In de eigen valkuil gevallen

Gerard Kemkers, de coach van Sven Kramer, let op elk detail, omdat de rijder dat zo graag wil. Maar zich bemoeien met wisselen, hoeft helemaal niet....

Dat is nou Gerard Kemkers ten voeten uit, zeiden zijn stafleden en pupillen. Bij een trainingskamp van zijn schaatsploeg TVM, ergens in een fraaie herfst te Inzell, nam de coach op zondag de auto. Hij reed naar de snelweg München richting Salzburg toe, waar hij had afgesproken met zijn vrouw Elke Felicetti.

Zij, een Duitstalige Italiaanse, was met hun twee kinderen onderweg van het Drentse Peize – hun woonplaats – naar het vakantiehuisje in Noord-Italië, bij het fraaie Bolzano. Papa Gerard zou zich later voor twee dagen bij haar aansluiten, zo had hij beloofd. Maar zo ver was het nog niet.

Kemkers reed met zijn Volvo vol gas naar de afslag Rosenheim, waar de Autobahn zich splitst richting Brennerpas. Hij sloot daar zijn vrouw en kinderen in de armen, ‘voor een kus en een knuffel’, en keerde vervolgens terug naar het trainingskamp in het schaatsmekka Inzell. Er was een ploeg van toen nog tien pupillen – het voorval dateert uit het najaar van 2008 – die op hem wachtte.

Daar begint het in de sport mee, met ijver en toewijding. Als er één man toegewijd is aan zijn ploeg en zijn pupillen, is het Gerard Kemkers. Wie je ook spreekt in de lange schaatswinters, zijn taakopvatting wordt geprezen. Wie werkt harder dan Kemkers? Niemand durft een ander te noemen.

‘Een ploeg als de onze’, zegt Carl Verheijen, de routinier die al tien jaar met de coach Kemkers werkt, ‘die brengt 250 nachten in hotelkamers door. Met de dagen ervoor en erna zijn wij er 300 onderweg. Het is het bestaan van een zeeman, inderdaad.’

In dat leven is Kemkers de kapitein en de stuurman tegelijk. Hij werkt ‘24/7’, zoals dat in jargon heet. Wie daar de stress van de topsport bij optelt, weet dat hij gevaar loopt. Verheijen: ‘Als je niet oppast, kun je over het randje gaan.’

Na de Winterspelen van Salt Lake City, waar Kemkers zijn pupil Jochem Uytdehaage naar twee gouden medailles coachte, kreeg hij te maken met vormen van extreme stress. Het lichaam, hoe goed verzorgd ook, trok het niet meer.

Zelf zei hij er vorig seizoen dit over: ‘Ik heb dat moeten leren. Ik ben erachter gekomen toen ik in 2002 ziek werd. Het was voor mij aanvankelijk onduidelijk wat er was. Het bleek een stressziekte. Die slaat toe in een functie, waarin je zoals ik vaak onder spanning staat, 7 uur slapen, 17 uur aan één stuk werkt en het hoofd niet stil krijgt.

‘Dan kun je nog zo veel compenseren, door eens te fietsen, goed te eten, niet te roken en te drinken, maar blijkbaar zegt het lichaam toch op een keer: het is klaar. Sindsdien ben ik mijn leven anders gaan inrichten. Als je weet dat je maar vier jaar coacht, neem je risico’s. Nu ik langer doorga, richt ik mijn leven beter in. Rust nemen, dat zeg ik ook tegen mijn schaatsers.’

Kemkers vertelde trots dat hij had geleerd tijdens een trainingskamp ook eens een boek te lezen. Maar zijn blackberry draait nog altijd overuren, mails vliegen eruit en iedere rijder krijgt per dag het persoonlijk geschreven trainingsprogramma toegezonden. Portofoon (met ‘oortjes’) en sms maken het trainersleven tot een managersbestaan.

Zijn kinderen, 4 en 7, zijn ankers. De miniboerderij in Peize, met kippen en konijnen, is zijn afleiding. Verheijen: ‘Zijn leven is ingericht op het beter maken van zijn schaatsers. Maar zijn twee kindertjes houden hem in balans. De telefoon gaat uit, als hij thuis is. En soms werkt hij extra hard in een trainingskamp om zich een of twee dagen vrij te permitteren. Ik vind dat hij op dat gebied in positief opzicht is veranderd.’

In zijn jeugd deed Kemkers de dingen al nooit half. Van de combinatie studeren en schaatsen zag hij al snel af. Hij viel na de zware trainingen van die tijd, coach Henk Gemser imiteerde het beulswerk van Eric Heiden, in slaap. Hij had alle rust nodig, om als jonge schaatser mee te kunnen met de grote jongens.

Hein Vergeer zag als wereldkampioen allround in 1986 twee jonge honden bij de kernploeg aansluiten: Leo Visser en Gerard Kemkers. ‘Wat je nu ziet, zat er toen al in bij Gerard. Hij was consciëntieus, heel erg met zijn ding bezig. Hij schreef alles wat hij deed op in dagboeken, logboekjes. Hij zal er een stapel van hebben.’

De junior was toen al nauwgezet. Vergeer: ‘Als we van Gemser opdracht kregen om tien keer 400, tien keer 600 en tien keer 800 meter te schaatsen, dan deed hij ze alle dertig. Als wij met acht van de tien hetzelfde resultaat konden boeken, dan deden we dat.’

Kemkers was volgens Vergeer ‘een lief en goed jong, maar raakte ondergesneeuwd bij Leo Visser. Die maakte hem af en toe gek.’ Visser, Haastrechter net als Vergeer, had een sterker lijf en was brutaler.

De westerlingen in de kernploeg, Vergeer, Visser en Kraayenbos, domineerden de teamsfeer. ‘Gerard was heel erg serieus. Wij waren de geinballen. Maar hij hield wel van het groepsgebeuren. Als we na het seizoen met de groep gingen skiën, was hij er altijd bij.’

Kemkers werd gesteund door de grote Fanclub Gerard Kemkers. Het was de amateurtijd. Donateurs legden geld in om topsport mogelijk te maken. De achterban van Kemkers telde vijfduizend leden.

Toen hij in 1988 als bronzenmedaillewinnaar terugkwam van de Spelen van Calgary, werd hij op kosten van de fanclub van Schiphol naar Eelde gevlogen. De familie Kemkers woonde vlak naast de landingsbaan. Er was eerst in Friesland al een extra rondje over Oudehaske, de woonplaats van Gemser, gevlogen, gevolgd door een scheervlucht over huize Kemkers.

Na de winter volgden in die tijd immer de feestavonden van de fanclubs. Het was een drinkgelag van jewelste. Take Plas, schaatsmedewerker van de Winschoter Courant en de man die Gerard als pupil al zag schaatsen, was erbij. Kemkers kon volgens Plas goed meedoen in café Waterburcht te Paterswolde. ‘Gerard was serieus, ja, maar hij kon ook goed feesten.’

Bart Veldkamp, de olympisch kampioen op de 10 kilometer in 1992, maakte Kemkers mee in diens laatste jaren als actief schaatser. ‘Toen stak er al een trainer in hem. Hij was heel collegiaal, qua helpen, aanwijzen, coachen. Ik was daar heel verbaasd over. Voor hetzelfde geld reed jij hem door die aanwijzing eraf. Maar zo was hij nu eenmaal.’

Gerard is een helper, onbaatzuchtig, een altruïst. Veldkamp: ‘Al was het tot niet eens zo lang geleden heel normaal elkaar te helpen. Ik trainde met Koss, vertelde hem al mijn informatie. Ik gaf mijn schaatsen aan Ritsma, hij sleep ze. Ik vertrouwde Rintje blindelings.’

Uit die jaren stamt de anekdote van Kemkers dat hij zijn grootste concurrent, Tomas Gustafson, uit de brand hielp. De Zweed had in de olympische winter grote problemen met zijn schaatsen. Kemkers nam hem mee naar Jan Bols, eigenaar van een sportzaak in Hoogeveen. Die repareerde de schaatsen en bracht de ronding in de ijzers op orde. Hij werd op die schaatsen twee keer olympisch kampioen.

Toen de schaatsloopbaan door het ‘zwabberbeen’ voortijdig werd afgesloten en hij in ijltempo afstudeerde aan de academie voor lichamelijke opvoeding in Amsterdam, was Kemkers de anonimiteit van het studentenleven gaan waarderen. Uit die tijd moet zijn voorkeur voor een plaats op de achtergrond stammen.

‘Ik wil niet op de voorgrond staan’, zei hij deze week, toen hij moest uitleggen wat er toch mis was gegaan met de wissel van Sven Kramer. Het liefst zegt hij zich af te sluiten voor de buitenwereld en zijn eigen wereld te creëren. Het is opvallend voor een man die een publicitair zwaar gevolgde baan in de sport bekleedt.

Kemkers werd in de jaren negentig door bondscoach Ab Krook het trainersvak ingetrokken, maar de assistent vertrok al snel naar de Verenigde Staten. Hij wilde geen kopie worden van Krook, Gemser of Pfrommer, befaamde voorgangers.

Hij zei het vorig seizoen zo: ‘Ik heb ook geen contact met ze gehouden toen ik op eigen benen ging staan in de VS. Dat moet ook, je moet jezelf zijn als coach, authentiek worden. Zo heb ik mezelf neergezet. Dat is ook de enige basis om coach te zijn.

‘Ik ben niet gebracht door een senior. Bij mij is dat sneller gegaan. Ik heb ook nooit een mentor gehad. Daar ben ik blij om. Mensen als Gemser en Krook hebben hun wortels liggen in een ver verleden. Dat is voor mij geen voorbeeld. Ik heb mijn eigen carrière, de Amerikaanse periode, gebruikt om me te ontwikkelen als schaatscoach.’

De eigenwijsheid plus de Amerikaanse inbreng heeft van Kemkers een innovator gemaakt. Hij vernieuwt zich elke twee jaar, in elk geval qua trainingsaanpak. Hij hecht zeer aan zijn fysiologische aanpak. Hij noemt dat ‘het lichaam triggeren om sterker te worden, prachtig werk’. Al weet hij ook dat de mentale component ten slotte beslist over het wel of geen goud halen.

Coach Kemkers is vooral de perfectionist, de man die – zo bleek deze week – zijn rijder overlaadt met informatie, want die zou hij graag willen hebben. Vergeer: ‘Die gedetailleerdheid past bij Gerard, aimabel mens hoor. Kramer op de olympische 10 kilometer de binnenbaan wijzen. Tja. De juiste baan kiezen is voor een schaatser als ademen, je ademt in en je ademt uit. Daar hoeft niemand iets over te zeggen.’

Veldkamp: ‘Gerard, een vriend van me maar ook mijn oud-coach en ploeggenoot, is in zijn eigen valkuil gevallen. Hij wil niets aan het toeval overlaten. In zijn drang naar perfectie is nu gebeurd wat never nooit meer zal gebeuren.’

Verheijen: ‘Ik vind dat flauw. Het is eerder omgekeerd, 95 procent perfectionisme bestaat niet. Dan heb je in 5 op de 100 gevallen kans op een fout. Bij Gerard is dat 1 op de 100 duizend. Hij heeft niet voor niets alles gewonnen wat er te winnen valt als coach.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden