Column Peter de Waard

Hoe lang krijgt de staat geld toe op de schuld?

Bestek ’81 was het misschien wel beruchtste na-oorlogse bezuinigingsplan. Heel het land liep er tegen te hoop: vakbonden, socialisten, actiegroepen en Wim Kan.

Architect van Bestek’81 was de vorige week overleden Frans Andriessen. Hij was minister van Financiën in het kabinet-Van Agt-Wiegel. Als gevolg van de oliecrisis en de uitdijende overheid was het begrotingstekort in zijn ogen onhoudbaar geworden. Met een rente van 10 procent was de financiering van de stijgende staatsschuld zo duur dat bezuinigen dweilen met de kraan open was geworden.

De enige die hun vingers aflikten bij Bestek ’81 waren het ABP en de andere pensioenfondsen die deze schulden opkochten. Ze liepen binnen. Uiteindelijk gaf Andriessen in februari 1980 de pijp aan Maarten toen zijn eigen CDA – vooral fractieleider Ruud Lubbers en minister van Sociale Zaken Wil Albeda − zijn bezuinigingsplan ondermijnden. Andriessen werd opgevolgd door Fons van der Stee, onder wiens bewind de rente zelfs steeg naar 12,75 procent.

In vergelijking tot toen is bezuinigen nu een feest. Wopke Hoekstra van Financiën kan zijn vingers aflikken. Dinsdag meldde het CBS dat het overschot op de begroting van vorig jaar is opgelopen tot 11 miljard euro. De staatsschuld smelt als sneeuw voor de zon. In plaats van het betalen van rente voor de schuld krijgt de staat zelfs geld toe. In 1980 moest op een obligatie van 1.000 gulden jaarlijks 100 gulden rente worden vergoed (10 procent), waardoor een lening van 1.000 euro de staat bij aflossing in 1990 2.000 euro had gekost. Nu kan de overheid een obligatie van 1.000 euro voor 1.020 euro in de markt zetten, tegen een rente van 0,1 procent. De totale rentekosten bedragen 10 euro. En omdat in 2029 de aflossing 1.000 euro bedraagt, resteert een winst van 10 euro. Knarsetandend moeten ABP en de andere pensioenfondsen hun verlies nemen.

Nog maar drie jaar geleden zeiden economen dat negatieve rendementen een heel tijdelijk verschijnsel zouden zijn. Deze week meldde de Financial Times dat inmiddels wereldwijd 10 biljoen dollar (8.800 miljard euro) aan staatsleningen met een negatief rendement uitstaat. Dat is een verdubbeling in zes maanden. Al vijftien landen in de wereld krijgen geld toe op hun staatsschuld. En het einde is nog niet in zicht. Door de houding van de centrale banken blijft geld spotgoedkoop. Schulden maken is lucratief, geld uitlenen – tenminste met de zekerheid dat het ook wordt terugbetaald – is een kostenpost. Beleggers keren zich af van riskante avonturen en concentreren zich op de bekende veilige havens (Verenigde Staten, Japan, Duitsland, Nederland) hoewel ze daar geld op toeleggen.

In 1980 durfde niemand te dromen dat de wereld veertig jaar later zo op zijn kop zou staan. En nu kan niemand zich meer een Bestek ’81 voorstellen. Misschien pas in 2081.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden