Leven van de kernenergie

Het Franse schiereiland Cotentin heeft de hoogste nucleaire dichtheid van Europa. Kernenergie lijkt er onomstreden.

Terwijl de limousines van eerste minister François Fillon en Henri Proglio, de pasbenoemde directeur van EDF, de hoofdingang van de kerncentrale van Flamanville passeren, openen een paar kilometer verderop wat grijze figuren hun kofferbak. Er komen spandoeken en gele vlaggen tevoorschijn: ‘Stop met de kerncentrales, leve de duurzame energie.’

Golven slaan over de kademuren van het haventje van Diélette, de vlaggen staan strak in de storm. De asfaltweg langs de zee is verderop afgezet door tientallen agenten. De demonstranten, veertien in getal, blijven op eerbiedige afstand.

‘We hoorden pas gisteravond van dit bezoek. Als een dief in de nacht zijn ze gekomen. Daarom is de opkomst klein. Maar het gaat om het symbool’, schreeuwt Didier Anger (70) tegen de wind in. Hij is voormalig europarlementariër voor de Groenen en aanvoerder van het groepje: Crilan, regionaal comité tegen kernenergie.

Waarom Fillon komt? Voor Anger is het simpel. ‘Hij wil vlak voor Kopenhagen reclame maken voor de EPR, de derde generatie kerncentrales. Frankrijk wil ze exporteren. De nieuwe centrale in Flamanville is een dure etalage, energiebehoefte is er niet.’

Hij wijst op een kleine steen naast de weg, waarin het universele teken voor kernenergie is gegraveerd boven de tekst: Voor de onbekende slachtoffers. ‘De prefect had het laten weghalen. Ze willen geen protesten hier. Maar de rechter gaf ons gelijk. In de zomer is hij teruggeplaatst.’

De twee centrales van Flamanville – de klassieke uit de jaren tachtig en de nieuwe die in 2013 moet gaan draaien – worden door krijtrotsen aan het zicht onttrokken. Wel is aan de overkant van het water als een stad van de toekomst dat andere nucleaire complex zichtbaar: de fabriek van Areva bij La Hague, waar kernafval uit heel Frankrijk maar ook uit Nederland wordt herbewerkt, en waar ook een opslag is voor radioactief afval dat niet bewerkt kan worden.

De Cotentin is de uitloper van Normandië die als een vinger naar Engeland wijst. Een weelderig landschap met bosschages dat zich vanaf ruige rotsen pardoes in zee lijkt te willen storten. Veel dorpjes hebben een camping, er zijn hotels aan zee. Tegelijk is het de streek met de hoogste nucleaire dichtheid van Europa.

‘Ik weet niet beter’, zegt uitbater Renouvin van Hôtel du Phare in Dielette. ‘Elke familie heeft wel iemand die bij Areva of EDF werkt. De hele streek eet ervan.’

De bouwvakkers voor de nieuwe centrale houden bij hem de malaise in de horeca buiten de deur. ‘Dit hotel was seizoenswerk. Maar sinds de EPR ben ik het jaar rond volgeboekt.’

Generaal De Gaulle dicteerde dat Frankrijk, dat geen olie- of gasvoorraden van betekenis heeft, voor kernenergie moest kiezen. Het land groeide uit tot wereldkampioen; nucleaire kennis is een van de grootste exportproducten. Telkens als president Sarkozy naar het buitenland gaat, heeft hij de leiding van Areva en EDF in zijn kielzog.

Kernenergie is niet omstreden, zo lijkt het. Er is een nationale toezichthouder, de ASN, die eventuele incidenten controleert en waardeert, op een schaal van 0 tot 7. Dan kan het gaan om een niet geregistreerde hoeveelheid plutonium, gevonden bij de ontmanteling van de fabriek van Cadarache. Of om herhaaldelijke verontreiniging bij de centrale van Tricastin. De ophef over dergelijke affaires ebt doorgaans snel weg.

Bioscoop Palace in Eqeuerdreville, een voorstadje van Cherbourg in de Cotentin, zit vol als de documentaire Au pays du nucleaire (In het land van de kernenergie) van Esther Hoffenberg wordt vertoond. Opgewekt maar grondig laat de film zien hoe in deze regio kernenergie verweven is met het dagelijks leven. Vooral over de veiligheid van de opslag van kernafval bij La Hague is de film kritisch.

Het debat na afloop ontploft als een dame opstaat die zich bekendmaakt als woordvoerster van Areva en wil getuigen van haar geloof in die onderneming. ‘Laat haar toch zwijgen’, klinkt het van achteruit de zaal. ‘Ze wordt betaald om hier verhaaltjes op te hangen.’

Veel filmbezoekers zeggen te zijn gekomen om zich een mening te vormen. Meest indringend is de getuigenis van ingenieur Christian Kernaonet, voormalig chef opslag kernafval bij Areva. ‘Zeker in de beginjaren wisten we niet wat we deden’, verklaart hij geëmotioneerd. ‘Het werk dat we leverden tussen 1968 en ’75 had de kwaliteit van een 2CV. We gebruikten geen beton, geen cement, geen platforms om het afval af te dekken. Pas later is de kwaliteit naar het niveau van een Mercedes gegaan. Ik schaam me voor wat ik gedaan heb, en voor het feit dat ik daar mijn elf kleinkinderen mee opzadel.’

Terwijl de zaal leegstroomt, wil de Areva-dame, Maryline Breton is haar naam, graag doorpraten over kernafval. ‘Na veertig jaar productie van kernenergie is het terrein voor afval niet groter dan een voetbalveld. Per Fransman wordt honderd gram afval per jaar geproduceerd. Wat wij doen is tijdelijke opslag. We werken aan een technologie om ook dat afval veilig te verwerken.’

In een gebouwtje op het terrein van een autogarage even buiten Caen is het hoofdkantoor van de Acro, een regionale burgerorganisatie. ‘Opgericht in 1986, als kind van Tsjernobyl’, vertelt voorzitter David Boilley. Zijn organisatie controleert op radioactiviteit in de buurt van centrales, geeft voorlichting en neemt deel aan lokaal overleg. Er werken vier mensen in vaste dienst, daarnaast zijn er veel vrijwilligers.

‘We werken niet direct voor de industrie, maar blijven, anders dan Greenpeace, in gesprek’, zegt Boilley bedachtzaam. ‘Ik ben niet per se tegen kernenergie. We zijn kritisch, dat wel. Met name vanwege twee risico’s. De kans op een ongeluk is klein, maar gebeurt het, dan zijn de gevolgen verschrikkelijk. Het tweede risico is het afval. Daar is nog geen oplossing voor. De radioactiviteit van tritium bij La Hague zou in 12,5 jaar moeten afnemen. Dat zien we niet gebeuren. Dan heb ik twijfel over de kwaliteit van de opslag.’ Vanwege het afval wil Boilley kernenergie niet tot de ecologische energiebronnen rekenen.

Dertig jaar geleden volgde Patrick Fauchon zijn vrouw naar Flamanville, die daar onderwijzeres werd. Sinds 1983 is hij er burgemeester. Hij werkt bij Areva; veel burgemeesters in de streek werken daar of bij EDF.

Een lastige combinatie? ‘Ik heb het voordeel dat ik weet waarover ik praat. 20 procent van de mensen werkt in de kernenergie. Het zou erg zijn als we werden buitengesloten van politieke functies. Een boer mag ook burgemeester worden van een plattelandsgemeente.’

Dat voor de eerste EPR-centrale op Franse bodem Flamanville werd gekozen, is mede te danken aan de lobby van Fauchon. Er waren veel kapers op de kust, vertelt hij. Voor de bouw van de eerste centrale werd in 1975 nog een referendum gehouden. De burgemeester vond het nu niet nodig. ‘Dat doe je als je onzeker bent. We weten hoe de bevolking erover denkt. Flamanville is trots op zijn centrales.’

‘Waakzaamheid is voor mij het passende woord. Maar het zou bedroevend zijn als men zich uit onwetendheid een energiebron ontzegt die de samenleving nodig heeft. Laten de mensen zich niet te veel met de kernenergie in de Cotentin bemoeien. Zoals wij ons niet bezighouden met de varkenshouderij in Bretagne.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden