Dat gemeenten tijdens de crisis minder scheutig waren met sportsubsidies speelt een rol, hoewel de bezuinigingen op sport meevielen in vergelijking met andere sectoren.
Dat gemeenten tijdens de crisis minder scheutig waren met sportsubsidies speelt een rol, hoewel de bezuinigingen op sport meevielen in vergelijking met andere sectoren. © Marcel van den Bergh/de Volkskrant

Lonen in Nederland stijgen al jaren amper - vooral fitnessinstructeurs en zwemleraren zijn de dupe

Fitnessinstructeurs, zwemleraren en andere werknemers in de sector 'sport en recreatie' hebben sinds de eeuwwisseling een vijfde van hun koopkracht zien verdampen. Daarmee zijn de 76 duizend Nederlanders in deze bedrijfstak de grote verliezers van de door stagnerende lonen geplaagde 21ste eeuw. Dat blijkt uit een analyse van CBS-cijfers.

De grote winnaars waren bouwers van schepen, vliegtuigen, treinen en andere voertuigen. Qua koopkracht gingen de 17 duizend Nederlanders in deze industrie er sinds 2000 ruim 34 procent op vooruit.

De Nederlandse economie groeit dit jaar naar verwachting met 3,3 procent, maar dat vertaalt zich vooralsnog niet in navenante loonstijgingen. Dat is al jaren zo: de salarissen lopen structureel achter bij de economische groei.

Van elke 100 Nederlanders met een baan werken er bijna 97 in een sector waar de lonen de afgelopen zestien jaar trager stegen dan de economie, blijkt uit de cijfers. Sinds de eeuwwisseling groeide ons reële bbp gemiddeld 1,3 procent per jaar. Bijna 19 op de 100 Nederlanders werken in een sector waar de gemiddelde koopkracht vorig jaar slechter was dan in 2000.

Tekst gaat verder onder de grafiek.

Debet aan de stagnerende lonen is onder andere de productiviteit van onze economie

Debet aan de stagnerende lonen is onder andere de productiviteit van onze economie, die de laatste decennia almaar trager is gaan groeien. Ook flexibilisering en de afgebrokkelde macht van de vakbonden spelen mee, net als de zogeheten 'financialisering', oftewel de trend dat steeds meer geld uit de westerse economieën richting de financiële sector vloeit.

Ondanks de kredietcrisis zagen bankiers hun reële lonen sinds 2000 met 20 procent stijgen. Spekkoper waren ze daarmee evenwel niet: onder meer farmaceuten, elektrotechneuten en telecommers zagen hun koopkracht sneller stijgen. Het meest verdienden de 9 duizend Nederlanders die aardolie en gas winnen - gemiddeld 48,40 euro per uur - gevolgd door verwerkers van aardolie (47,10 euro) en bankiers (45,40 euro).

Tekst gaat verder onder de grafiek.

De vervanging van betaalde krachten door vrijwilligers drukt de lonen

Over de vraag waarom juist werknemers in de sector sport en recreatie zoveel koopkracht zijn verloren, tasten NOC*NSF, het Mulier Instituut en andere sportorganisaties in het duister. Dat gemeenten tijdens de crisis minder scheutig waren met sportsubsidies speelt een rol, hoewel de bezuinigingen op sport meevielen in vergelijking met andere sectoren.

Ook de vervanging van betaalde krachten door vrijwilligers drukt de lonen, hoewel dit geen nieuw fenomeen is in een sector die van oudsher drijft op vrijwilligers. De populaire fitnessbranche is een geval apart: de tienduizend werknemers in deze sector zijn de dupe van de onstuimige concurrentiestrijd tussen sportscholen, en van het nog altijd ontbreken van een cao.

De 390 duizend Nederlanders in de horeca waren niet veel beter af. Sinds de eeuwwisseling daalde hun koopkracht met ruim 9 procent. Bovendien verdienen zij het minst van alle beroepsgroepen: vorig jaar gemiddeld 14,60 euro per uur.