Is er dan toch te snel afscheid genomen van de gulden?

De financiële crisis in Griekenland maakt duidelijk dat de euro in 2002 te snel is ingevoerd. De euro is een splijtzwam in plaats van een bindmiddel.Door Willem de Bruin..

Directeur Dominique Strauss-Kahn van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) had vorige week weinig opbeurende woorden voor de boze Griekse bevolking: er zijn geen makkelijke oplossingen om uit de crisis te komen, en u heeft de bezuinigingen maar te accepteren. Het is niet erg waarschijnlijk dat hij hiermee de harten van de Grieken heeft gestolen.

Minstens zo belangrijk was de impliciete boodschap die uitging van de simpele aanwezigheid van de IMF-topman in de Griekse hoofdstad: zonder hulp van buiten lukt het Europa niet de crisis rond de euro te bezweren. De politieke betekenis daarvan is nog maar nauwelijks tot de andere Europese hoofdsteden doorgedrongen. De speculanten lijken voorlopig beter dan de politici in de gaten te hebben dat de oplossing die nu voor Griekenland is bedacht, het onderliggende probleem niet oplost.

De scheppers van de euro gedroegen zich destijds als ouders die een huwelijk voor hun kinderen arrangeerden, zo vatte het Britse zakendagblad de Financial Times het probleem samen. De Europese leiders wisten dat zij landen met elkaar verbonden met zeer verschillende economieën en politieke culturen. Maar zij hoopten dat de partners na verloop van tijd vanzelf naar elkaar zouden toegroeien.

Zolang het Europa economisch voor de wind ging, leek iedereen slechts baat te hebben bij de gemeenschappelijke munt. De financiële crisis heeft die illusie wreed verstoord. Van beoogd bindmiddel dreigt de euro een splijtzwam te worden. De kwestie beperkt zich inmiddels niet meer tot de vraag hoe Griekenland kan worden gered, maar dreigen meer zwakke eurolanden het slachtoffer te worden van speculanten.

De kans dat de euro weer wordt vervangen door de gulden, de mark of de franc is klein. Daarvoor is het economisch voordeel van de gemeenschappelijke munt te groot, dat wil zeggen: voor die landen die zonder kunstgrepen aan de vereisten van een gezamenlijke valuta kunnen voldoen. Maar wie ziet toe op de naleving van die eisen? Een kleine tien jaar na de invoering staat de vraag van de critici van destijds nog recht overeind: is een monetaire unie mogelijk zonder politieke unie?

Degelijkste valuta
In Nederland vond de kritiek van de eurosceptici destijds weinig weerklank. Wat eerder verbaasde was het betrekkelijke gemak waarmee afscheid werd genomen van de gulden, de oudste en misschien wel degelijkste van alle valuta die in de euro zijn opgegaan. Een munt is immers niet alleen een rekeneenheid, maar ook een symbool van nationale soevereiniteit. ‘Het opgeven van de nationale munt is daarom’, zo stelde de historicus Jan Luiten van Zanden in een rede bij het afscheid van de gulden, ‘een veel krachtiger teken van Europese eenwording dan welke maatregel ooit eerder door Brussel bedacht.’

Als handelsnatie heeft Nederland nooit erg gehecht aan nationalistisch vertoon. Door de eigen munt in te ruilen voor een gemeenschappelijke Europese munt hebben de deelnemende landen echter ook een belangrijk instrument om de eigen economie te kunnen sturen uit handen gegeven. Dan is het belangrijk goede afspraken te maken over de voorwaarden waaronder de zeggenschap wordt overgedragen.

Een voorwaarde voor een succesvolle muntunie is dat de deelnemers in economisch opzicht min of meer gelijkwaardig zijn. Wanneer het slecht gaat, kan immers niet meer teruggegrepen worden naar het middel van de devaluatie. Evenmin kunnen landen zelfstandig de rente verhogen of verlagen. Hoe groter de onderlinge verschillen, hoe groter het risico dat belangentegenstellingen de munt onder druk zetten.

Een geloofwaardige munt vereiste een geloofwaardige politieke rugdekking. Een belangrijk discussiepunt in de aanloop naar de euro was daarom hoe het economisch en monetair beleid van de toekomstige eurolanden op elkaar kon worden afgestemd. Dan trapt iedereen al snel op de rem. Het resultaat was dat op de beslissende Eurotop in 1992 in Maastricht werd besloten de euro in te voeren zonder dat er uitzicht was op een politieke unie. De euro werd daarmee in de woorden van voormalig eurocommissaris Karel van Miert ‘een staatloze munt’. Van een middel om de Europese economie te versterken was de euro een doel op zich geworden, waarbij Parijs en Berlijn ieder hun eigen agenda hanteerden.

Waar Nederland als vanouds een groot vertrouwen in de Europese instellingen tentoonspreidt, was Duitsland heel wat kritischer. De Duitsers voelden er weinig voor hun harde D-mark, het fundament onder het Wirtschaftswunder, op te geven voor een munt die speelbal zou kunnen worden van allerlei nationale belangen.

Voor Frankrijk was de euro letterlijk wisselgeld. De regering in Parijs was na de val van de Muur bereid de Duitse hereniging te steunen op voorwaarde dat Duitsland akkoord ging met de invoering van een gemeenschappelijke munt. Het was in de ogen van Parijs de beste manier om Duitsland zowel politiek als economisch stevig in Europa te verankeren en zo een Alleingang van de grootste lidstaat te voorkomen.

Duitsland wilde voor alles garanties voor de stabiliteit van de munt. De euro zou even sterk moeten zijn als de D-mark. Daartoe moest de munt worden afgeschermd van de politiek. Om dezelfde reden wilden veel Duitse politici liever met een klein aantal gelijkgezinde landen beginnen: Duitsland, Frankrijk en de Benelux. Voorkomen moest worden dat de euro zou worden ondermijnd door landen met een bedenkelijke financiële reputatie als Griekenland, Italië, Spanje en Portugal, denigrerend Club Med genoemd.

De Franse regering daarentegen was juist voor een zo groot mogelijk aantal deelnemers om te voorkomen dat landen als Spanje en Italië Frankrijk zouden gaan beconcurreren. Was Duitsland voor een strikt onafhankelijke Europese Centrale Bank (ECB), Frankrijk pleitte voor een ‘economische regering’ die het beleid van de landen op elkaar zou moeten afstemmen – en Parijs de felbegeerde vinger in de pap zou geven. Beide landen kregen deels hun zin: de onafhankelijkheid van de ECB werd gewaarborgd, en deelname aan de euro werd ook opengesteld voor de Club Med. In plaats van een economische regering kwam er het stabiliteitspact, dat regels stelde aan begrotingstekorten en staatsschuld.

De verdeeldheid over de aanpak van de Griekse crisis maakte duidelijk dat de Frans-Duitse tegenstellingen nooit helemaal zijn overwonnen. Destijds troostte men zich met de gedachte dat de landen door de invoering van de euro steeds afhankelijker van elkaar zouden worden. Hun economieën zouden daardoor vanzelf naar elkaar toe groeien, en daardoor zou ook de bereidheid toenemen politiek nauwer samen te werken. De euro zou het ook makkelijker maken de burger voor een verdere integratie te winnen. Als mensen overal in Europa met dezelfde bankbiljetten en munten betalen, zou dat bijdragen aan het bewustzijn dat we allemaal bewoners van een en hetzelfde continent zijn.

Het zijn dagdromen gebleken. Zolang het economisch meezat, konden de zuidelijke landen hun achterstand nog verdoezelen. De financiële crisis maakte de kloof tussen Noord en Zuid alsnog pijnlijk zichtbaar. Van politieke toenadering was al evenmin sprake, getuige het Franse verwijt dat Duitsland met zijn harde opstelling tegenover Griekenland alleen aan zichzelf dacht. Duitse politici maakten van hun hart ook geen moordkuil toen zij de Grieken lieten weten geen zin te hebben op te draaien voor hun weigering net zo te hard te werken als de Duitsers. Wat Griekse politici er op hun beurt toe verleidde de Tweede Wereldoorlog maar weer eens van stal te halen. Tot zover de Europese solidariteit. Wie altijd al dacht dat Europa in de eerste plaats over geld, markten en concurrentie ging, zal slechts in die opvatting zijn gesterkt. Populisten van allerlei slag zijn graag bereid dit vuurtje op te stoken.

Kan de euro nog worden gered? Bondskanselier Angela Merkel wil de mogelijkheid houden landen die zich niet aan de regels houden, uit de eurozone te zetten. Het is een dreigement dat vooral de binnenlandse publieke opinie moet geruststellen, maar hoe harder de taal, hoe kleiner haar speelruimte wordt.

De Süddeutsche Zeitung liet onlangs de Britse historicus Harold James, gespecialiseerd in de economische geschiedenis van Europa, aan het woord. Als, zo betoogde James, de euro ten onder gaat, komt dat eerder door Duitsland dan door Griekenland. Dat laatste land legt daarvoor te weinig gewicht in de schaal. Dat ligt uiteraard anders voor Duitsland. Als de Duitse bevolking het vertrouwen in de euro verliest, bestaat het gevaar dat ook Duitse politici afstand van de Europese munt zullen nemen. En dan kan alles gaan schuiven.

Boterzachte euro
Het standpunt van James sluit aan bij speculaties over een splitsing van de eurozone in een noordelijk en een zuidelijk blok. In dit scenario groeperen Duitsland en zijn medestanders zich rond een nieuwe, solide gemeenschappelijke munt, eigenlijk zoals de regering in Berlijn altijd al had gewild. De zuidelijke landen mogen dan hun eigen boterzachte euro houden.

Er is ook een scenario denkbaar dat meer in de Europese traditie van vallen en opstaan past en waaruit de euro-optimisten steeds opnieuw hoop putten. Tot nu toe is Europa iedere crisis steeds weer te boven gekomen, vanuit het besef dat niemand nog terug wil. De Europese samenwerking volgt nu eenmaal niet altijd een logisch traject. Daarvoor zijn er te veel landen met te veel belangen. Steeds als het integratieproces leek te zijn vastgelopen, zoals na het debacle met de Europese Grondwet, werd de boel uiteindelijk toch weer vlot getrokken. Met de euro kan het net zo gaan.

In dit scenario wordt Griekenland gered, maar leidt de crisis ook tot een verdere inperking van de beleidsvrijheid van de eurolanden. Er komt buiten de Europese Commissie om alsnog een soort ‘economische regering’ om het gemis van een politieke unie te compenseren. Wat langs de weg van de Europese instituties niet is gelukt, zou dan via intergouvernementele samenwerking zijn beslag krijgen. Wat de bedenkers van de euro vooraf niet lukte, wordt zo achteraf door de omstandigheden afgedwongen. Het is mogelijk de enige manier de euro overeind te houden. De kans bestaat echter dat niet alleen de Grieken problemen zullen hebben met deze invulling van de Europese gedachte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden