ColumnKoen Haegens

Niet ieder bedrijf is een aanwinst voor de Nederlandse economie

null Beeld

Elke keer als ik over de A73 naar mijn geboortegrond in Noord-Limburg rijd, zie ik minder weilanden langs de snelweg. Ze zijn overgenomen door gigantische blokkendozen. Sinds 2013 hebben supermarkten, internetwinkels en modeketens al meer dan honderd ‘distributiecentra XXL’ gebouwd, vooral tussen Rotterdam en Venlo. Van daaruit wordt de Europese markt bediend. De muur van vrachtwagens op de rechterrijstrook krijgen we er gratis en voor niets bij.

In de regionale krant lees ik over enthousiaste wethouders die wijzen op de ‘honderden’ vacatures die hierdoor ontstaan. Bij mij roept het vooral vragen op. Gaat het om fatsoenlijk betaalde banen waar vraag naar is? Of zijn de arbeidsvoorwaarden, net als in de slachthuizen, zo beroerd dat de werkgever op zoek moet naar Oost-Europese arbeiders om uit te buiten? Is het trouwens, zoals het College van Rijksadviseurs en het Planbureau voor de Leefomgeving suggereerden, niet verstandiger de schaarse grond te gebruiken voor huizen, natuur of bedrijven met meer toegevoegde waarde? En vooral: wanneer is eigenlijk het besluit genomen om van de grensstreek één groot pakhuis te maken?

Het antwoord lijkt simpel: ‘Nooit’. Sinds de mislukte redding van scheepsbouwer RSV begin jaren tachtig zeggen regeringen niet meer aan industriepolitiek te doen. Maar dat is schijn. Nederland is nog altijd een verzorgingsstaat voor bedrijven. Het wemelt van de subsidiepotten, rulings van de Belastingdienst, provinciale lokkertjes en nu weer de Baangerelateerde Investeringskorting van 4 miljard euro. Plus de gunstige btw-regeling die ervoor zorgt dat al die distributiecentra aan de Nederlandse kant van de grens staan.

Er is zelfs zoiets als een topsectoren- en een mainportbeleid. Het verschil met vroeger is dat over zulke mantra's amper democratische discussie mogelijk lijkt. Maar niet kiezen is ook een keuze. Dan wordt de economie vormgegeven door belangenorganisaties en met elkaar concurrerende decentrale overheden.

Zo kan het gebeuren dat je op een dag wakker wordt in een land waar schijnbaar uit het niets 189 datacentra zijn verrezen. De grootste computerstal van Europa komt in Zeewolde en vreet stroom voor 200 duizend huishoudens. Of, een heel ander voorbeeld, Amsterdam dat plotseling het financiële handelscentrum van Europa is. Klinkt prachtig. Maar zit de nu al onbetaalbare hoofdstad echt te wachten op nog meer risicovolle bedrijfjes, waarvan de schaarse banen grotendeels worden ingevuld door expats?

Heel langzaam begint er iets te kantelen. Zelfs het verkiezingsprogramma van de VVD pleitte voor een overheid die duidelijke economische keuzen maakt en actief investeert in ‘sleuteltechnologieën’. Waarop toch weer de oude leuzen worden gerecycled. ‘Aantrekken van buitenlandse bedrijven en hun hoofdkantoren’, moet een prioriteit zijn. En: ‘Voorkomen dat (grote) bedrijven vertrekken naar het buitenland door het versterken van ons vestigingsklimaat.’

Wil Nederland echt een innovatieve, duurzame én sociale kenniseconomie zijn, dan moet het de lat hoger durven leggen. Dat betekent ook inzien dat niet elke baan erbij een rondedansje verdient. Niet ieder bedrijf is een aanwinst. Lang leve de minister die straks durft te zeggen: nee dank u, wij hebben andere prioriteiten. Probeert u het verderop in Europa nog maar eens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden