Niemand weet waarom de euro er is

NIEMAND VERTELDE André Szász ooit waarom de euro er moest komen. Als directeur van De Nederlandsche Bank onderhandelde hij over de gemeenschappelijke Europese munt, maar antwoord op de 'waarom-vraag' kreeg hij nooit....

Ferry Haan

De bankier heeft zich daar altijd over verbaasd, maar moest zwijgen. Nu hij met pensioen is, is Szász vrij om te spreken. Hij benut zijn tijd om uit de school te klappen in zijn boek The Road to European Monetary Union. Dit zeer toegankelijk geschreven boek over de geschiedenis van de euro gunt ook de leek een kijkje in de keuken. Helaas zal die zich wel twee keer bedenken voordat hij het boek aanschaft, want de uitgever vraagt 160 gulden voor een exemplaar.

Voor dit kapitaal krijgt de lezer een goed inzicht in het grootste monetaire project van de eeuw: de euro. Het antwoord op de 'waarom de euro'-vraag is uiteindelijk simpel. Franse en Duitse politici wilden de euro. Daarom. Economisch is het project nooit te rechtvaardigen geweest.

Szász zet de toon in zijn boek door meteen 'zwarte woensdag' in herinnering te roepen. Zwarte woensdag geldt als het absolute dieptepunt in de Europese monetaire verhoudingen. Op die bewuste woensdag in september 1992 moest de Britse regering na een zware speculatieve aanval het Britse pond uit het Europese Wisselkoers Mechanisme halen. De Amerikaans-Hongaarse speculant George Soros verdiende op die dag in één klap twee miljard gulden.

Szász maakte op dat moment deel uit van het Monetaire Comité van de Europese Unie en moest samen met zijn collega's de rotzooi opruimen die Europese politici hadden gemaakt. Szász houdt vooral Margareth Thatcher, de toenmalige Engelse premier, verantwoordelijk voor de Europese crisis.

Duitse en Franse monetaire autoriteiten voorkwamen met valuta-interventies van vele tientallen miljarden guldens en een aanzienlijke versoepeling van de regels binnen het Europees Monetair Systeem dat ook de Franse franc het Europese schip moest verlaten. Deze oplossing betekende de redding voor de Europese Monetaire Unie.

Het is een klein wonder dat slechts zeven jaar na 'zwarte woensdag' de euro toch het levenslicht zag. Frankrijk en Duitsland bleven werken aan hun gezamenlijke project. Szász maakt duidelijk dat zij de twee hoofdrolspelers zijn bij de totstandkoming van de euro. De andere Europese landen, inclusief Nederland, zijn slechts figuranten.

De euro is het product van een verstandshuwelijk tussen Frankrijk en Duitsland. Het motief van Franse politici als Mitterrand, Giscard d'Estaing, Chirac, Baladur en Delors voor de euro was simpel. Zij wilden meer invloed uitoefenen op het Europese monetaire beleid. De afgelopen decennia maakte de Duitse Bundesbank feitelijk de dienst uit in Europa. Frankrijk moest het Duitse beleid, net als Nederland, ondergaan en daar had het land moeite mee.

De positie van Duitsland was gecompliceerder. De Duitsers konden door hun eigen monetaire beleid over te dragen aan een Europese Centrale Bank, alleen maar verliezen. De Duitse bondskanseliers Willy Brandt, Helmut Schmidt en Helmut Kohl bleken bereid om onder voorwaarden monetaire zeggenschap op te geven in ruil voor politieke steun voor specifieke Duitse wensen.

De euro kwam iedere keer dichterbij op momenten dat Duitsland Frankrijk nodig had. Dat gold voor de Ostpolitik van Willy Brandt tot aan de Duitse hereniging in 1989 onder Helmut Kohl.

Polititieke ontwikkelingen alleen geven volgens Szász onvoldoende antwoord op de 'waarom-vraag'. Personen blijken minstens zo belangrijk. De belangrijkste is misschien wel de Fransman Jacques Delors. De visionaire voorzitter van de Europese Commissie geloofde heilig in de gemeenschappelijke munt en bezat bovendien genoeg politiek vernuft om die ook mogelijk te maken.

Eind jaren tachtig kwam onder zijn leiding het Delors-rapport tot stand. Hierin spraken alle Europese centrale banken unaniem hun steun uit voor de Economische en Monetaire Unie (EMU) en de euro.

Szász bewondert dit staaltje vakwerk. Hij tekent op dat Delors zijn energie vooral richtte op het bereiken van eensgezindheid. Unanieme steun voor het rapport was uiterst belangrijk, omdat hij zich realiseerde dat alleen die het noodzakelijke politieke momentum zou creëren voor de euro.

De sceptische centrale bankiers in Duitsland en Nederland, maar ook politici in Groot-Brittanië werden knap zenuwachtig van Delors. Zij maakten zich zorgen over de hardheid van het belangrijkste offer dat Delors bracht: de toekomstige Europese Centrale Bank (ECB) zou volkomen zelfstandig worden, net als de Duitse Bundesbank. Bovendien moest het beleid van de bank gericht zijn op prijsstabiliteit en nergens anders op.

Szász klapt uit de school over de kwetsbaarheid van centrale bankiers voor politieke druk. In het hoofdstuk over de gulden tekent hij op hoe toenmalig DNB-president Wim Duisenberg begin jaren tachtig bezweek onder de grote politieke druk die premier Lubbers toen op hem uitoefende.

Voor de Fransen is dit precies de ratio achter de euro. Het is hun juist om politieke invloed te doen. Bovendien wilden de Fransen het Duitse model helemaal niet. Edith Cresson, de veelbesproken Franse ex-Europese commissaris en oud-minister van Europese Zaken, zei: 'Het Bundesbank-model is door de overwinnaar, de Verenigde Staten, opgelegd aan de verliezer van de Tweede Wereldoorlog. Dat kan geen reden zijn voor Europa om hetzelfde model te accepteren.' Onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB) was echter voor de Duitsers onontbeerlijk.

De val van de Muur gaf de euro het laatste noodzakeljke duwtje. Frankrijk (Mitterand) gaf zijn aanvankelijke verzet tegen de Duitse hereniging op en Duitsland werkte mee aan de euro. Het Delors-rapport en de hereniging vormden de pijlers waarop in 1991 het Verdrag van Maastricht kon worden gebouwd.

Dit verdrag leek de monetaire unie perfect te regelen. Maar toch is Szász niet helemaal gerust op de toekomst. Minder dan een jaar na Maastricht beweerde de Franse president Mitterrand dat 'onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank helemaal niet in het verdrag was opgenomen'. Een andere Fransman beweerde zonder blikken of blozen dat politici voortaan de koers bepalen van de euro ten opzichte van de dollar.

In het Verdrag van Maastricht blijkt een aantal zaken toch niet zo waterdicht te zijn geregeld als aanvankelijk werd gedacht. Het heetste hangijzer is de vraag wie verantwoordelijk is voor de koers van de euro ten opzichte van bijvoorbeeld de dollar. Het verdragsartikel hierover is erg onduidelijk.

Oskar Lafontaine, de onlangs afgetreden Duitse minister van Financiën, benutte precies deze zwakke plek in het verdrag en bepleitte politiek bepaalde 'doelzones' voor de koers van de euro ten opzichte van de dollar. Na zijn vertrek zijn de verhoudingen in Europa weer 'klassiek'. Frankrijk ontpopt zich opnieuw als de grootste luis in de pels van de Europese Centrale Bank.

De laatste grote zorg van Szász over de euro betreft de afwezigheid van een economische unie in Europa. Centrale bankiers hebben altijd gezegd dat een monetaire unie in Europa niet mogelijk is zonder een economische unie. Het enige dat Europa nu heeft, is het Stabiliteitspact. Dit noemt Szász een afspraak waarvan niet zeker is of de lidstaten zich er werkelijk aan zullen houden.

In zijn boek bespreekt Szász het 'hoe' en 'waarom' van de euro. De grote vraag die hij niet kan beantwoorden en dus overlaat aan de toekomst is: 'Kan het eigelijk wel, die euro?' Nergens ter wereld bestaat tenslotte een monetaire unie, zonder politieke unie. En een politieke unie is in Europa nog ver weg. Tussen de regels door blijkt dan ook dat de ex-directeur van De Nederlandsche Bank niet met een gerust hart naar de toekomst kijkt.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden