Hofjes herontdekt

Het nieuwe Johannes Enschedé Hof in Haarlem volgt een eeuwenoud model: een beschutte woonomgeving, midden in de drukte van de stad....

Een kloeke waterpomp – vanouds dé ontmoetingsplek in een hofje – is er niet, in het gloednieuwe Haarlemse hofje. Er is wel iets met een vergelijkbare rol. Dat is de gezamenlijke waskamer, met drie superdegelijke was- en droogmachines. Hier ontmoeten de bewoners elkaar: acht alleenstaande vrouwen, en twee echtparen. Of ze zwaaien door het grote raam aan de tuinzijde van de waskamer. Want net als in oude hofjes gebruikelijk is, wonen alle bewoners zelfstandig maar vormen hun huizen tegelijk één knus geheel dat enigszins van de stad is afgesloten. Dat is goed voor het onderlinge contact.

Er is nog iets wat de nieuwbouw tot een hofje maakt. Wie niet weet dat het er is, zal het nauwelijks kunnen vinden. Het is weggestopt achter een bakstenen muur die de kromming volgt van de Korte Begijnestraat.

Een mooie muur, daar niet van, met een indrukwekkend glas-in-loodraam, en rijk gelardeerd met kleine ramen en allerhande sierlijke ornamenten. Maar je hebt geen idee wat zich hierachter bevindt, tot je naast de toegangspoort een bord met de naam Johannes Enschedé Hof ontcijfert (deels in spiegelschrift of ondersteboven; een knipoog naar de drukkerij die hier ooit stond en dergelijk ‘onleesbaar’ loodzetsel maakte).

Er is een nóg meer verborgen wijze om het nieuwe hofje te bereiken: via het oudste hofje van Haarlem, waarvan de ingang zich iets verderop aan de Wijde Appelaarsteeg bevindt. De poort van dit Hofje De Bakenesserkamer – gesticht in 1365, en in de 17de eeuw herbouwd met witte huisjes rond een lieflijke tuin– is alleen op werkdagen, overdag, toegankelijk. Als je daar eenmaal binnen bent, en doorloopt tot in de uiterste uithoek, kun je daar, achter wél een oude waterpomp, een doorgang vinden naar de nieuwste hof.

Het Johannes Enschedé Hof opent zich dan als een verrassing: een piepklein park met rondom houten gevels. Slimme details versterken het idee dat dit een écht hofje is. Zo is er voor ieder raam op de begane grond een vaste bank aan de gevel gemaakt. En voortuintjes ontbreken. Het hart van het geheel is een plantsoen, met een terras en witte berkenbomen. Dat geeft een gevoel van intimiteit dat in nieuwbouw zelden is te vinden.

Hofjes bestaan al sinds de Middeleeuwen. Ze zijn een typische uitvinding van de Lage Landen: stille enclaves met kleine woningen rond een tuin die door een afsluitbare poort van de stadsdrukte is afgeschermd. De oudste ontstonden uit liefdadigheid: rijke, dikwijls kinderloze weldoeners wilden iets nalaten aan de gemeenschap en lieten hofjes bouwen om hun vroegere gedienstigen, of andere welomschreven personen, van een veilige oude dag te voorzien.

In de 19de eeuw kwamen daar andere hofjes bij: idealistische woningbouwverenigingen (maar ook winstbeluste projectontwikkelaars) bouwden hofjes om arbeiders te huisvesten. Er kwamen er honderden, vooral in de Hollandse steden. De meeste zijn allang verdwenen. In de 20ste eeuw vond een schifting plaats: armoedige hofjes werden afgebroken en als ze nog te redden waren, werden ze verbouwd tot bijvoorbeeld studentenhuizen.

Maar juist de oudste, en de rijkste, overleefden vaak in hun oorspronkelijke opzet. Dat is onder meer te danken aan de bestuursvorm: zij worden veelal nog steeds, na eeuwen, bestuurd door een College van Regenten, soms afstammelingen van de oorspronkelijke stichter of stichteres. Deze bleven in functie toen vrijwel de hele volkswoningbouw een overheidszaak werd, en houden het nóg vol, nu de woningbouw verder commercialiseert. Een regent in Haarlem die een pot soep bij een zieke hofjesbewoner brengt: dat kan nog steeds gebeuren. Zoals de Haagse regentessen van de Hof van Wouw nog elke Pasen brood en eieren uitdelen, en persoonlijk de bewoonsters kiezen volgens de 17de-eeuwse richtlijnen.

Bij andere hofjes zijn de regels versoepeld, maar houden regenten een stem in de selectie van bewoners. Dat klinkt misschien betuttelend maar heeft ook een andere kant: regenten vormen kleine, veelal bevlogen organisaties die zich sterk inzetten voor het behoud van hun hofjes. Dat vergt veel inzet als de gebouwen oud zijn en kostbaar worden in onderhoud.

Dat nu nog circa honderd hofjes een goed bestaan leiden, komt ook doordat deze woonvorm de laatste decennia is herontdekt. Dat is niet alleen te danken aan hun uitzonderlijke architectuur – variërend van monumentaal tot ingetogen – maar ook aan hun rust: het zijn aangename, autovrije oases. Dergelijke beschutte plekken zijn in de huidige steden zeldzaam, en werden in de naoorlogse stedenbouw helemaal uitgebannen. Sinds kort is beschutting in de stedebouw herontdekt, al wordt de perfecte balans tussen stedelijk en kleinschalig zoals die in de oude hofjes te vinden is, niet geëvenaard. Wie die wil ervaren, moet maar eens in de Amsterdamse Begijnhof gaan kijken. Net als in andere hofjes staat de poort hier overdag open: zo’n hofjestuin is een park waar passanten zomaar even kunnen binnenlopen. Onwillekeurig praat je er zachter, beweeg je er trager: zo aanstekelijk is de heersende rust. Naarmate oude binnensteden vriendelijker voor voetgangers werden, kwamen er meer wandelaars die dat ontdekten. Hofjeswandelingen raakten in zwang.

Eind jaren negentig kwam daar iets anders bij. In opdracht van het College van Regenten van het Haarlemse hofje Van Codde en Van Beresteyn onderzochten drie sociaal-gerontologen of het functioneren van hun erfenis – het hofje – nog wel paste in de moderne tijd. De conclusie was juichend: hofjes werden aangeprezen als ‘al eeuwen een moderne woonvorm voor ouderen’. De onderzoekers voorzagen een bloeiende toekomst, temeer omdat in 1997 de Wet op Bejaardenoorden was ingetrokken. Daarmee kwam een eind aan het systeem dat mensen, naarmate ze ouder en afhankelijker worden, van het ene naar het andere instituut verhuizen, met steeds intensiever zorg. Voortaan zouden ouderen zo lang mogelijk zelfstandig kunnen wonen en juist voor hen zouden hofjes een uitkomst zijn.

De voorspelling van de gerontologen kwam uit: sinds eind jaren negentig is de populariteit van hofjes sterk toegenomen. Bestuurders bundelden hun krachten in het Landelijk Hofjes Beraad, dat in zijn tienjarig bestaan is uitgegroeid tot een actieve organisatie waarbij vrijwel alle stichtingen die hofjes beheren, zijn aangesloten. Alleen het entameren van de bouw van nieuwe hofjes als huisvesting voor ouderen – waartoe eind jaren negentig de Amsterdamse Stichting Hofje van de 21ste eeuw werd opgericht – dát is er nauwelijks van gekomen.

Haarlem (naast Amsterdam en Leiden hofjesstad bij uitstek) is een gunstige uitzondering. Al in 1991 stelde deze gemeente een locatie beschikbaar waar ‘het hofje van de 21ste eeuw’ gebouwd zou kunnen worden. Er kwam een architectuurprijsvraag, waaruit helaas voornamelijk bleek hoe weinig affiniteit de huidige architecten nog met het fenomeen hadden. Toch leidde het tot een bouwproject: in 2001 kwam, naar ontwerp van Dolf Floors, de Gravinnehof gereed. Een onverdeeld succes is dit niet, vooral doordat de locatie veel te klein is voor de 56 wooneenheden, die nodig waren om het project rendabel te maken. Er is wel een poort, en een gemeenschappelijke tuin, maar de bebouwing is feitelijk een galerijflat met riante buitengaanderijen.

Het nieuwe Johannes Enschedéhof heeft wel een authentieke vorm. Daarbij speelt een rol dat het initiatief van echte regenten kwam. Stel je bij die term overigens geen ouderwetse pruikendragers voor: Job Thöne en Ok de Lange zijn moderne mannen die sinds 1993 het College van Regenten vormen van het hofje De Bakenesserkamer.

Hun betrokkenheid is groot, en daardoor zagen ze meteen hun kans toen die zich voordeed. Dat was een jaar of tien geleden, vrijwel de hele omgeving van hun Bakenesserhofje werd kaal gesloopt. Dat was een enorme onderneming: vrijwel alle bedrijfsgebouwen van de bekendste drukkerij van Nederland, Enschedé en Zonen, gingen plat.

Terwijl veel Haarlemmers te hoop liepen tegen deze reusachtige sloop en woedend waren over de grootschalige nieuwbouwplannen, hielden Thöne en De Lange het hoofd koel. Zij drongen er bij de gemeente op aan een deel van de vrijgekomen grond voor een hofje te bestemmen. De gemeente was daar niet afkerig van. Geld was er niet: de regenten beschikten over 1600 euro. Maar Haarlem is een kleine stad, men kent elkaar, en directeur Wim Langeler van corporatie De Woonmaatschappij wilde wel investeren. De basis was gelegd.

De bemoeienis van de regenten ging verder. Begin 2000 viel het gemeentelijke besluit om vlak achter het Hofje De Bakenesserkamer de nieuwe Toneelschuur te realiseren. Het ontwerp hiervoor kwam van de Haarlemse striptekenaar Joost Swarte, en zou worden uitgevoerd in samenwerking met Henk Döll, toen nog werkzaam bij Mecanoo. Tijdens de ontwerpfase dreigde de Toneelschuur almaar groter te worden en het terrein dat voor het nieuwe hofje gereserveerd was, kwam in de knel. De regenten stelden de Woonmaatschappij toen voor de opdracht voor dit nieuwe hofje aan deze zelfde architecten te geven. Dat gebeurde, en zo werd het voor de ontwerpers eigenbelang hun ontwerp voor de Toneelschuur aan te passen.

De Woonmaatschappij bouwde het hofje (kosten: 4 miljoen euro), blijft eigenaar, en verhuurt de woningen. Maar de regenten houden invloed, met name op het ‘sociale beheer’. Ze houden contact met de bewoners, en zien er bijvoorbeeld op toe dat de Regentenkamer in het Hofje De Bakenesserkamer ook door de nieuwkomers is te gebruiken.

Tot zover niets dan goeds over het nieuwe hofje. Maar juist doordat het naast dat oudste hofje van Haarlem ligt, met zijn weldadig grote binnentuin, kun je wel zien dat die kwaliteiten van toen in de verste verten niet meer haalbaar zijn. Het ergste euvel valt architecten noch opdrachtgevers te verwijten: de ruimte is eigenlijk te krap, temeer omdat de woningen zo eigentijds en ruim zijn. Dat wreekt zich direct in het gebruik. De poort aan de Korte Begijnenstraat is weliswaar niet werkelijk op slot (open op werkdagen van tien tot vijf), maar passanten zullen niet makkelijk binnen lopen. En wie het doet, keert schielijk om: je voelt je er op privéterrein.

De bewoners voelen haarfijn aan dat hun tuin te krap en te weinig gastvrij is, om een oase in de stad te vormen. Een tafel met stoeltjes, door de architecten in het breedste deel van de hof bedacht, is al verhuisd naar de meest achteraf gelegen plek. Dat maakt dat het Johannes Enschedé Hof helaas ook iets weg heeft van een gated community – die Amerikaanse uitvinding waarmee bewoners zich afsluiten van de buitenwereld. En dat zou een verarming zijn van de Nederlandse hofjescultuur.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden