Jonge Nederlandse vrouw werkt vaker in deeltijd dan man; nergens in Europa is dat verschil zo groot
© Thinkstock / seb_ra

Jonge Nederlandse vrouw werkt vaker in deeltijd dan man; nergens in Europa is dat verschil zo groot

Twee van de drie jonge vrouwen tot 25 jaar werken in deeltijd, tegen één op de drie jonge mannen in dezelfde leeftijdsgroep. In geen ander Europees land is het verschil in aantal werkuren tussen jonge vrouwen en jonge mannen zo groot. Met de leeftijd neemt het verschil verder toe. In Nederland zijn jonge vrouwen daardoor minder economisch zelfstandig dan in andere landen.

Dat blijkt uit het onderzoek Werken aan de start - Jonge vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), dat vandaag wordt gepubliceerd. 'Dit onderzoek spitst zich bewust toe op de periode dat jongeren op de arbeidsmarkt komen, omdat dan al meteen verschillen ontstaan', zegt onderzoeker Ans Merens van het SCP. 'Veel jongeren beginnen met een deeltijdbaan. Ook bij jongens is dat het geval. Maar jongens willen al vanaf het begin meer gaan werken om carrière te maken, terwijl dat van meisjes niet zo hoeft. Die vinden ook vrije tijd en de combinatie met kinderen belangrijk. Mannen vragen na verloop van tijd om meer uren bij hun werkgever, vrouwen doen dat minder, is onze indruk.'

Dat de nieuwe generatie vrouwen minder economisch onafhankelijk is dan hun mannelijke leeftijdsgenoten is vooral opvallend, omdat vrouwen in de leeftijdsgroep tot 45 jaar hoger opgeleid zijn dan mannen. Als vrouwen beginnen met werken, hebben ze gemiddeld ook nog een hoger uurloon dan mannen. Maar boven de 25 jaar halen mannen in het bedrijfsleven dat snel in, en boven de 30 gaan mannen per uur meer verdienen. Bij de overheid geldt dat boven de 35 jaar.

Werk combineren met zorgtaken

Nergens anders in Europa werken jonge vrouwen zo weinig uren als in Nederland

Het SCP

Dat vrouwen vaker in deeltijd werken, komt volgens Merens deels doordat ze vaker kiezen voor een opleiding die 'voorsorteert' op een deeltijdberoep, zoals de gezondheidszorg. Mannen volgen vaker technische opleidingen en komen eerder terecht in sectoren, zoals de bouw, waar voltijdwerk de norm is. Mannen vinden carrièrekansen belangrijk, vrouwen willen een toekomstig beroep kunnen combineren met zorgtaken. Dat mannen vrouwen later inhalen en meer gaan verdienen, komt volgens Merens ook doordat mannen vaker bij hun werkgevers aankloppen en salariseisen stellen. Mannen worden ook sneller manager. Discriminatie zou een rol kunnen spelen, maar die aanname kan het SCP met dit onderzoek niet onderbouwen.

Doordat ze minder uren werken en in de loop der jaren relatief minder uurloon krijgen, zijn vrouwen in Nederland minder vaak economisch zelfstandig (met een inkomen uit werk van minstens 920 euro netto per maand). In de categorie 30 tot 35 jaar is 67 procent van de vrouwen economisch zelfstandig, tegen 82 procent van de mannen. Op deze leeftijd zijn er vaak kinderen voor wie vrouwen het grootste deel van de zorg op zich nemen.

Onder jongere werkenden verkeert Nederland volgens het SCP internationaal in een bijzondere positie. 'Nergens anders in Europa werken jonge vrouwen zo weinig uren als in Nederland en nergens anders zijn de verschillen tussen vrouwen en mannen zo groot: 29 uur voor vrouwen en 37 uur voor mannen.' De bijzondere positie wordt volgens het SCP veroorzaakt door het relatief grote aanbod van deeltijdbanen in allerlei soorten functies, de goede rechtspositie van deeltijdwerkers en het hoge welvaartsniveau.