Analyse Ontwikkelingshulp

Moeten westerse zadenbedrijven meer doen in ontwikkelingslanden of juist niet?

Moeten westerse zadenbedrijven zich meer bemoeien met de voedselproductie in ontwikkelingslanden? Of drukken ze juist al te veel een stempel? ‘Ze bedreigen onze zeggenschap over ons zaaigoed.’

In het laboratorium van Rijk Zwaan wordt onderzocht welke tomatenplantjes het beter doen in warmere grond. Beeld Jiri Buller

De grootste zadenbedrijven van de wereld spelen met hun landbouwgewassen steeds meer in op gezondheid en veranderende klimaatomstandigheden. Maar ze weten de boeren die dergelijke zaden het hardst nodig hebben amper te bereiken. Slechts 10 procent van de ruim 500 miljoen kleine boeren – in met name ontwikkelingslanden – hebben toegang tot hun professioneel veredelde zaden.

Dit blijkt uit de tweede Access to Seeds Index, die maandag – drie jaar na de eerste – verschijnt. Het onderzoek naar de toegankelijkheid van zaden voor kleine boeren wordt betaald door het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Bill & Melinda Gates Foundation. Zij zien toegang tot gewaszaden van hoge kwaliteit als een belangrijke oplossing voor de voedselproblemen in met name grote delen van Afrika, Zuidoost-Azië en een aantal landen in Zuid-Amerika.

De combinatie goede zaden en kleine boeren die hun opbrengsten verhogen, daar zijn weinigen op tegen. Maar de boodschap van de Access to Seeds Index – dat reuzen als Bayer-Monsanto, Syngenta en ook een aantal kleinere Nederlandse zadenveredelaars hierin een sleutelrol moeten spelen – is omstreden.

Dicteren

‘Doorbreek de macht van grote zaaigoedbedrijven!’, luidt de huidige campagne van ontwikkelingsorganisatie Hivos. ‘Lokale gewassen verdwijnen doordat grote bedrijven boeren dicteren bepaalde zaden te gebruiken.’

Elizabeth Mpofu, de Zimbabwaanse voorzitter van La Via Campesina, een internationale boerenorganisatie met 200 miljoen leden, is het daarmee eens en richt de kritiek op de Access to Seeds Index. ‘Die bevordert een zadensysteem dat geleid wordt door bedrijven in plaats van door boeren’, zegt ze. ‘Dit bedreigt onze zeggenschap over ons zaaigoed. Wat boeren willen telen zijn diverse gewassen, die passen in hun cultuur, hun klimaat en die bovendien de biodiversiteit vergroten. Zadenbedrijven zijn meer geneigd zaden te veredelen die voor de export zijn bestemd en rendement opleveren.’

Het veredelingslaboratorium van Rijk Zwaan in De Lier. Beeld Jiri Buller

Boeren in ontwikkelingslanden veredelen al duizenden jaren hun eigen zaden. In ieder dorp is wel iemand die goed is in het kruisen van sterke rassen in de hoop dat er een nog betere variant ontstaat. In de westerse wereld gebeurt dit op veel grotere schaal en in professionele laboratoria, zoals ook bij de Nederlandse veredelaars Rijk Zwaan, Bejo en Enza Zaden.

Lange tijd lag de focus van de internationale bedrijven op gewassen voor de Europese en Noord-Amerikaanse markt, omdat daar meer geld te verdienen valt. Is het inderdaad kwalijk als zij zich steeds meer richten op kleine boeren in bijvoorbeeld Afrika?

Megafusies

Het hoeft niet slecht te zijn, maar dit is het nu vaak wel, zegt zadenexpert van Oxfam Novib Gigi Manicad. De patenten die de meeste veredelaars aanvragen op hun zaden zijn volgens haar een groot probleem voor voedselzekerheid, omdat het de zaden duur maakt en boeren en andere zadenbedrijven toestemming nodig hebben om ze verder te veredelen. ‘Wij zijn tegen patenten op een basisbehoefte als voedsel en al helemaal als ze ook nog rusten op zaden die zijn ontstaan uit het kruisen van inheemse rassen.’ 

Het is een voorbeeld van de macht van de multinationals. Ze mogen dan vooralsnog maar een beperkte groep kleine boeren bereiken, het baart Manicad zorgen dat door megafusies van Dow met DuPont Pioneer, Chem China met Syngenta en Bayer met Monsanto nu drie bedrijven 60 procent van de zadenmarkt in handen hebben. Manicad, die namens Oxfam lid is van het expertpanel van de Access to Seeds Index, ziet de ranglijst vooral als een belangrijk document om de discussie aan te gaan over wat wenselijk is in de wereld van zaden. 

Het door de Nederlander Simon Groot opgerichte Thaise bedrijf East-West Seed voert net als drie jaar geleden de lijst aan van internationale veredelaars die hun weg kennen naar kleine boeren, 95 procent van hun klantenbestand. Ze werken nauw met ze samen om lokale gewassen te verbeteren en steken veel tijd in trainingen. Hun zaden worden bovendien verkocht in kleine, betaalbare hoeveelheden.

Het Thaise bedrijf laat volgens Ido Verhagen van de Access to Seeds Index Foundation zien dat het kan lonen als veredelaars zich expliciet richten op kleine boeren. Hij gebruikt het voorbeeld ook om de kritiek te pareren op hun pleidooi westerse bedrijvigheid in ontwikkelingslanden te vergroten. ‘De vraag is volgens mij niet of bedrijven dan wel boeren moeten veredelen. Het moet allebei en East-West laat zien dat dit kan werken.’

Verhagen voelt zich gesteund door de ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (VN). ‘De VN zijn in tijden van klimaatverandering tot de conclusie gekomen dat boeren meer nodig hebben dan hun eigen traditionele zaden en betere toegang moeten krijgen tot nieuwe variëteiten.’

Het laboratorium van Rijk Zwaan in De Lier. Beeld Jiri Buller

80 procent

Naast de 10 procent van de kleine boeren die worden bereikt door de internationale bedrijven, koopt een vergelijkbaar deel zaden bij regionale veredelingsbedrijven. Dit betekent dat 80 procent van 500 miljoen kleine boeren nog altijd enkel en alleen de eigen – doorgaans minder productieve – traditionele zaden gebruikt. Met name in West- en Centraal-Afrika is het volgens Verhagen een groot probleem dat de armste boeren niet worden bereikt.

Rijk Zwaan, het grootste Nederlandse veredelingsbedrijf, vindt het niet zijn rol deze ‘informele zaadsector van zaden te voorzien’ en herkent zich niet in de kritiek van Hivos dat zij boeren dicteren wat te gebruiken. ‘Op het moment dat het begint te professionaliseren, kunnen wij helpen’, zegt een woordvoerder. Rijk Zwaan deed dit door als eerste Nederlandse bedrijf een veredelingsstation in Afrika te openen om lokale rassen te veredelen. 

Een goede zaak vinden Verhagen en Manicad de investering van Rijk Zwaan in Tanzania. ‘Maar het betrekken van boeren moet meer zijn dan één programma’, zegt Manicad van Oxfam. ‘Dit moet standaard praktijk worden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.