvoorbeeld kinderopvang. Want waarom zou je wel op andere maatschappelijke gebieden bezuinigen, en niet op kunst?

Dat is wel eens anders geweest. Sinds de jaren vijftig hebben Kamerleden vrij eensgezind het subsidiëren van kunst en cultuur gesteund. Geen politicus wilde als cultuurbarbaar worden gezien, en in besturen van kunstinstellingen namen steeds meer oud-politici zitting, die vervolgens hun partijgenoten belobbyden. Tijdens de vorige grote economische crisis, begin jaren tachtig, waren het vooral de ambtenaren die, in het belang van een bloeiend kunstleven, de cultuurbegroting buiten schot hielden.

Soms is het ook de elite die in het geweer komt. Toen in 2004 staatssecretaris Medy van der Laan 19 miljoen euro wilde bezuinigen, klommen onder anderen oud-premier Wim Kok, oud-minister van Cultuur Elco Brinkman, oud-minister Hans van Mierlo en voormalig ABN-Amro-topman Rijkman Groenink in de pen. In een brandbrief aan premier Balkenende vroegen ze het kabinet af te zien van de kortingen op kunst.

Het principe dat ‘iedereen moet lijden, dus ook de kunst’ verwierpen de briefschrijvers met: ‘Dat is een solidariteit in politiek en departementaal leed, waar het belang van de maatschappij aan ondergeschikt wordt gemaakt. En dat zou niet mogen.’ De korting werd uiteindelijk voor een groot deel ongedaan gemaakt.

Toenmalig columnist van de Volkskrant Ronald Plasterk sprak van een ‘rare’ brandbrief. ‘Juist om weg te blijven bij ingewikkelde discussies en populistische argumenten over het afwegen van abstracte schilderkunst tegen billen wassen van demente bejaarden is het heel wijs van de regering om gewoon de voorgestelde procentuele korting ook op kunst toe te passen. De briefschrijvers kunnen dat geringschattend ‘solidariteit’ noemen, maar wat is daar tegenwoordig mis mee?’, schreef Plasterk in 2004.

Het is de vraag of zo’n brief van hooggeplaatsten in het huidige politieke klimaat ook nog serieus zou worden genomen. ‘De vanzelfsprekendheid van de steun voor kunst is verdwenen’, zegt Marianne Versteegh, de secretaris van Kunsten ’92. ‘Het verwijt dat we alleen maar op subsidie leunen, wordt ons vaker gemaakt dan vroeger. Wat wij moeten doen, is de perceptie die er is corrigeren. Uiteindelijk wordt maar een klein deel van de kunstsector gesubsidieerd, als je het afzet tegen de niet-gesubsidieerde kunstuitingen, zoals popmuziek en de entertainmentsector. En in de schouwburgen maakt het gesubsidieerde aanbod maar 11 procent uit van het geheel. Daarbij kan het effect van een klein beetje subsidie soms gigantisch zijn. Het Nederlands Filmfestival bijvoorbeeld, krijgt maar 30 procent subsidie en is het grootste evenement van Nederland. Die 30 procent is wel de bestaansvoorwaarde.’

Versteegh vindt niet dat de kunstsector een uitzonderingspositie verdient, maar wel dat er te gemakzuchtig om bezuinigingen wordt geroepen. ‘Het gaat om een half procent van de begroting. Als je daar 20 procent vanaf haalt, heb je nog niets. En je maakt wel heel erg veel kapot. Het aanbod verschraalt, en wordt minder divers en vernieuwend.’

Kees Weeda, secretaris van de Raad voor Cultuur, het belangrijkste adviesorgaan van de regering op kunstgebied, wijst op de laboratoriumfunctie van kunst, die ‘belangrijk en kwetsbaar is’, en daarom moet worden beschermd. ‘Dat is de legitimeringsparadox. Ook al vindt niet de hele samenleving het belangrijk, in de kunst gebeuren wel belangrijke dingen, zelfs al zien we dat niet meteen. Dat moet worden gesteund.’ Maar, zegt hij, linksom of rechtsom gaat de gesubsidieerde sector geraakt worden. ‘Het kan best zijn dat het er stevig in gaat hakken. Laten we vooral kijken hoe je de combinatie van product en markt kunt verbeteren, en hoe je een efficiëntere bedrijfsvoering kunt bereiken.’

Maar de sector is te kwetsbaar, vindt Weeda, om er ‘de kaasschaaf overheen te halen’ door iedereen een gelijke percentuele korting op te leggen. ‘Het is voor kunst steeds moeilijker om in de grote toename van het vrijetijdsaanbod te concurreren. Terwijl kunst wel een grote bijdrage kan leveren aan begrip in onze samenleving. Het is een noodzaak om al die verschillende culturele identiteiten te behandelen.’ Of een nieuwe elitebrief uitgesloten is? ‘Ik weet niet of een beschaafde samenleving kunst en cultuur onder een PVV-regering zou laten vallen.’

Dat hoeft ook helemaal niet, vindt woordvoerder Bert Holvast van de Cultuurformatie. Maar kom dan niet meer aanzetten met de kunstsector als teer kasplantje, of, zoals PvdA-Kamerlid John Leerdam deed, als brenger van troost in donkere dagen. ‘Die heiligverklaring, daar moeten we eens vanaf’, vindt Holvast.

De Cultuurformatie is een strategisch samenwerkingsverband met ‘aandeelhouders’ als het Contactorgaan Nederlandse Orkesten, de Mondriaan Stichting en de Nederlandse Museumvereniging, maar ook het sectorinstituut voor amateurkunst en de kunstenvakbond FNV Kiem. ‘We zijn Observatorium 2010 begonnen, om een strategische agenda te ontwikkelen voor de kunstsector voor de komende tien jaar. We nemen het heft in eigen handen, we hangen niet steeds de kwetsbare zielepiet uit. Want dan zoek je zelf de hoek op waar de klappen vallen.’

Holvast zegt bijna beledigd te zijn dat aan kunst en cultuur geen werkgroep is gewijd. ‘Zijn we niet belangrijk genoeg om naar te kijken? Zelf laten we met het Observatorium zien dat het maatschappelijk rendement van cultuur groot is. We hoeven niet alleen meer aan te komen met de intrinsieke waarde van kunst, het argument dat kunst in zichzelf heel belangrijk is, en daarom gesteund moet worden. Kunst draagt bij aan leefbaarheid, als economische factor is ze van groot belang, als vestigingsfactor, als innovatieve kracht. Daar mogen we trots op zijn. Dan sta je veel sterker.’

De kunstsector heeft nog veel zendingswerk te verrichten. Uit een enquête van TNS NIPO, vlak voor Prinsjesdag, bleek dat 28 procent van de Nederlanders vindt dat er best bezuinigd mag worden op kunst en cultuur. De sector staat daarmee in de topvijf, samen met het koningshuis, ontwikkelingshulp, hulp bij wederopbouw en integratie van allochtonen en moslims.

Ronald Plasterk, inmiddels minister van Cultuur, reageerde gisteren per brief op de motie van de Tweede Kamer. Hij laat weten dat de cultuurbegroting niet alsnog wordt toegevoegd aan de brede heroverweging. Maar ook herhaalt hij nog eens wat het kabinet de Kamer op 4 november liet weten: ‘onderwerpen die niet aan de orde komen in de taakopdrachten van de brede heroverwegingen zijn niet gevrijwaard van ombuigingen’.

‘Ik heb nooit gezegd dat cultuur de dans ontspringt’, licht Plasterk toe. ‘Er zijn op negentien terreinen heroverwegingen. Dat bestrijkt 80 procent van de rijksbegroting. Wat er ook buiten valt zijn bijvoorbeeld rechtspraak, sport, jeugd- en regionaal beleid. Je kunt niet alles overhoop halen.’

Net als de columnist Plasterk vindt ook de minister Plasterk dat kunst en cultuur geen speciale uitzonderingspositie verdienen. ‘Ja, de kunsten brengen schoonheid, maar andere zaken brengen gezondheid. Als er moet worden bezuinigd, moet je keuzes maken, maar als er extra geld is, moet je ook afwegen waar je dat aan besteedt. Aan bijvoorbeeld veiligheid, gezondheid of schoonheid. Gelukkig zit in cultuur meer dan schoonheid alleen.’

Heerst er in Den Haag nog de stilte voor de storm, in de rest van het land begint het al danig hard te waaien. Van het totale bedrag aan kunst- en cultuursubsidies neemt het rijk eenderde voor zijn rekening, en de lagere overheden tweederde. Door de grote kortingen op het gemeentefonds (het geld dat de gemeenten van het rijk krijgen) moeten ze fors bezuinigen.

Dat geldt ook voor de provincies. Zo stuurt Noord-Holland nu al brieven aan (kunst-)instellingen dat zij er rekening mee moeten houden dat ze vanaf 2011 minder of zelfs geen subsidie meer krijgen. Wees voorzichtig met het aangaan van langetermijnverplichtingen, luidt de waarschuwing. Het zou een voorbode kunnen zijn van wat er landelijk gaat gebeuren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden