Column De kwestie

Hoe onrechtvaardig is de opbrengst van het pensioen?

Rechtvaardigheid in het aardse leven bestaat niet. Een lang leven en een goed renderende oude dag is vooral een kwestie van geluk: genen en de geboorteplek zijn belangrijker dan levensstijl en goedheid.

En dat geldt ook financieel. Wie nu 102 jaar oud is en in 1981 met pensioen is gegaan, heeft zijn premies voor de oudedagsvoorziening mogelijk honderdvoudig terugverdiend. Alleen aan aow is dan in 37 jaar al een half miljoen euro ontvangen, terwijl een fractie daarvan aan aow-premie is betaald in de werkzame jaren tussen 1958 en 1981.

Wie echter binnenkort met pensioen gaat en meteen gaat hemelen, loopt al gauw een miljoen aardse euro’s mis. Het ABP – om een willekeurig pensioenfonds te nemen – heeft op een leeftijd van 67 jaar en drie maanden een potje van 746 duizend voor hem of haar in de wacht staan. Zelf heeft de Nederlandse overheidsdienaar daar verplicht 77.500 aan betaald. Maar de werkgever heeft nog eens 162 duizend ingelegd. En het ABP mag zich op de borst kloppen met beleggingen 507 duizend te hebben verdiend.

In dit sommetje wordt uitgegaan van iemand die met zijn 25ste pensioenpremie is gaan betalen en op een eindsalaris van 58 duizend euro zit. Kortom, iemand met een mooie carrière bij de overheid. Die Nederlander heeft echter ook nog een flinke aow-premie betaald. Dat is weliswaar niet belegd, maar via het omslagstelsel meteen uitgekeerd aan de 65-plussers van die tijd, bijvoorbeeld de man die nu 102 jaar is.

Stel dat de betreffende persoon op 1 januari 1979 is begonnen bij een boekhoudkantoor tegen een beginsalaris van 25 duizend gulden per jaar. In tariefgroep 3 bedroeg de belastingvrije som in dat jaar 7.855 gulden. Over de resterende som had 11,9 procent aow-premie moeten worden ingehouden: 2.160 gulden (982 euro). Omdat de persoon snel meer ging verdienen en ook de aow-premie fors steeg (tot 13,1 procent in 1984, 18,3 procent in 1998 en 17,9 procent nu) explodeerde dat bedrag. Dit laatste werkjaar zou bij een jaarsalaris van 58 duizend euro 4.961 euro zijn betaald, omdat de premie is gemaximaliseerd. Opgeteld over veertig jaar – van 1979 tot 2008 - is anderhalve ton aan aow-premie betaald.

Als er ook nog rekening mee wordt gehouden dat de koopkracht van de betaalde aow- premie in 1979 tweeënhalf keer zo groot was als die van 2018, komt het totale bedrag boven een miljoen.

Wat soms vergeten wordt in de pensioendiscussie is dat met name de gewerkte jaren boven de 60 belangrijk zijn voor de opbouw van het pensioen — de tweede pijler. Als dezelfde man of vrouw met 60 jaar met pensioen gaat met hetzelfde eindsalaris, zou het potje 523 duizend euro bedragen: 57.500 (eigen pensioenbijdrage), 115 duizend (werkgeversbijdrage) en 351 duizend (rendement). Dat is twee ton minder dan iemand die doorwerkt tot 67 jaar.

Rechtvaardigheid is er niet. Wel solidariteit. Zolang dat in individualiserend Nederland nog bestaat.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden