Kunstsubsidies leveren geen topkunstenaars op

Subsidies voor beeldende kunsten hebben niet geholpen om Nederlandse topkunstenaars te creëren. De afgelopen decennia zijn de overheidsuitgaven voor beeldende kunsten sterk gestegen, maar het aantal topkunstenaars dat doorbreekt, is tot een dieptepunt gedaald.

Karel Apppel poseert in 1999 met zijn koninklijke onderscheiding bij zijn schilderij 'vrouw en struisvogel' uit 1957. Beeld ANP

Dat schrijven de onderzoekers Aris Gaaff en Ernst Bos in het economenvakblad ESB. Subsdies helpen dus niet, maar Bos denkt dat het nog iets erger is: 'Je kunt je voorstellen dat kunstenaars door die subsidies een beetje lui worden en minder gaan presteren', zegt hij.

In hun artikel beschrijven Gaaff en Bos dat de subsidies voor beeldende kunst in de jaren zeventig van de vorige eeuw verdrievoudigden en in het eerste decennium van deze eeuw verdubbelden. Daarbij gaat het overigens niet om regelingen voor beginnende kunstenaars, zoals de WWIK die onlangs door de regering is afgeschaft. Die zijn verwaarloosbaar op het totaal. De bulk van de uitgaven gaat zitten in kunstprijzen en in kunstaankopen door de overheid, bijvoorbeeld via de 1-procents-regeling (1 procent van de uitgaven aan bouwprojecten moet aan kunst worden besteed).

Ondanks de groei van de uitgaven, daalde het aantal kunstenaars dat doorbrak. In de jaren twintig van de vorige eeuw stonden er jaarlijks rond zestien jonge kunstenaars op die uiteindelijk de top haalden (bijvoorbeeld Charley Toorop, Escher, Willink), in de jaren vijftig was opnieuw zo'n piekperiode (Wolkers, Lucebert, Appel). Maar sinds 1960 daalt het aantal kunstenaars dat doorbreekt naar topniveau bijna onafgebroken. In de laatste decennia van vorige eeuw ging het nog om gemiddeld zeven mensen per jaar, deze eeuw is de score gedaald naar jaarlijks twee doorbrekers (bijvoorbeeld Kiki Lamers en Guido van der Werve).

Bronnen
Om vast te stellen hoeveel kunstenaars doorbraken, gebruikten Gaaff en Bos bronnen uit de markt, uit het publiek en van kunstdeskundigen. Zo keken ze naar het geld dat kunstenaars konden beuren voor hun werken. Ze keken ook naar de namen in de Galerie der Onsterfelijken en de Galerie van Hedendaagse Kunstenaars, beide van het blad Kunstweek en tot stand gekomen door onder meer een stemronde onder het publiek. Verder werd gekeken naar internationale kunstprijzen die in de wacht werden gesleept.

In hun artikel signaleren Gaaff en Bos dat een zeer vergelijkbaar land als België nauwelijks subsidies heeft gekend voor beeldende kunsten. 'Toch zie je voor dat land hetzelfde beeld in de opkomst van jonge kunstenaars', zegt Bos. 'Dus je kunt concluderen dat subsidies niet hebben geholpen om meer toppers te creëren.'

Topkunst, zo schrijven zij, ontstaat in hotspots van economische groei, zoals in Nederland in de Gouden Eeuw en Parijs en New York in de twintigste eeuw. Zo staat op dit moment China nummer 1 als het gaat om topkunstenaars, gevolgd door de Verenigde Staten en Groot-Brittannië.

Critici zeggen dat Gaaff en Bos ten minste voor een deel de plank misslaan. Kunsteconoom Pim van Klink schrijft in ESB dat het doel van het kunstbeleid niet is topkunst te creëren. Dat is zeker niet het doel van regelingen zoals vroeger de BKR en later de WWIK. Die regelingen stonden niet voor niets op de begroting van Sociale Zaken, stelt Van Klink.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden